about
Toon menu
Interview

Minder gedoe, meer inhoud - Yasmine Kerbache en Tom Meeuws antwoorden Jeroen Olyslaegers

In een poging om het politieke debat op een hoger niveau te tillen, stelt schrijver Jeroen Olyslaegers voortaan via facebook gewoon zelf zijn vragen aan politici. Na een hele rits vragen gestuurd te hebben aan Peter Mertens, is het nu de beurt aan Tom Meeuws en Yasmine Kerbache. Ook zij dienden Olyslaegers van antwoord. Hoe dat antwoord klinkt, lees je hieronder.
dinsdag 24 januari 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Hoe zit het nu eigenlijk? Vormt u een kartel met Groen of niet en zo ja waarom en onder welke voorwaarden. Alle begrip voor strategische stilte, maar wanneer De Standaard dit kartel op haar voorpagina zet en er vervolgens door u koud en warm wordt geblazen, neemt de verwarring bij de burger alleen maar toe. Nu we daar toch over bezig zijn: waarom, Tom Meeuws, vergelijkt u uw partij met een big band? Wat heeft dat nu echt te betekenen?

Er zijn natuurlijk geen honderd verschillende manieren om een stad te besturen, maar er zijn er minstens twee verschillende. Je kan een stad besturen op een manier dat alleen de happy few aan de bak komen. Je negeert daarbij de strijd die veel inwoners voeren om te overleven, de inspanningen die inwoners leveren om vooruit te geraken of de hoop die inwoners koesteren om veilig en gezond te mogen samenleven met vele anderen.

Het is mijn diepe overtuiging dat het huidige stadsbestuur het niet goed voor heeft met een meerderheid van de inwoners en dat het de toekomst van onze stad niet goed plant. Ik mis een mobiliteitsbeleid waarbij we ons niet langer verplaatsen ten koste van een ander. Ik mis een veiligheidsbeleid dat niet enkel met de spierballen rolt en op repressie mikt. Ik mis vooral een doortastend sociaal beleid. Wat we nu ervaren is dat vooral de armen gestraft worden en dat de zwaksten in de kou blijven staan.

Wij kiezen voor een andere manier om de stad te besturen. Met een progressieve visie die doordesemd is van een geloof in de stad als emancipatiemachine, waar bestaanszekerheid garanderen en volksverheffing organiseren geen loze begrippen zijn. Je kan wel degelijk kiezen voor een stadsbeleid waarmee alle Antwerpenaars vooruit kunnen. Wij gaan volop voor een mobiliteitsbeleid dat stevig investeert in openbaar vervoer en in extra fiets- en voetgangersinfrastructuur. Wij kiezen voor een veiligheidsbeleid met aanspreekbare buurtpolitie op straat en vriendelijk onthaal op kantoor. We opteren voor goede afspraken met het parket om ons echt te beschermen tegen criminaliteit en overlast. Wij kiezen voor een sociaal beleid waarin, na het afsluiten van een pact met het middenveld (de markt van welzijn en geluk), de beschikbare middelen nuttig worden besteed en geen geld moet wegvloeien naar commercieel winstbejag voor aandeelhouders die niet geïnteresseerd zijn in de sociale noden van de Antwerpenaars.

Dit bij wijze van lange inleiding. Graag antwoord ik nu concreet. Met bovenstaande uitgangspunten maken duidelijk dat wij later in het jaar met Groen willen praten over een vorm van samenwerking. Natuurlijk zullen we dat doen. Maar hoe innig die samenwerking zal zijn, zal moeten blijken uit de mate van overeenstemming die we vinden in onze programmapunten.

Hoe die samenwerking er zal uitzien? Dat zal moeten blijken uit de gesprekken die we gaan voeren en die we terugkoppelen naar al onze mandatarissen én leden. Wij zijn een open partij, maar ook een partij met duidelijke democratische spelregels. Bij ons beslist het congres over dit soort zaken. En dat gaan we rustig voorbereiden. Wat er in de pers ook over gespeculeerd werd, in werkelijkheid is er vandaag nog niets beslist.

Wat die big band betreft: ik geef grif toe dat het verkeerd was om te praten over datgene wat ik zelf zo vervelend vind in de politiek: de poppetjes. Om aan te geven dat we nog steeds de grootste oppositiepartij zijn, heb ik het voorbeeld van de big band gebruikt en willen suggereren dat we dicht bij elkaar liggen omdat we allebei jazz spelen. Het was uiteraard niet de bedoeling om daar de collega’s van Groen mee te kleineren. Laat het ons er bij houden dat dat van mijnentwege niet de beste vergelijking was.

Kunnen we het over uw verhouding met de PVDA hebben? Ook daar zijn er heel verschillende geluiden te horen. Mathematisch gezien en gebaseerd op de peilingen hebt u hen toch nodig? Wat vond u van de antwoorden van Peter Mertens op de vragen die ik hem heb gesteld? Zag u een inhoudelijk verwantschap?

Ik heb er intussen herhaaldelijk voor gepleit om fatsoenlijk met elkaar om te gaan in de politiek en niet mee te gaan in de demonisering die rechts momenteel opvoert. Ik zal dat blijven doen. Ik kwam voor nieuwjaar PVDA een aantal keren tegen tijdens acties tegen de commercialisering van de zorg. In datzelfde dossier hebben we, samen met Groen overigens, met veel ijver gestreden voor hetzelfde doel. Die slag tegen een asociaal bestuur dat zorg wil commercialiseren, hebben we voorlopig thuisgehaald.

Wij voelen dus een verwantschap met iedereen die vindt dat alle mensen in onze stad vooruit moeten gaan, niet alleen de happy few. Maar er zijn ook verschillen tussen ons en PVDA. Wij hebben zowel de staat als de markt al heel vaak ten goede hervormd in het algemeen belang. We hebben daarin heel veel verantwoordelijkheid genomen, maar - omdat we steeds in coalities werken - ook soms water in de wijn moeten doen.


In onze meer dan 100-jarige geschiedenis loopt er sinds lang een breuklijn tussen degenen die via overleg sociale verbetering proberen te bereiken en zij die daar niet in geloven. Er zijn al veel harde woorden gevallen en zelfs menselijk leed berokkend in die eeuwige discussie tussen revolutionairen en reformisten. Het is dus aan de politieke leiders vandaag om verstandig en volwassen om te gaan met die verschillen in visie op de sociale strijd. Sociaaldemocraten zijn er van overtuigd dat, mits een stevige sociale en ecologische regulering, de markt en de staat elkaar kunnen versterken. De balans tussen markt en staat moet voor ons bovendien in evenwicht gehouden worden door een sterk middenveld en geëngageerde burgers. Maar dat is voor straks.

Wie met wie in zee zal gaan zal na de verkiezingen zullen we zien van zodra het duidelijk wordt hoe de kaarten zijn gevallen. De verkiezingen liggen nog twee jaar van ons af. In tussentijd herhaal ik mijn oproep om met alle mensen die geloven in de stad als emancipatiemachine - liefst met vele verenigingen en bewonersgroepen -alternatieven voor het huidige beleid uit de dragen. Die alternatieven moeten leiden tot meer ruimte voor bewoners, meer kansen op spel, sport en cultuur, meer bestaanszekerheid en meer samenhorigheid in een stad die door dit bestuur meer en meer verdeeld geraakt.


 

Hoe zit het met mobiliteit in de stad en de rol van het openbaar vervoer? Het stuk van Knack-journalist Stijn Tormans over de Lijn was genadeloos. Kunnen we daar op stedelijk vlak niet meteen iets aan doen? Dit bestuur bant dieselwagens uit de stad. bent u het daar mee eens? Gaat die maatregel ver genoeg? Mensen met een oude wagen met dieselmotor zouden wel eens mensen met een laag inkomen kunnen zijn; is er een spanningsveld tussen ecologie, armoede en mobiliteit? 

Het is voor iedereen duidelijk dat dit stadsbestuur verkeerde keuzes maakt. Of beter gezegd: geen keuzes maakt. Het en-en beleid faalt: Je kan moeilijk zowel vinden dat iedereen met z’n auto tot op de Grote Markt moet kunnen geraken en tegelijk een LEZ invoeren.

Ook de “verleidingsstrategie” werkt niet: dit stadsbestuur ging de mensen verleiden om het Openbaar Vervoer te gebruiken zonder echte ingrepen te doen. Het gevolg is dat het afgelopen jaar opnieuw meer Antwerpenaars de auto namen voor woon-werkverkeer en minder de fiets en de tram. Elke modern bestuurde stad die begaan is met de gezondheid van haar inwoners, van Parijs tot Kopenhagen, zet vandaag in op Openbaar Vervoer en voetgangers en fietsers. Waar blijven de trams naar Brasschaat, Edegem, Wilrijk en Schilde? Ze worden tegengehouden door de lokale N-VA bestuurders.

Yasmine Kherbache werkt op dit dossier al jaren hard in het parlement en pleit voor maatregelen die de files nu al kunnen verminderen: het beter benutten van de Liefkenshoek, spitsmijden, lagere snelheid op de Ring en forse investeringen in Openbaar Vervoer en veilige fietspaden.

Over de Lage Emissie Zone: die zou onderdeel moeten zijn van een ambitieuzer mobiliteitsplan. De LEZ is intussen al een beetje een zwaktebod geworden. Wij willen naar een zero emissie zone/beleid – te beginnen met zero emissie bussen. Ik werk soms in Nederland. De steden daar leggen zich allemaal zero-emissie doelen op.

Er kan inderdaad soms een spanningsveld zijn tussen milieu- en sociale doelstellingen. Die doelen mag je niet door elkaar halen. Op langere termijn is een milieubeleid bijna altijd ook een sociaal beleid, omdat de kost van milieuverwaarlozing altijd op de kap van de zwakkeren terecht komt. Als er op kortere termijn spanningen ontstaan tussen de twee doelstellingen, dan moeten er sociale correcties genomen worden. Ik ben mijn carrière ooit begonnen bij Arbeid & Milieu, een vzw die de kunstmatige tegenstelling tussen vakbeweging en milieubeweging probeert te overstijgen. Ik geloof nog steeds dat we op die weg voort moeten.

 
 
U, Tom Meeuws, liet optekenen dat u de man bent van de GAS-boetes. In linkse middens wordt dat systeem serieus gecontesteerd. Maar ook enkele juristen achten het volstrekt onwettelijk. Hoe reageert u op die kritiek? Bent u een aanhanger van het zogenaamde ‘flinks’ beleid op stedelijk niveau? Bent u het daarmee eens dat de vorige burgemeester Patrick Janssens dat flinks beleid mee heeft geïnstalleerd? Mevrouw Kherbache, denkt u daar ook zo over? Is er ruimte voor discussie op dat vlak binnen de partij? 
Het is niet omdat ik pleit voor een sociaal rechtvaardig veiligheidsbeleid, dat we flinks zijn. Dat woord is een uitvinding van de media.

Wij zijn voorstander van een sociaal rechtvaardig veiligheidsbeleid. Een veilige en propere stad is geen privilege voor rechtse kiezers. Als er problemen zijn in de stad moet je die aanpakken. Herinner je de tijd dat mensen klaagden dat zogenaamde ‘kleine vergrijpen’ niet aangepakt werden door het gerecht. Precies om die reden zijn de gemeentelijke administratieve sancties ontstaan. Het was een antwoord op een terechte vraag vanuit de bevolking.

Het is uiteraard de kunst om op een correcte manier te corrigeren. Daarbij kijk je naar gedrag, niet naar uiterlijk, taalgebruik of afkomst. Iedereen verdient bovendien een tweede of zelfs derde kans. Net zoals in het onderwijs, zou in veiligheidsbeleid de achtergrond van mensen geen rol mogen spelen. Iedereen moet kunnen bogen op dezelfde rechten en vrijheden. Niemand heeft daarbij het recht om als subgroep de wetten te stellen in onze stad. De kracht van een lokaal veiligheidsbeleid ligt erin dat je lokale gedragsregels samen kan afspreken en vastleggen in lokale politiereglementen. Als we het erover eens zijn dat sluikstorten, vandalisme, lawaai maken of straatdealen niet wenselijk zijn, dan moeten we ook toelaten dat politie daar tegen optreedt.

De Gemeentelijke administratieve sancties zijn erkend als een rechtsgeldig instrument om lokale besturen - in overleg met politie en justitie - typische stadsproblemen te helpen oplossen. Onder het vorige bestuur werd een evenwichtig veiligheidsbeleid uitgewerkt en we zijn er nog steeds van overtuigd dat die aanpak de juiste was. Zoals steeds is ook deze aanpak niet perfect.

Er is discussie geweest over boetes voor minderjarigen. Maar we kunnen je verzekeren dat het systeem zo was opgebouwd dat we altijd gingen voor bemiddeling en begeleiding van minderjarigen. Bij het vatten van meerderjarigen (bvb rond drugs of alcoholinbreuken) hebben we fors geïnvesteerd in begeleidende preventieprojecten in de verslavingszorg. Bovendien hebben wij er altijd voor gezorgd dat mensen die gesanctioneerd werden maximaal hun verweermogelijkheden konden gebruiken en in hoger beroep konden gaan. We hebben ook steeds benadrukt dat administratieve sancties geen vrijgeleide mogen zijn om om het even wat te gaan sanctioneren of grondrechten te beperken. Het opleggen van boetes mag ook niet willekeurig gebeuren. Daarom is een grondige opvolging en evaluatie van het beleid terzake van cruciaal belang. Onze partij is er van overtuigd dat het veiligheidsthema te belangrijk is om aan rechts over te laten. In die zin is er altijd debat over mogelijk. We gaan in het voorjaar met onze ideeën rond een progressief veiligheidsbeleid de boer op in heel Vlaanderen.

Er wordt vaak verwezen naar het kartel in Borgerhout tussen uw partij, PVDA en Groen, maar hoe loopt dat daar eigenlijk? Is er wel een beleid met dat gebrek aan autonomie? Zou u in het kader daarvan niet meer autonomie willen in de districten? Moet democratie op dat vlak niet worden gedecentraliseerd? 
Er is geen kartel in Borgerhout, maar een coalitie. Dat is een heel groot verschil. Die coalitie doet het bovendien goed. Wij willen in de eerste plaats voldoende districtsmiddelen voor de huidige districtsbevoegdheden. Er zou meer aandacht gaan naar districten, had N-VA beloofd. Tot dusver is daar niet veel rond gebeurd. De stad zou meer investeren in de districten. Ze moeten het in werkelijkheid doen met minder middelen. In verkeersbeleid, het verkeersluw maken van straten of het herinrichten van straten ten voordele van zacht verkeer, worden districten constant teruggefloten en stiefmoederlijk behandeld. Zeer betreurenswaardig, want het is ook op lokaal niveau dat het vertrouwen in de politiek kan worden versterkt. 

Hoe staat u tegenover burgerdemocratie en de experimenten rond bijvoorbeeld flatpack democracy? Ziet u dat in de stad gebeuren en op welke manier? U lonkt duidelijk naar de burgerbewegingen, maar hoe ziet u die relatie tussen uw partij en hen? Hoe staat u tegenover de sharing-economie? Zijn de commons een goede zaak als ze niet door de overheid maar door burgers worden beheerd? Hoe zou u burgerparticipatie uitwerken op stedelijk niveau?...

Eerst en vooral: politici zijn ook burgers. Er lijkt de laatste tijd wel een soort muur te zijn gebouwd tussen de burgers en de politiek. Ik ontken niet dat er op bepaalde niveaus een kloof is ontstaan tussen “de burger” en “de politiek”, maar ik durf toch stellen dat in de stad Antwerpen onze (ik spreek voor mijn partij) politici mensen zijn die net zoals u en ik hun leven hier uitbouwen en wellicht dezelfde ergernissen maar ook mooie ervaringen in onze stad beleven: onze kinderen gaan hier naar school, onze ouders moeten verzorgd worden, we fietsen, nemen de tram, gaan naar de supermarkt, op café, vloeken op de files en op sluikstort. Om maar te zeggen: op lokaal niveau leven politici niet in een politici-bubbel. Onze raadsleden zijn arbeiders en bedienden: onderwijzers, welzijnswerkers, sportcoaches, ondernemers, gepensioneerden enzovoort.

Verder geloof ik absoluut dat het middenveld en geëngageerde burgers de politiek kunnen verrijken. Voor ons gaat inspraak verder dan de geëngageerde hoogopgeleide. Wij willen ook mensen vertegenwoordigd zien die zelf niet in actie schieten of mondig zijn. Dat gebeurt niet alleen tijdens verkiezingen, maar ook op andere momenten.

Voor onze partij is het duidelijk: wij verwachten niet alle heil van de staat, zoals sommigen. Wij verwachten niet alle heil van het middenveld, zoals sommigen. En wij verwachten niet alle heil van de markt, zoals sommigen. Wij streven een evenwicht na tussen burgers, staat en markt.

Een voorbeeld: ik heb het dossier van het zwembad Veldstraat in mijn wijk opgevolgd. Dat zwembad werd geprivatiseerd omdat de kosten voor de renovatie van een beschermd monument torenhoog waren. We hebben er echter over gewaakt dat het tarief hetzelfde is als in de andere stedelijke zwembaden. Dat is iets helemaal anders dan wat het bestuur nu doet met het zwembad Arena. Dat wordt vervangen door een privaat waterpretpark waar de Antwerpenaar mag zwemmen “aan gereduceerd tarief”, zonder garanties over welk tarief dat dan is. We mogen middel en doel niet door elkaar halen: het doel is dat voorzieningen voor burgers werken, dat werknemers fair verloond worden en dat de klanten er betaalbaar kunnen zwemmen. Het doel is niet dat de overheid het per se zelf organiseert, ook niet dat enkel de private partner er beter van wordt. Dat is een evenwichtsoefening die je voor elk dossier in alle transparantie moet voeren.

Natuurlijk kunnen burgers zich best krachtig verenigen en onder elkaar veel voor elkaar krijgen, mits de stad bijvoorbeeld hier en daar faciliteert. We moeten niet in de val trappen om burgers te overvragen of taken lichtzinnig af te schuiven naar de burger, zoals het geval is met de ‘participatiemaatschappij’ in Nederland. “Do it yourself” mag dan wel klinken als een participatieve slogan, in werkelijkheid kan het ook snel verglijden naar een trek-uw-plan-samenleving.

Ik wil één ding heel duidelijk maken: in mijn oproep om burgerkrachten aan te spreken heb ik nooit willen verwijzen naar lijst- of kartelvorming. Na een aantal jaren rechts bestuur wordt het duidelijk dat het adagium steeds meer is: ieder voor zich.

We merken dat ook burgergroeperingen dat zien, maar laat ons veel creatiever zijn in de krachtenbundeling zonder burgerbewegingen politiek te recupereren. Dat zouden ze trouwens zelf niet willen, en ze zouden nog gelijk hebben ook. Waar ik wel op doelde, is dat het, los van verkiezingen, belangrijk is dat we elkaar vinden in de strijd tegen maatregelen die slecht zijn voor de bevolking. Burger- en bewonersgroepen kunnen daar erg inspirerend zijn. Politieke partijen kunnen die signalen ook meer gemeenschappelijk oppikken. Laat ons al eens beginnen met daar samen te werken.

Wat mijn gedacht is over de sharing-economie? Ik ben voor. Ik ben sinds twee jaar een zeer enthousiast autodeler (voornamelijk Cambio, maar ook Bolides als ik eens te laat een rit plan). Het succes van Velo blijft me positief verbazen. Hoezeer we soms in Antwerpen onze verschillen in de verf zetten, we rijden allemaal, zonder schrik van elkaar te hebben, op hetzelfde zadel en we houden hetzelfde stuur vast. Ik gebruik zelfs de app “peerby” om een boormachine te vinden of moersleutels uit te lenen. Dat leverde al fijne ontmoetingen op met onbekenden.

We moeten wel opletten dat sommige zogenaamde “sharing” bedrijven niet anderen de das omdoen of het sociaal weefsel in een stad onderuithalen. Ik denk bv aan Airbnb, waardoor in sommige steden de huurmarkt ontwricht geraakt omdat mensen hun huis liever per nacht aan toeristen verhuren dan op jaarbasis aan een gewone burger. Ook voor deeleconomie zal er een kader moeten worden ontwikkeld, niet om deze innovaties tegen te houden, wel om faire vergoeding, correcte dienstverlening én consumentenbescherming te garanderen.

Hoe staat u tegenover de haven? Zit er daar ook geen spanningsveld tussen milieubekommernissen en werkgelegenheid? Hoe wilt u binnen een stedelijk kader ecologie laten rijmen op economie? Of staat het groene aspect van uw programma dan toch op de tweede plaats? 

Nogmaals, vanuit mijn verleden bij Arbeid & Milieu, weet ik dat het de kunst is om werk en milieu met elkaar te verzoenen. De havengemeenschap slaagt daar beter in dan vroeger. De lopende alternatievenstudie naar het Saeftinghedok biedt mogelijkheden om zelfs bij groeiende containertrafiek voldoende maatregelen te nemen om de leefbaarheid te garanderen. Wij hebben recent gepleit om alvast veel meer dan nu te investeren in vervoer over water en spoor. Of om in de zoektocht naar gronden, spaarzaam met ruimte om te springen en de Noordzeeterminal en de Europaterminal zo in te richten dat binnenschepen er in veel grotere getale kunnen aanmeren.

Ik had onlangs het genoegen een hele dag op stap te gaan met dokwerkers. Mijn respect voor de kuipers, lossers en laders, markeerders … is er zeer door gegroeid. Helden zijn het. De haven is een bron van welvaart en dat moeten we vooral zo houden. Natuurlijk moeten we in iedere investeringsbeslissing die we nemen, voortaan goed nadenken over de toegevoegde waarde van iedere uitgegeven euro. Sowieso evolueren we naar een nieuw type economie, een circulaire economie die duurzamer moet zijn én ten dienste moet staan van de mensen.

Het is van het allergrootste belang dat we in Antwerpen die boot niet missen. Daarom zijn wij voor de inplanting van een hoogwaardige verbrandingsoven in de haven, in plaats van in een woonwijk in Wilrijk. Zo’n oven kan stoom leveren aan de petrochemie en de aanvoer van afval kan via het water gebeuren. Dat is de economie van de 21ste eeuw. In vergelijking met Duitsland of Nederland, hebben wij door talmend milieubeleid in Vlaanderen al vaak de boot gemist om een milieu-industrie te ontwikkelen die banen creëert en die de transitie maakt naar een duurzaam model.

Ik geloof dat je de tegenstelling tussen ecologie en economie niet moet opkloppen. Ecologie en economie zijn niet per definitie elkaars tegenpolen, de groene en duurzame economie schept ook banen. In sommige sectoren overtreft de jobcreatie nu al die van de traditionele fossiele economie. Ons programma bevat ook al jaren een stevig milieuhoofdstuk. Tot slot. Het kernbegrip van het socialisme is solidariteit. Welnu, duurzaamheid is solidariteit die zich uitstrekt in de tijd. Het gaat over de solidariteit met onze kinderen. Voor een moderne sociaaldemocratie is duurzaamheid dus essentieel.

 

Wat zijn uw plannen voor het zogenaamde 'extra district', het dak op de ring, indien Ringland doorgaat? Blijft het daar groen? Wilt u daar sociale woningen bouwen? Wat?

Als Ringland er komt, moeten we die nieuwe ruimte gebruiken om te bouwen “for the many, not the few”. Dat is bouwen voor de behoeften van alle mensen in de stad. Dus geen onbetaalbare gated communities of een nieuw rondje woontorens die alleen een belegginsbehoefte dekken, maar kwaliteitsvolle (en mooie) sociale woningen en betaalbare koopwoningen.

Alles begint met een fatsoenlijk dak boven je hoofd, en de nood aan betaalbare woningen in onze stad is groot. Met bouwen heb ik het overigens niet enkel over stenen op elkaar leggen, maar ook bouwen aan de open, groene ruimte waar de Antwerpenaars zo naar snakken. Daarnaast lijkt het mij een goed idee om er een zero emissie-stelplaats te creëren, ter vervanging van die op Zurenborg. De stad van de toekomst zal ook opnieuw moeten investeren in kleinschalige, lokale maakindustrie. Ambachten en de nieuwe herstelindustrie hebben opnieuw een toekomst en verkleinen mee de voetafdruk van steden. Ook voor hen moet er plaats zijn in het nieuwe district.