about
Toon menu
Opinie

Digi-daddy in plaats van Vadertje Staat?

Het hypen van de deeleconomie als heiland is een trendy bezigheid. Rogier De Langhe werkte als filosoof op Kuhn, zoekt sindsdien overal paradigmashifts en meent die nu te vinden in een scheve interpretatie van het commons-model (DM, 11/3). Dat zou ons naar een postindustriële wereld voeren, voorbij markt en staat. Werkelijk? Maf aan dit droomdenken is het onderliggend paganisme: de technofantasie dat we via nieuwe media alle maatschappelijke problemen en machtsverhoudingen zullen overstijgen. Digi-daddy in plaats van Vadertje Staat?
woensdag 15 maart 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Na drie decennia neoliberalisme hoef je steeds minder mensen ervan te overtuigen dat de vermarktingspolitiek een probleem is. De vele studies die de miserie met de commercialisering en de privatisering van bijvoorbeeld de zorg, cultuur of onderwijs blootleggen, zijn dan ook nog moeilijk bij te houden.

 Maar het debat over wat het alternatief moet zijn, loopt moeizaam. Meestal duikt er dan een stopterm op: ‘de commons’ zijn de oplossing! We moeten terug leren samenwerken en delen, daar komt het doorgaans zowat op neer. Maar het gebrek aan een concrete invulling zet de deur open voor heel wat ideologisch getouwtrek en academische profileringsdrang: er is een strijd bezig tussen links en rechts via het commons-debat.

Vandaag merken we dat het vage debat over de commons steeds meer wordt gekaapt door opiniemakers die hierin een hefboom vinden voor een anti-overheid verhaal. Zij willen de neoliberale mantra nog even verderzetten weliswaar onder een andere vlag: de overheid moet publieke diensten afbouwen en private initiatieven met een p2p-label steunen.

Een voorbeeld daarvan stond dit weekend te lezen in de bijdrage ‘Wacht niet op de staat, bewerk je eigen land’ in De Morgen. De machteloosheid die velen voelen ten aanzien van een politiek systeem dat steeds meer in de greep is van een rechtse elite, wordt zo gekanaliseerd naar een oproep tot een liberale uittocht: draai de overheid toch gewoon de rug toe en neem je lot in eigen handen: do it yourself! Het betoog dat filosoof De Langhe ervan maakt, hangt als los zand aan elkaar.

Niet-zo-commons

Natuurlijk is het goed om zelf actie te ondernemen om bijvoorbeeld een groentepakket bij een lokale biologische coöperatieve te kopen, spullen naar de kringloopwinkel te brengen of als vrijwilliger bij bijvoorbeeld Oxfam aan de slag te gaan. Het probleem zit hem in de opiniemakerij die vervolgens jouw handelen ideologisch gaat duiden als een nieuwe ‘derde weg’ tussen markt en staat. Ik zet enkele problemen op een rijtje.

Een eerste probleem, dat in het stuk van De Langhe al in de eerste zin opduikt, is de enge blik op wat commons zijn. Meteen krijgt de lezer een verwijzing naar bossen en meren om vervolgens de sprong te maken naar digitale commons zoals Linux software of wikipedia. Verbazend hoe hij argeloos over de meeste commons die ons vandaag dierbaar zijn heen springt.

Met name: de publieke commons. Zoals openbaar vervoer, de post, onderwijs, justitie, gemeentediensten, bibliotheken, musea, theaterhuizen, bruggen en wegen, brandweer, waterwerken, gas, het elektriciteitsnet, enzovoort. Idem voor wat sociologe Francine Mestrum als de ‘sociale commons’ omschrijft: onze sociale zekerheid die we doorheen een historische sociale strijd hebben afgedwongen.

De Langhe schrijft: ‘een commons wordt gecreëerd zodra je samen met enkele anderen een stukje van de wereld afbakent en daarvoor zelf nieuwe spelregels af­spreekt.’ Hoewel openbare dienstverlening evengoed binnen deze definitie past, dient die definitie precies om te kunnen afbakenen en uit te sluiten.

Toeval? Nee hoor, in plaats van de commons als een brede verzameling op te vatten gaande van progressieve werknemerscoöperatieven, publieke en participatieve initiatieven tot en met klassieke staatsbedrijven, gaat het hier om een beperkte niche die dienst doet om de afbouw van de openbare dienstverlening te motiveren. Want dat zou allemaal zo star, bureaucratisch en autoritair verlopen?

In plaats van een upgrade van de openbare diensten moeten we die dan maar afschaffen en het kind met het badwater weggooien? Deze vernieuwingsdrang heeft veel weg van het geraas van de futuristen van vorige eeuw: in het belang van ‘de nieuwe wereld’ moet alles eerst kapot. Binnen een neoliberaal project dat op de uitholling van de sociale welvaarsstaat uit is, is dit helaas gewoon een variatie op hetzelfde thema.

Postindustrieel?

Tweede probleem: omdat De Langhe niet graag in termen van ‘postkapitalisme’ spreekt, heeft hij het over een postindustriële maatschappij. Dat is niet geloofwaardig als blijkt dat de voorbeelden die hij geeft over digitale platformen gaan die een hyperindustriële economie veronderstellen.

Blablacar bijvoorbeeld, een platform om te carpoolen, veronderstelt een intensieve auto-industrie en een modern wegennet. Idem voor Uber, autodelen of Snappcar: het dient om de slapende capaciteit van kapitaal te benutten. Je hebt daarmee misschien minder auto’s, ze zijn wel meer op de baan en je moet ze sneller vernieuwen. Het openbaar vervoer help je er niet mee vooruit.

Idem voor andere deelplatformen: Airbnb is een app die maar tot zijn recht komt binnen de toerisme-industrie en de gesubsidieerde lagekostvluchten. Het gaat om platforms die inkomsten voorzien voor mensen die reeds kapitaalgoederen bezitten, zoals een ruime woning of een (aantrekkelijke) auto. In de praktijk komt dit neer op het meer efficiënt maken van het industriële kapitalisme.

Deze deeleconomie verhoogt echter de ongelijkheid en creëert een werkveld zonder sociale zekerheid of minimumlonen. Het brengt, kortom, de miserie van lageloonlanden in een postmoderne versie een beetje dichterbij.

De Langhe zit met een typische blinde vlek: we zouden vandaag al leven in een ‘klassenloze’ kennismaatschappij. Laten we dus maar snel vergeten dat de permanente stroom aan digitale consumptie-artikelen het product is van heel veel eentonige en vervreemdende arbeid.

Maar kunnen we al die mensen die daar dag in dag uit mee in de weer zijn zomaar vergeten? De digitale ‘postindustriële’ wereld van De Langhe is geen machine die ergens op zichzelf staat de draaien zoals een internetserver achter een hoek.

Die cleane laptops en smartphones voor de digitale deeleconomie zijn gemaakt van mineralen die mensen in schrijnende omstandigheden opdelven in Afrika. Vrouwen en kinderen assembleren de stukken in vaak mensonwaardige Aziatische fabrieken, de klok rond bijgestaan met software en callcenters uit slavenland India. De apparatuur wordt verpakt en verzonden door flexwerkers met een 1 Euro job bijvoorbeeld bij het Duitse Amazon.

We kennen de afzonderlijke feiten, toch bedanken velen gek genoeg voor het grotere plaatje omdat dat niet in hun kraam past.

Participatie?

Derde probleem: de nieuwe commons zouden ook een toonbeeld zijn van participatie en democratie. Want de gebruiker beheert het allemaal zelf. Ja? Uit ervaring weet ik dat ik wel wat feedback mag geven bij mijn lokaal Gents groentepakketteam, maar inspraak in het aanbod is er niet bij.

Want dat is net de deal: je engageert je voor een totaalpakket zodat zo’n biologisch collectief kan overleven. Voor wie niet graag rapen eet, kan dat in de winter wel eens lelijk tegenvallen. Het gaat hier dus niet om participatie maar om engagement.

Of beter: om ethisch consumeren. Samen met die gezonde en faire producten en diensten, koop je een stukje ‘iets-goed-doen’. Dat zit als toegevoegde dimensie bij de aankoop en daar is natuurlijk niets mis mee. In zijn extreme vorm kan dergelijk filantropie-consumentisme wel heel misleidend werken: jij koopt, de wereld wordt beter?

Hierin zit de leugen vervat dat we allemaal samen kunnen winnen: ik een nieuwe t-shirt uit de fair trade, zij daar in Afrika een dag langer overleven. Het klimaat redden? Koop slim en koop meer.

Participatie, in de betekenis van inspraak en democratie, wordt door bepaalde deeleconomen ook met interactie verward. Heb ik dan veel inspraak bijvoorbeeld bij het autodeelplatform Cambio?

Nee, er zijn een aantal spelregels waaraan ik netjes moet voldoen. In het belang van klantvriendelijkheid staat het platform weliswaar open voor feedback maar verder moet ik niets anders doen dan deelnemen.

Heel veel verschilt dit niet van het protocol bij openbare diensten: je kent de spelregels en via publiek debat en politieke besluitvorming kan de service bijgestuurd worden.

De nadruk die De Langhe op participatie en deeleconomie legt, doet overigens ook verkeerdelijk uitschijnen dat openbare dienstverlening hoegenaamd niet democratisch zou zijn.

Zelfbeheer?

Stel nu dat we wel voor echte participatie in de deeleconomie zouden opteren, dus wat de organisatorische opzet zelf van zo’n p2p betreft. Dat we met andere woorden allemaal collectief mee kunnen plannen en overleggen hoe een deel-initiatief verloopt.

Lopen we dan niet precies het gevaar dat het bureaucratische monster opduikt dat De Langhe zo ongenuanceerd associeert met openbare dienstverlening zonder meer? Zit de souplesse van een deeleconomie dan niet precies in het feit dat je een bepaalde marktdynamiek laat spelen?

De vlotte babbels over participatie hebben eigenlijk een ander doel: de organisatievorm van zo’n deeleconomie een progressief cachet meegeven, ook al gaat het dikwijls om privaat bezit.

Op die manier verdwijnt er iets essentieel buiten beeld, met name dat deelplatformen doorgaans georganiseerd worden door een tussenpersoon die in principe alles kan beslissen en ook de eigendom beheert.

Facebook is daar een extreem voorbeeld van maar bij andere deelplatformen is een vergelijkbare structuur aan de orde. De vraag is dan: wie is de platformbeheerder?

Hier komt de kat op de koord: hoe collectief is zo’n initiatief dan nog? Wie deelt en wie bezit? Een openbare dienst is dan in vergelijking plots wel iets heel democratisch.

Want hier is er sprake van economische democratie: het gaat om collectief beheer én bezit van de geleverde diensten en goederen. Een collectieve economische huishouding heeft niet alleen betrekking op de beheersvorm maar ook om de eigendomsverhoudingen.

Voorbij het voorbij-denken

Leerrijk aan het stuk van De Langhe is wel dat het de aspiraties blootlegt van sommige commonologen die denken het wiel uitgevonden te hebben: de behoefte om iets nieuws te willen omarmen dat een uitweg biedt en ons ‘voorbij’ de bestaande problemen brengt.

Maar dat ongeduldige en verleidelijke ‘voorbij-denken’ lost die problemen niet op, denkt ze slechts weg. Zoals een tovenaar die geen konijn uit een hoed haalt, maar alleen maar hoeden tevoorschijn tovert om daar vanalles in te steken.

Los je de onvermijdelijke traagheid van een participatief of administratief proces op door openbare dienstverlening maar meteen integraal te aborteren? In z’n Utopia of Rules toonde de antropoloog David Graeber al aan dat overheidsbedrijven zeker geen monopolie op bureaucratie hebben.

Is het geloofwaardig om de complexiteit eigen aan een collectieve en veranderlijke organisatie van de civiele samenleving voor te stellen als iets dat eenvoudig beheerd kan worden door enkele magische ‘apps’ en slimme ‘i-bots’?

Volgens De Langhe wel, want ‘wat de laatste jaren veranderd is, is niet de commons zelf, maar het gemak waarmee hij opgezet kan worden.’ Dat bracht veel ‘transactiekosten met zich mee’ en daarom had je ‘een natiestaat of een partij nodig’, redeneert De Langhe. Door het wegvallen van die kosten, zo krult de redenering verder, kan je dat ook ineens allemaal skippen. Simpel toch?

Iedereen gelijk?

De Langhe stelt eigenlijk voor om de hele herverdelingspolitiek – je weet wel, al dat gedoe met belastingen, BTW, accijnzen en andere taksen samen met alle diensten die daar tegenover staan – te deleten. Dat heet dan: ‘democratisering van het vermogen tot organisatie, waardoor wij als gelijken, als peers met elkaar kunnen omgaan.’ De miljardair Albert Frère en u, hand in hand zeg maar, in het peer-to-peer netwerk? Ja hoor.

Zoals de liberaal Adam Smith de denkfout maakte dat iedereen gelijke en vrije toegang tot de markt kan hebben – een vooronderstelling die nodig is om de markt te kunnen idealiseren – zo menen sommige commonologen dat iedereen gelijke en vrije toegang heeft tot een p2p-netwerk. Sociale ongelijkheid en het gebrek aan keuzevrijheid ga je zo oplossen door ze reeds op voorhand weg te denken.

In beide gevallen gaat het eigenlijk om een onderliggend communistisch fantasma inzake gelijkheid, om de theorie te doen kloppen. De Langhe draaft flink door in die richting: de interneteconomie zal ook de tegenstelling tussen werkgever en werknemer doen verdwijnen. Wie biedt er meer?

De ingebeelde derde weg

De deeleconomie brengt ons niet voorbij de markt en de staat. Veel van de nieuwe commons zijn simpelweg onderdeel van de markt of vormen een digitale bovenbouw op de bestaande reguliere economie.

Het kapitalisme heeft bovendien ook niet-kapitalistische initiatieven nodig als creatieve kweekvijver, of als modus vivendi om niet meteen aan z’n eigen tegenstellingen ten onder te gaan. Zo krijgen de publieke diensten opgebouwd sinds 1945 als eens de kritiek een extra service te zijn die dient om het kapitalisme draaiende te houden.

Natuurlijk kan de deeleconomie ook over initiatieven gaan die zich eerder ophouden in de marge van de reguliere economie. Maar dan hebben we het eigenlijk over een informele marktwerking, zoals je een zwarte markt kan hebben in crisislanden bijvoorbeeld ten gevolge van oorlog.

De deelinitiatieven die echt draaien louter op basis van ruil en vrijwilligerswerk zijn dan weer dikwijls maar mogelijk doordat we in een samenleving leven met een sterke publieke en sociale dienstverlening en de nodige gesubsidieerde vzw’s zodat mensen tijd en energie vrij hebben om zich te kunnen engageren voor zo’n goed doel.

Sloth Slow Commonologie

Kortom, maatschappelijke problemen los je niet op door de oorzaken die er aan ten grondslag liggen, weg te denken. Deeleconomen zoals De Langhe zoeken desondanks een houvast in een verlossend principe en gaan bijgevolg de spirituele toer op.

Sommigen verwachten alle heil van ‘Vadertje Staat’, anderen zoeken hun hoop bij de ‘onzichtbare hand’. Commonologen klampen zich dan al snel vast aan een ‘diggi-daddy’ die alles wel zal technofiksen. Via een click en swipe verlossen we onszelf van onze zonden en onkunde.

Er zit wel een centrale boodschap in dit evangelie van de commons: de wens tot zelfbeschikking. Weer grip willen krijgen op onze wereld en ‘die zelf willen maken’. Op maat van de mens, schrijft De Langhe zelfs. Dat is inderdaad het grote debat dat we moeten voeren als we een alternatief voor de vermarktingspolitiek willen.

Maar zoals in de tekenfilm Zootopia, zo zou je kunnen denken, is deze denkoefening er eentje met een vertraagd effect dat treffend verbeeld werd in die hilarische scène met de luiaards achter het loket. ‘Sloth slow’, heet het in de film.

Zal in het debat over ‘het alternatief’ ook met zo’n vertraagd effect het inzicht dagen, zoals de lach van de luiaard na een mop, dat een 21ste eeuwse update van onze publieke dienstverlening uiteindelijk de sleutel is?

We hoeven niets uit te vinden dat er nog niet is om tot emancipatie te komen. Of tot ‘herwonnen waardigheid’, zoals De Langhe retorisch voorop stelt.

 

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van Buy Buy Art. De vermarkting van kunst en cultuur (EPO, 2015) en vakbondsverantwoordelijke voor ACOD Cultuur.

 

reageer

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.