about
Toon menu

Preken voor eigen kerk

2017 heeft ook veel waardevols in petto. Zoals de tentoonstelling van Sven ’t Jolle die vanaf januari in Wiels loopt. De tragikomische sculpturen van ’t Jolle getuigen van een ontwapenende eerlijkheid die de onmacht van kunst, om politiek een verschil te maken, prijsgeeft. ‘Maak je niet dik, het is maar kunst’ – als uitgangspunt. Om daarna rustig door te werken aan emanciperende praktijken. Preek je voor eigen kerk omdat je met de symbolische drive eigen aan kunst vooral kunstliefhebbers bereikt? Laat dat nu net de kracht ervan zijn.
vrijdag 23 december 2016

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

'Mens erger je niet', @Sven 't Jolle

Hoe kan je als kunstenaar in onze spektakelmaatschappij nog beelden maken? De sensationele nieuwsstroom van wat Sven ’t Jolle al eens de ‘meanstream media’ noemde, overtreft voortdurend ieders voorstellingsvermogen. Een aangespoelde kleuter. Theatrale onthoofdingscènes door IS die prompt viraal gaan. Drone-aanvallen in night vision view, gefilmd met hittegevoelige camera’s. De amusementsindustrie doet het allemaal nog eens over, in 3D en slow motion. Na elke terreuraanslag een sequel met de nieuwste special effects en bijbehorende game, zo lijkt het wel.

We leven in een verbeeldingscultuur die dicht op het populaire nieuws wil zitten. De actualiteit met haar sensatiebeelden beheerst onze perceptie en op dat punt lijkt sommige kunst haar autonomie op te geven: veel beeldenmakers willen deel uitmaken van dit mediagenieke succes en recycleren daarom wat ze in de kranten of op televisie zien. Provocerender: hoeveel kunstenaars wijden hun talent niet aan het naschilderen en heropvoeren van die beeldcultuur? Reproduceren, er een touch aan geven en signeren.

Het spel met dubbelzinnigheden wil deze geësthetiseerde beeldengalerijen immuun voor kritiek maken, want de makers nemen naar eigen zeggen geen positie in. De kijker is vrij om ervan te denken wat die wil, dat zou tegenwoordig ook deel uitmaken van de autonomie van de kunst.

Ongelovige Thomas

Er is iets fascinerend aan de beeldentuin van Sven ’t Jolle en dat ligt aan het feit dat hij als kunstenaar vanuit een andere drive vertrekt. Natuurlijk, zijn beelden zijn ook een repliek op de realiteit. Een schets van een treintje dat in de bomen hangt bijvoorbeeld.

In plaats van het iconische beeld van een koe hangende in een Australische boom na een overstroming, hangt hier Thomas the tank engine uit de bekende kinderboeken. Een slachtoffer van ‘freakweather’ zoals ze het down under noemen en steeds meer moeten ondergaan. Oorzaak en gevolg in één beeld: stoomtrein – steenkool – industrialisering – klimaatverandering – het escapisme van onze consumptiecultuur – catastrofe. Wat een dolle rit!

@Sven 't Jolle, uit Posture Editions

Of die typische wip op een veer uit een kinderpark, maar dan als een schaapje naast the not so good Shepherd. De beelden zijn even sterk en veelzeggend als ze eenvoudig zijn. Nieuwe beelden weliswaar. Terwijl veel kunstenaars de actualiteit volgen omdat ze die willen betrekken in hun werk merk je dat t’ Jolle er iets tegenover wil zetten.

Sven 't Jolle, 'The Good Sheperd', 2015, @We Document Art.

Het engagement in zijn werk is duidelijk: bij menige schets kan je je zo een kunstenaar voorstellen die verontwaardigd net de krant dichtslaat of een nieuwsbericht op internet wegklikt. Die in plaats van een vlammend opiniestuk te schrijven over de misdadige omgang met vluchtelingen in the land of the free, begint te schetsen.

Observatie, verwerking en analyse al tekenend. Figuren, symbolen en sociale praktijken duiken opnieuw op in een eigen animatie. Hij probeert wat veel beeldende kunst vandaag nog moeilijk lukt: een beeldtaal ontwikkelen die een andere waarheid in beeld brengt. Een taal die de dominante beelden uit de media niet reproduceert maar koppig beantwoordt, verknipt, herinterpreteert, ontrafelt, ze als metaforen in een nieuwe context plaatst. Met als resultaat een eigen gelaagde iconografie die ontmaskert en tegenspreekt. Tegenspraak bloot legt.

Een tweede verschil is dat de dubbelzinnigheid, eigen aan het interpretatiespel dat kunst tot kunst maakt, anders aan bod komt bij ’t Jolle. De dubbelzinnigheid zit in het werk, niet in de boodschap. Het zijn geen tekeningen die warm en koud blazen, de betekenis in het midden willen laten, die zich vooral niet willen uitspreken uit vrees van wat autonomie heet, te verliezen.

Deze kunstenaar schrikt er bij veel beelden niet voor terug duidelijk positie te kiezen. Toch blijft het tekenen niet steken in de aanklacht. Van de ene observatie komt een andere, laag na laag. Via plezierige invallen, schijnbare pietluttigheden en treffende associaties kom je in een eigen beeldwereld terecht, of beter: een beeldverhaal inclusief personages, situaties en decor.

Maatschappijkritiek is hier geen fait divers. Sven ’t Jolle windt er geen doekjes om: het is gewoon schandalig dat ons economisch systeem waanzinnige ongelijkheid produceert. Het is simpelweg onaanvaardbaar dat miljonairs nog meer winst kunnen maken zonder belastingen te betalen en dat de doorsneepers deze gewetenloze zelfzucht ondertussen gefascineerd bejubelt, als ware het voorbeelden van creatief ondernemerschap.

Maar hoewel dergelijke kritiek voor cartoonisten vandaag zoveel gemakkelijker ligt, blijft ’t Jolle wel een beeldend kunstenaar. Zijn schetsboeken openbaren een zoektocht om de verleiding van het snelle, puntige commentaar van de cartoon te overstijgen. In zijn ontwerpen blijft hij ook een typische moderne kunstenaar die binnen het kader van zijn blad een autonoom beeld wil scheppen.

Het werk van ’t Jolle herken je niet aan uiterlijke, opzichtige kenmerken maar aan de dynamiek van waaruit ze ontstaan. Dat lijkt een complexe balanceeroefening: niet afglijden naar het herkenbare vluchtschrift van de karikatuur en evenmin een remake met enkele betekenisvolle restanten uit de registers van de media, waarmee je als maker doorheen de abstractie alsnog wat inhoud wil suggereren. Kortom, ’t Jolle houdt vast aan een uitdaging: hoe kom je als beeldend kunstenaar tot een eigen visuele antropologie?

@Sven 't Jolle, uit Posture Editions

Bij het bekijken van dit veelzijdig werk kom je als kunstcriticus ook voor een balanceeroefening te staan. De suggestieve beelden verleiden om bij elk beeld het filosoferen de vrije loop te laten. Tevens is er de uitnodiging om het werk op een sokkel van gevleugelde verwijzingen te zetten.

Nochtans laat ook ’t Jolle de betekenisconstructie in zijn werk niet zomaar de vrije loop en zet hij niets op een sokkel. In beide gevallen kom je er bovendien niet meer toe om het over de creatieve arbeid van de kunstenaar zelf te hebben en net daarin zit een originele houding die het begeesterende en ook het hoopvolle van dit werk verwekt. Laat ik daar wat op doorgaan: op het onfatsoenlijke peilen naar de vermoede drijfveren van deze beeldenstorm.

Protestpotlood

Je kan als maker maar een modernist zijn als je dat als mens ook bent: iemand die een cesuur met het heden wil maken, hopend op een betere toekomst. Afbreken, maar dan wel om beter te kunnen opbouwen. Met ontwerpen die er voor iedereen zijn. Kunst maken vanuit een progressieve gedrevenheid, zonder belerend te doen. Niet gericht op de productie van exclusiviteit en het onderstrepen van je eigen genialiteit. Los van die vermoeiende cultus van narcistische vertwijfeling.

@Sven 't Jolle, schetsboek

Vanuit zo’n moderne ingesteldheid kom je niet tot ‘postmodern’ werk dat het moet hebben van de relatie met de kijker die het maar zelf moet invullen. Met de tekeningen die ’t Jolle maakt, protesteert hij juist langs deze of gene kant tegen het relativerende en ontwijkende postmoderne dwalen. Zowel in de kunst als in ons maatschappelijke leven in het algemeen.

Wat dat betekent? Intellectuelen, politici en kunstenaars hebben jarenlang betoogd dat we aan het einde van de ‘grote verhalen’ waren gekomen. De ideologische veren waren afgeschud, zo leek het. Ons restten het cynisme en de ironie als overlevingsstrategie: als toeschouwer aan de zijlijn van de samenleving blijven staan, om luchtig naar je eigen leven te kijken alsof het iets grappigs is. Een kijkstuk. Keep it cool, zoals in Pulp Fiction (1994) van Tarantino: verlost van aansprakelijkheid, gewapend met een smalend glimlachje en een scheefgetrokken wenkbrauw. Yo bitch, say what?

De aanklacht is gekend: het kritische denken waarmee het postmodernisme begon, schoot door in een algemene attitude van scepticisme en besluiteloosheid waardoor een kritische houding ten aanzien van de eigendomsverhoudingen die onze maatschappij in een wurggreep houden onmogelijk wordt. Wat de moeilijke weg van zelfstandige en kritische analyse zou moeten zijn, om via deconstructie tot constructie te komen, sloeg om in een al te behaaglijke pose van terughoudendheid. Ook in de kunsten nam die pose de overhand.

Theorie en waarheid werden bij voorbaat verdacht. Het werd afgedaan als ‘pamfletair’, ‘prekerig’ of ‘sloganesk’, in de plaats kwam de focus op het vormenspel. We beleefden de deconstructie van alles wat enigszins autoriteit had als ideeënleer. Het zou sowieso corrumperen. Kritisch zijn betekent dan uiteindelijk dat we ons op de vlakte houden en openstaan voor een diversiteit van meningen. Om niet te zeggen: een meningenmarkt.

Want, alsof het om een kwestie van rechtvaardigheid zou gaan, zou elke visie, ongeacht het waarheidsgehalte ervan, in de eerste plaats toch maar gewoon een mening zijn. Die tolerantiemoraal gebiedt ons dat we meningen uitwisselen eerder dan ze te hebben. Een visie ten gronde verdedigen, lijkt immers algauw op bekeringsijver. Zo’n ijver is niet netjes, want iets voor eng­geestige fanatiekelingen. Uncool en vooral: so last century.

We voeren wel verhitte discussies over het belang van de vrijheid van meningsuiting, we zijn allemaal Charlie, het liefst over de culturele, religieuze, geslachtelijke en etnische grenzen heen. Maar wat hebben we aan die vrijheid als we blijkbaar niet echt iets nieuws te vertellen hebben? Wat rest is anti-autoritarisme: je overtuiging is vrij zolang je er maar niemand mee lastigvalt. En we jou als kunstenaar maar niet serieus moeten nemen.

De postmoderne impasse komt uiteindelijk hierop neer: ten aanzien van zowat alles een sceptische houding aannemen en blijven hangen in het luchtledige van die vrijblijvendheid. Van daaruit iedereen als gelijke aanhoren. Want iedereen heeft recht op een mening. En de meningen zijn vrij in het kabaal van de vrije meningsuiting. ‘Openheid’ wordt zo gelaten oppervlakkigheid en oppervlakkige gelatenheid. Een perverse vorm van geslotenheid eigenlijk.

Want dat dogmatische scepticisme impliceert dat we ons onttrekken aan keuzes, aan betrokkenheid en engagement. Hoffelijke onverschilligheid is dan de eindhalte. Maar wat kan kunst hier nog betekenen? Wat betekent vrijheid dan nog? De sociaaleconomische belangen en tegenstellingen verdwijnen zo van het toneel.

Zo werkt de postmoderne ideologie censuur in de hand: niet door iets te verbieden, maar door alles te reduceren tot een drukke bazaar van meningen. Het geweld zit vervolgens in de neiging onszelf hardnekkig wijs te maken dat we in de beste van de mogelijke werelden leven. Dat wordt ons ook voortdurend verteld met een intensiteit die de angst verraadt voor als dat niet zou kloppen.

En het gaat natuurlijk om een grote leugen. Wat rest: ieder voor zich en de markt voor allen. Zo heerst de Geldgod, soeverein als een seculiere heiligheid, die geen scheiding tussen kapitaal en staat duldt. Daar is niet alleen de kunst slachtoffer van, maar wij allemaal.

Kunst als concrete belichaming

De lijntekeningen en tragikomische sculpturen van ’t Jolle tonen iets dat in veel ander werk achterwege blijft: een ontwapenende eerlijkheid waarmee de kunstenaar de onmacht van kunst, om politiek een verschil te maken, prijsgeeft. ‘Maak je niet dik, het is maar kunst’ – als uitgangspunt, om vervolgens onverminderd door te werken aan emanciperende praktijken.

Dat deed mij terugdenken aan de worsteling die de toneelschrijver Harold Pinter zo strijdbaar wereldkundig maakte toen hij in 2005 de Nobelprijs voor literatuur kreeg. Hij nam die gelegenheid voor een waarachtige lezing over kunst, waarheid en politiek. Pinter koos voor een videoboodschap omdat zijn lichaam te ziek was om naar Stockholm te reizen. Het werd zijn testament.

Kunst is dikwijls een spiegel van dubbelzinnigheid tussen feit en fictie, zo begint Pinters redevoering. In kunst is er zelden één waarheid, er zijn er veel die elkaar uitdagen en negeren. Maar als burger wil je weten wat waar en wat vals is. Daarom moet je als schrijver de spiegel durven stukslaan om de onwetendheid te overwinnen. Dan staart de waarheid ons van de andere kant aan.

Pinter sloeg die spiegel vervolgens ook stuk en begon aan een felle aanklacht op de wandaden van de VS: het bloedige ‘staatsterrorisme’ waarmee het regime al decennia lang, via leugens en repressie, haar economische macht bewaakt. Samen met onze ‘bondgenoten’, de Saoedi’s. Dat geweld escaleerde met de war on terror, met wereldwijd meer aanslagen als voorlopig eindpunt.

Ondertussen sust de politiek mensen dieper in slaap inzake de dieperliggende ideologische oorzaken. ‘Maar hoeveel doden zijn er al gevallen in Irak? ‘We don’t do body counts’, zei de Amerikaanse generaal Tommy Franks. Kapotte lichamen en bloed zijn vuil, daarmee wil je niet in het nieuws komen. ‘Maar het is noodzakelijk om als burgers achter de waarheid aan te gaan’, eindigde Pinter. ‘Anders verdwijnt de hoop dat we ooit terugvinden wat verloren is: menselijke waardigheid.’

Tijdens zijn betoog greep de kersverse Nobelprijswinnaar naar poëzie, waarmee hij al doende benadrukte waarin voor hem de kracht van kunst zit. Hij droeg gedichten voor die ons terug betrekken bij de mens achter het oorlogsleed. Met aandacht voor de doden die volgens de officiële berichten niet bestaan. ‘Blood of children ran through the streets. Without fuss, like children’s blood.’, schreef Pablo Neruda.[1] ‘Come and see the blood in the streets.’ Met een eigen gedicht, Death, vraagt Pinter ons stil te staan bij elk dood lichaam:

Where was the dead body found?

Who found the dead body?

Was the dead body dead when found?

How was the dead body found?

Who was the dead body?

Was the body dead when abandoned?

Was the body abandoned?

How well did you know the dead body?

Did you wash the dead body

Did you close both its eyes

Did you bury the body

Did you kiss the dead body

 

Terreurdreiging ontmenselijkt, daar rekent elke angstlogica op. Zo groeit de afstand tussen ‘wij’ en ‘zij’. Maar een democratische en solidaire samenleving wint aan kracht via menselijk contact. Dankzij nabijheid en ontmoeting. Hier is een uitdaging voor kunst weggelegd. Het oeuvre van ’t Jolle is daar duidelijk door aangestoken.

Als bezoeker van zijn tentoonstelling in Voorkamer in Lier, botste ik van bij het binnenkomen op een beeld dat sindsdien bleef spoken: op een kleerhanger hing een vuile, gescheurde T-shirt. Een vluchteling? Ziedaar: de outfit van het lompenproletariaat. Het hing er discreet aan een muur van het oude huis. Je zou er zo voorbij wandelen. Wat lompen aan een haak, met drie gaten in. Het zou een gezicht kunnen zijn.

@Sven 't Jolle, uit Posture Editions

Maar de belichaming die ervan uitgaat, zorgt onverwacht voor een nabijheid waar weinig angstcampagnes tegenop kunnen. De zintuigelijke betekenisconstructie deed zijn werk: via dit onmenselijke tafereel groeit het verlangen naar meer menselijkheid. Als je een tijd naar het shirt kijkt, blijft het ook rond jouw lijf plakken. Van een ‘wij’ versus ‘zij’, blijft alleen nog een ‘wij’ over. Want hun ongeluk maakt ons geluk onmogelijk.

Hun vrijheid is onze vrijheid. Mijn vrijheid is uiteindelijk even voorwaardelijk als die van de vrije kunst. Onmachtig ook, voor wie er alleen voor staat. En dat eerlijk inzicht is een vertrekpunt voor verandering.

 

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van Buy Buy Art (EPO) en vakbondsverantwoordelijke voor ACOD Cultuur.

Deze tekst verscheen eerder in: ‘Sven 't Jolle. The Good Shepherd and other sculptures for the not so converted.’ Posture Editions N° 20.

De tentoonstelling in Wiels, The Age of Entitlement, or Affordable Tooth Extraction, loopt vanaf 13 januari 2017.


[1] in het gedicht Explico Algunas Cosas.