Essay - Eric Hulsens

De open samenleving en haar verdediger. Over ‘Salafisme versus democratie’ van Dirk Verhofstadt

Salafistische organisaties moeten worden verboden. Ze zijn schadelijk voor de democratie, en die heeft het recht en de plicht zichzelf te beschermen. Dat is de centrale boodschap van Dirk Verhofstadt in zijn boek Salafisme versus democratie.i Een pleidooi voor de verdediging van de ‘open samenleving’. Maar rammelt het niet een beetje?

dinsdag 22 november 2016 20:49

Eerst het goede nieuws. Te midden van de stortvloed aan islamofobe hysterie die dag aan dag over Europa golft, steekt Verhofstadts boek gunstig af als een zakelijk argumenterend betoog dat mogelijke tegenwerpingen probeert te weerleggen en dat een onderscheid maakt tussen de gematigde islam en het salafisme. Alleen dit laatste wordt geviseerd.

Dat is heel wat anders dan wat ik net nog las in het ‘livre choc’ van Philippe de Villiers: ‘Entre le Coran et la France, il faut choisir.’i Ofwel ben je moslim, ofwel ben je Fransman, het éne sluit het andere uit. Moslims, álle moslims, moeten hun islamitische identiteit reduceren tot ze gewone Fransen zijn, onherkenbaar als moslim. In de woorden van een geestesgenoot van de Villiers: ‘Er is absoluut niets islamitisch meer in hen. Ze zijn perfect geassimileerd.’ (Jean-Louis Harouelii)

Daar doet Verhofstadt niet aan mee: ‘Ik ben het niet eens met diegenen die menen dat de islam en de democratie per definitie onverenigbaar zouden zijn. Er zijn talloze moslims die de primauteit van de burgerlijke wetten en de democratische grondwaarden aanvaarden en verdedigen.’ (p. 113)

Geen Patriot Act

Bovendien wil Verhofstadt vasthouden aan de rechtsstaat, en wijst hij Amerikaanse wantoestanden zoals die ontstonden door de Patriot Act af: ‘Daar konden verdachten zonder concrete beschuldiging, voor onbepaalde tijd, zonder rechtsbijstand en zonder een vorm van proces worden vastgehouden. Daarbij kregen veiligheidsdiensten de toelating om allerlei onderzoeksdaden te stellen zonder toestemming van een rechter. Daarmee doorbreek je de scheiding der machten en dus de grondslag van onze democratie. (…) Het voorstel van Vlaamse partijen om een soort noodtoestand uit te roepen waarbij huiszoekingen kunnen plaatsvinden en mensen preventief gearresteerd kunnen worden, zonder toestemming van een onderzoeksrechter, is dan ook onaanvaardbaar. Een dergelijke maatregel zet de grondwet en de rechtsstaat buiten spel.’ (p. 109)

Maar nu de problemen. Het uitgangspunt van Verhofstadt is de visie van Karl Popper, uiteengezet in het magnum opus De open samenleving en haar vijanden (1946) en in enkele latere teksten, en die van John Stuart Mill (Over de vrijheid, 1859). Twee klassiekers van het liberale denken, van wie Verhofstadt de basisideeën beknopt en helder uiteenzet. Hij vult dat aan met ideeën van Bastiaan Rijpkema (Weerbare democratie, 2015), die voortbouwen op een toespraak van de Nederlandse sociaal-democraat George van den Bergh uit 1936 (heruitgegeven als: Wat te doen met anti-democratische partijen?, 2014).

Voor Popper wordt de democratische open samenleving gekenmerkt door tolerantie. Alles moet kunnen worden gezegd, zonder dat je daarvoor wordt lastig gevallen of gestraft. Maar dat standpunt leidt tot de bekende paradox van de tolerantie, die uiteindelijk haar eigen ondergang kan genereren. Popper schreef zijn boek dan ook tegen de achtergrond van het Duitse fascisme, dat via parlementaire weg aan de macht kwam en de democratie vervolgens buiten spel zette, en ook van het Russische communisme in zijn stalinistische versie, waarin een links revolutionair bestel geen ruimte liet voor democratie. In beide gevallen werden tegenstanders van het heersende denken en uitgestotenen monddood gemaakt, gestraft, opgesloten en geëxecuteerd.

Het gaat er dus om te voorkomen dat een verdraagzame samenleving aan haar eigen verdraagzaamheid ten onder gaat. ‘Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die zelf intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie.’ (Popper, geciteerd door Verhofstadt, p. 14.)

Dat klinkt misschien redelijk en overtuigend, maar het kan makkelijk ontaarden in de dictatuur van de meerderheid. Het volstaat immers te stellen dat iets of iemand ondemocratisch is, om aan repressie te gaan doen. En wie heeft de macht om te beslissen over wat ondemocratisch? De meerderheid of de sterkste partij. Hier krijg je een nieuwe paradox: om de vrijheid van meningsuiting of de democratie te redden, moeten we ze inperken of zelfs afschaffen, al was het maar tijdelijk via het uitroepen van de noodtoestand en bijzondere (ondemocratische) volmachten voor overheidsinstanties.

Schade toebrengen mag niet

In een volgende stap grijpt Verhofstadt terug naar de radicale vrijheidsgedachte van John Stuart Mill. Alles moet kunnen worden gezegd, met één beperking: het mag geen schade toebrengen aan anderen. Dat is de grens van de vrijheid van meningsuiting, en, zo voegt Verhofstadt eraan toe, van de vrijheid van geloof.

Hij licht Mills visie als volgt toe: ‘Maar wat is schade? Mill beschreef in zijn boek een woedende menigte die voor het pakhuis van een graanhandelaar stond. Die menigte aansporen om de graanhandelaar of zijn bezittingen aan te vallen, was volgens hem niet toelaatbaar. Het zou immers kunnen leiden tot een effectieve gewelddadige aanval van die menigte op de handelaar. Opruiing of bedreigingen vallen dus niet onder de vrijheid van meningsuiting. Wat volgens Mill wel kon, was het publiceren van beschuldigingen aan het adres van de graanhandelaar in de krant. Zo maakte Mill een onderscheid tussen het uiten van meningen die zorgen voor een direct fysiek gevaar voor anderen en het uiten van meningen die anderen niet fysiek bedreigen. Als de kans op fysieke schade aan anderen groot en onmiddellijk is, dan bestaat er een grond om de vrije meningsuiting in te perken. In diezelfde zin kan je de vrijheid van geloof beschouwen. Als bepaalde geloofsovertuigingen een manifest gevaar vormen voor het leven en welzijn van anderen, dan heb je een reden om die te verbieden.’ (p. 26)

Verbaal protest mag, maar iets zeggen wat het leven of het welzijn van anderen in gevaar brengt, mag niet. Dat principe is in de Belgische wetgeving ook al vastgelegd: racisme en hate speech zijn strafbaar.

(En terloops: het valt op dat Verhofstadt niet ingaat op het waarom van de woede van de menigte. Een speculerende handelaar die in een situatie van voedselschaarste levensnoodzakelijke goederen van de markt houdt om de prijs nog op te drijven en wacht om te verkopen tot de prijs heel hoog is, en ondertussen de mensen laat creperen – brengt die geen schade toe aan anderen? De liberale visie verdedigt hier het ongelimiteerde eigendomsrecht van de bezittende klasse en miskent het recht op basisvoorzieningen en op overleven van de sociale onderliggers. De wet is er om de machtsverhoudingen en hun misbruik veilig te stellen: verbaal protest mag, maar ingrijpen niet. (Het is een verhaal dat zich vandaag ook voordoet met levensnoodzakelijke medicijnen waarvan de prijs wordt opgedreven tot schade van wie de medicijnen niet kan betalen.))

Uiteenlopende liberale visies

De ideeën van Mill en die van Popper liggen een heel eind uit elkaar. Mill is voor maximale vrijheid en ziet alleen in direct fysiek gevaar voor burgers een grens die niet mag worden overschreden. Bij Popper moet je veel meer verbieden: alles wat tegen de democratie ingaat. Andere visies vermeldt Verhofstadt niet, zelfs niet die van een moderne liberale klassieker als John Rawls (A Theory of Justice, 1971), die gelooft in de stevigheid en de overtuigingskracht van een liberale, constitutionele democratie: ‘Vermits ze de inherente stabiliteit van een billijke grondwet kennen, hebben leden van een goed geordende samenleving zoveel vertrouwen dat ze de vrijheid van de intoleranten alleen inperken in de speciale gevallen waarin het nodig is de gelijke vrijheid voor iedereen te handhaven. De conclusie is dan dat terwijl een intolerante sekte zelf geen recht heeft zich te beklagen over intolerantie, haar vrijheid alleen maar moet worden ingeperkt als de toleranten oprecht en met reden geloven dat hun eigen veiligheid en die van de instellingen van de vrijheid in gevaar zijn. De toleranten horen de intoleranten alleen in dit geval aan banden te leggen.’iii

Het is verboden ‘onze waarden’ te bestrijden

Valt salafisme – de stroming binnen de islam die wil terugkeren naar het prille begin van die godsdienst, naar de religiositeit van de geestelijke voorvaderen – onder de categorie van de gevaarlijke zaken die de democratie bedreigen en dus moeten worden bestreden met wettelijke middelen? Verhofstadt erkent dat er verschillende strekkingen zijn binnen die stroming: de apolitieke, ook wel quiëtistisch genoemde, de politieke die een andere samenleving wil, maar niet pleit voor geweld, en de openlijk jihadistische die gewapende strijd propageert om een islamitische staat te creëren.

Verhofstadt citeert de Nederlandse inlichtingendienst AIVD: ‘Hoewel zeker niet alle salafisten een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, maakt de AIVD zich zorgen om de antidemocratische, polariserende en onverdraagzame boodschap die door een aantal van hen verspreid wordt. Ook kunnen elementen uit het salafistisch gedachtegoed een voedingsbodem vormen voor radicalisering naar jihadisme.’(p. 82-83) Daarom, concludeert Verhofstadt, ‘lijkt het me beter dat we pro-actief optreden tegen groepen die doelbewust haat en geweld prediken, en die ageren tegen onze democratische waarden.’(p. 83) Ook tegen de apolitieke en niet-gewelddadige strekking dus, want ook die is tegen ‘onze democratische waarden’.

Dat gaat toch wel te ver. De apolitieke islam juridisch aanpakken omdat de aanhangers zouden ‘kunnen’ radicaliseren, is niet verantwoord. Ook vanuit het katholicisme kan je radicaliseren en kiezen voor gewapende strijd. Daar hebben we voorbeelden van gehad, en het is nooit een reden geweest om het katholicisme, of althans zijn linkervleugel, te verbieden. (En dan blijf je nog zitten met de vraag welke gewapende strijd af te keuren valt, en welke goed te keuren, en waarom?)

Ook bij het politieke salafisme dat niet oproept tot geweld lijkt er mij geen reden te zijn om het te verbieden – het valt binnen het liberale concept van vrijheid, zo mooi verwoord door Mill: ‘Als de gehele mensheid met één uitzondering dezelfde mening had, terwijl die ene persoon een tegengestelde opvatting koesterde, dan zou de mensheid even weinig recht hebben om die ene persoon tot zwijgen te brengen dan hij zou hebben, als hij de macht had, om de mensheid het zwijgen op te leggen.’ (Mill, geciteerd door Verhofstadt, p. 25)

De derde stroming, die met geweld een islamitische wereld wil realiseren en daarbij oproept tot minachting van en strijd tegen ongelovigen, botst met de bestaande wetten tegen racisme hate speech en terrorisme en is daarmee te bestrijden. De vraag is, of dat niet volstaat, en of er werkelijk nog nieuwe wetten hiervoor nodig zijn?

Verhofstadt maakt in zijn betoog een belangrijk onderscheid: hij poneert de vrijheid van de ideeën (behalve die welke dreigen met of oproepen tot fysiek geweld), maar wil die van de antidemocratische organisaties beperken. Dat wil zeggen: je mag als individu wel denken en zelfs zeggen dat je de parlementaire democratie maar niks vindt en dat ze moet worden vervangen door iets beters, of dat homoseks fout is en leidt tot verdoemenis, maar als je dat binnen een organisatie doet, kan die organisatie worden verboden. Je zou dit vrij kunnen vertalen als: de ideeën zijn vrij zolang ze onmachtig zijn, maar worden aangepakt als ze vat zouden kunnen krijgen op de werkelijkheid. Dat is een bekende beleidslogica, die ook is ingegeven door economie: de overheid heeft meer dan genoeg werk, ze moet zich richten op de hoofdzaken en de bagatellen laten liggen of seponeren.

Verbieden moet

In Verhofstadts eigen woorden klinkt dat zo: ‘Dit boek is een pleidooi om de oprichting, werking en financiering van radicale religieuze groepen, zoals salafistische organisaties, wettelijk te verbieden. (…) Voor alle duidelijkheid: het betreft hier dus niet een verbod op het hebben of uiten van salafistische ideeën of standpunten of, meer in het algemeen, het criminaliseren van radicale geloofspunten. In een democratie geldt de vrijheid van meningsuiting en daarin moeten we alle meningen toelaten, zelfs degene die we verwerpelijk vinden. (…) Waar het hier om gaat, is het wettelijk verbieden van religieuze organisaties die via extreem radicale geloofspunten, zoals het salafistische gedachtegoed, aanzetten tot een aantoonbaar schadelijk gedrag ten opzichte van de democratische samenleving door op te roepen of aan te zetten tot discriminatie, haat en geweld.’ (p. 108)

Het juridisch optreden tegen organisaties die haat, geweld, discriminatie of racisme prediken is niets nieuws en al voorzien in de huidige wetgeving. Verhofstadt gaat niet in op de strategische kant van de zaak, de bekende problemen: een verbod kan ertoe leiden dat organisaties ondergronds voortleven en zo moeilijker te observeren zijn, of dat ze reïncarneren met een democratievriendelijker façade, waarachter minder vriendelijke denkbeelden en plannen schuilgaan. En verschaft een verbod de geviseerde stroming niet juist een martelaarstatus en het argument van discriminatie dat haar bij velen sympathiek maakt en de zogeheten radicalisering juist kan aanwakkeren?iv

En wat zijn de criteria voor ‘aantoonbaar schadelijk gedrag’? Verhofstadt licht toe: ‘Zoals bijvoorbeeld de indoctrinatie door salafistische organisaties van moslims om zich af te keren van onze samenleving, om onze democratische grondwaarden te verwerpen, om vrouwen als minderwaardig te behandelen, om andersgelovigen, ongelovigen en homoseksuelen te bekampen, om de goddelijke wetten boven de burgerlijke of seculiere wetten te plaatsen, om specifieke passages uit de Koran letterlijk te nemen en toe te passen, en andere oproepen die gelovigen op die manier aanzetten tot het plegen van gewelddaden of zich aan te sluiten bij criminele organisaties zoals IS.’ (Een catalogus van criteria die me problematisch lijkt, afgezien van het aanzetten tot gewelddaden of het uitvoeren daarvan. Mag je je niet afkeren van ‘onze’ samenleving? Mag je de parlementaire democratie niet verwerpelijk vinden? Wie bepaalt wanneer vrouwen als minderwaardig worden behandeld? Staat de ethiek (de goddelijke wet) niet boven het recht? Nazimisdadigers werd na de nederlaag van het Derde Rijk juist verweten dat ze het bestaande recht uitvoerden, in plaats van ethisch te handelen…)

En dan verschuift, aan het eind van de geciteerde passage, Verhofstadts perspectief opeens toch van de organisatie naar de persoon: ‘Wie duidelijk van plan is en acties onderneemt om de grondbeginselen van de democratie aan te tasten, met name de geestelijke vrijheid, de gelijkheid voor de wet en haar zelfcorrigerend vermogen, zoals George van den Bergh in zijn toespraak in 1936 stelde, sluit zichzelf uit van het democratische spel en moet verboden worden.’ (p. 108) En ook wie financiële of materiële steun verleent aan zoiets moet juridisch strafbaar worden.

En de internationale politiek?

Dat klinkt eigenlijk allemaal naar een uitbreiding van de al bestaande wetgeving tegen het terrorisme, die maakt dat je in grote problemen komt als je zelfs maar argeloos een paar euro overmaakt aan een humanitaire organisatie die gelinkt kan worden aan bijvoorbeeld Hamas, dat gecatalogeerd staat als terreurgroep. Het verband tussen de voorgestelde salafismebestrijding en de ‘war on terror’ blijkt ook heel duidelijk in Verhofstadts boek. Zo besteedt hij een heel hoofdstuk aan het sjiitisch terrorisme, en doet daarin een oproep inzake internationale diplomatie: ‘Net als ten aanzien van Saoedi-Arabië, dat radicale soennitische groeperingen steunt, moeten de westerse landen hun diplomatieke en economische relaties met Teheran – dat moslims oproept om een schrijver die in het Westen woont te doden wegens blasfemie, dat radicale sjiitische groeperingen en terreurorganisaties steunt, en dat in eigen land op grote schaal de mensenrechten schendt, in het bijzonder ten aanzien van vrouwen – fundamenteel herzien.’ (p. 105)v

Moeten de westerse landen dan ook hun diplomatieke en economische relaties met de VS niet ‘fundamenteel herzien’, dat land dat radicale soennitische groeperingen steunt als dat goed uitkomtvi, dat op grote schaal de mensenrechten schendt, zowel nationaal, in het bijzonder ten aanzien van zwarten, als internationaal door het verspreiden van terreur en foltering en het omverwerpen van regeringen, en dat Saoedi-Arabië militair en politiek steunt in zijn agressieve en moorddadige politiek?

Natuurlijk is het niet acceptabel dat een Iraanse leider oproept om Salman Rushdie te vermoorden. Maar toch is die ernstige kwestie een klein probleem vergeleken met bijvoorbeeld de evenmin acceptabele, op leugens en propaganda gebaseerde inval van de VS, Groot-Brittannië en hun bondgenoten in Irak, die het land ontwrichtte en zwaar beschadigde en een groot aantal mensenlevens kostte. De Rushdie-affaire is ook een gering probleem vergeleken bij het ageren van de VS en hun coalitie tegen het bewind van de Syrische president Assad, dat geleid heeft tot enorme verwoestingen in Syrië en massa’s doden. De ironie van de zaak is overigens dat het in beide gevallen gaat om seculiere regimes, waarin de islam niet als staatsgodsdienst werd of wordt opgelegd en er ruimte is voor levensbeschouwelijk pluralisme, en dat de Westerse strijd gebeurde of gebeurt in bondgenootschap met het salafistische Saoedi-Arabië.

Het grote probleem waar we voor staan is, denk ik, niet het salafisme, maar de westerse machtspolitiek, die alle waarden ondergeschikt maakt aan de macht, en dus zowel het salafisme gebruikt, aanwakkert en bewapent als dat goed uitkomt, als het criminaliseert en vervolgt als het tegenwerkt of terugvecht.

Zwak aan de visie van Dirk Verhofstadt is dat hij blind is (of zich doof moet houden) voor een groot stuk van de internationale politiek en haar contradicties. Hij vermeldt wel dat er onschuldige burgerslachtoffers vallen door Saoedische bombardementen op Jemen en sympathiseert met een wapenembargo, maar niet zozeer het verwerpelijke geweld als wel de ideologie roept zijn afkeer op: ‘Het Westen moet inzien dat Saoedi-Arabië een theocratische dictatuur is, die met haar enorme geldmiddelen (door de VS en Europa bezorgd in ruil voor olie) bezig is onze democratische fundamenten te ondermijnen. (…) Het beoogt de uiteindelijke bekering van alle mensen tot de islam. En daarvoor zet het alle middelen in en geeft het steun aan groepen en personen die zelfs bereid zijn om andersdenkenden te vermoorden om hun doel te bereiken. In die zin is Saoedi-Arabië een land met een verwerpelijk regime en een verwerpelijke agenda. Om die reden, maar ook omdat ze in eigen land de mensenrechten met de voeten treden en hun vrouwen behandelen als minderjarige wezens, moeten we onze diplomatieke, economische en militaire relaties met Riyad fundamenteel herzien.’ (p. 97)

Maar de wens om alle mensen te bekeren tot de islam is op zich niet fout en niet strafbaar, voor zover daarbij geen wetten worden overschreden, bijvoorbeeld door dwang uit te oefenen of door op te roepen tot haat of fysieke bedreiging van andersdenkenden of tegenstanders. Missionering van godsdiensten heeft haar plaats op de vrije markt van de ideeën. Worden ‘onze democratische fundamenten’ daardoor ondermijnd? Het is niet omdat ze worden bekritiseerd of ontkend, dat ze worden uitgehold of aan kracht verliezen.

Maar omgekeerd is het wel zo dat de staat in de fout gaat in zijn ageren tegen salafisten en zo de democratie uitholt. Verhofstadt citeert met instemming Alain Winants, die als hoofd van de Belgische Staatsveiligheid in 2012 zei dat het ‘salafisme de grootste bedreiging [is] voor de westerse democratie.’ (p. 69) Maar het was diezelfde Winants die de Staatsveiligheid compromitteerde door politieke actie te voeren via de media: hij viel openlijk de conservatieve imam Taouil aan, en door zijn toedoen werd de echtgenote van de imam gebroodroofd. Een Staatsveiligheid die aan politieke actie doet en burgers in diskrediet brengt zonder dat ze zich kunnen verdeidgen, is een regelrechte ondergraving van een liberaal staatsbestel!vii

In Duitsland werden salafisten gehinderd doordat ze geen zaal meer konden vinden om te spreken en doordat de drukkerij waar ze gratis te verdelen korans lieten drukken opeens het contract niet meer nakwam – kennelijk door de stiekeme politieke activiteit van Duitse geheime diensten. Maar zie hierover ook het Naschrift bij dit essay.

De open samenleving en haar misdadigheid

Dat brengt me bij de beperkingen van de veel geroemde, open samenleving. Ze biedt voordelen voor de mensen die er deel van uitmaken, maar is een ramp op het gebied van de internationale politiek. Open samenlevingen als de VS en Groot-Brittannië waren tijdens WO II verantwoordelijk voor de massamoorden op burgers door de atoombommen op Japanse steden en de conventionele bommen op Duitse steden. De VS zijn recordhouder op het gebied van staatsterrorisme door hun export van repressietechnieken (inclusief foltering en moord) en hun uitschakeling van onwelgevallige politieke leiders of strekkingen in het buitenland.

De open samenleving is een interne regeling van de sociale betrekkingen, maar biedt geen enkele garantie voor een ethisch en juridisch verantwoord buitenlands beleid. Ze mist alle ethiek. Dirk Verhofstadt, die zich ook als ethicus profileert, laat hier verstek gaan.viii Hij bekritiseert Iran omdat het terreur ondersteunt om zijn internationale positie te verstevigen, maar zwijgt over de veel grotere westerse terreur.

Zijn visie op het terrorisme is ook incoherent. De ene keer citeert hij een zelfbenoemde deskundige, Halim El Madkouri, die als ‘islamoloog’ wordt voorgesteld: ‘Het salafisme is dé voedingsbodem van moslimterreur. Door de ogen hiervoor te sluiten, dupeert de overheid onbedoeld alle moslims. (…) Een duidelijke markering van het salafisme als een ongewenste kwaadaardige ideologie heeft meerdere voordelen: een effectievere terrorismebestrijding en vrijwaring van veel moslims van angst en schuldgevoelens.’ (p. 86) Maar elders citeert hij de Algerijnse auteur Kamel Daoud: ‘Daoud geeft ook treffend aan dat als het Westen het terrorisme wil bestrijden, het vooral de oorzaak moet aanpakken in plaats van het gevolg. ‘Daesh a une mère, l’invasion de l’Irak. Mais il a aussi un père: l’Arabie saoudite et son industrie idéologique. Si l’intervention occidentale a donné des raisons aux désespérés dans le monde arabe, le royaume saoudien leur a donné croyances et convictions. Si on ne comprend pas cela, on perd la guerre même si on gagne des batailles. On tuera des djihadistes mais ils renaîtront dans de prochaines générations, et nourris des mêmes livres.’ (p. 94)

Verhofstadt lijkt er zich niet van bewust te zijn, maar dit citaat ondermijnt zijn hele betoog. Het gaat niet enkel om het bestrijden van een kwaadaardige ideologie, maar ook om het westerse interventionisme in het Midden-Oosten. Die oorzaak moet, zoals Verhofstadt terecht zegt, worden aangepakt, maar hij doet alsof die oorzaak Saoedi-Arabië is en keert terug naar de ideologische strijd. Hij gaat mee in het islamofobe verhaal dat zegt dat de islam probeert het Westen te veroveren, eventueel zelfs langs parlementaire weg: ‘Een weerbare democratie mag niet dulden dat dergelijke [salafistische] organisaties via de weg van de parlementaire meerderheid de sharia of zelfs een theocratie willen invoeren.’ (p. 108)

Wat een onzin! Een tweederdemeerderheid van radicale moslims om de Belgische grondwet te veranderen ligt echt niet in het verschiet. En er zijn ook geen islamitische tanks of bombardementsvliegtuigen op of boven westers grondgebied. De aanslagen die het Westen te verduren krijgt, zijn het logische gevolg van de westerse bommen op het Midden-Oosten, en het zijn, hoe vreselijk ook, speldeprikken vergeleken bij wat het Westen zelf aanricht. Maar tot dit soort kritische analyse is Verhofstadt niet in staat, hij blijft hangen in de ideologische omkering van de werkelijkheid: dat de islam het Westen zou bedreigen.

Het voorkomen van terrorisme moet vertrekken bij het stopzetten van het westerse interventionisme, en België moet daarvoor stante pede stoppen met bombarderen. Het omgekeerde, alleen maar de radicale islam ideologisch bestrijden, zal, zoals Daoud aangeeft, alleen maar nieuwe militanten en zelfmoordacties kweken.

Godsdienst als indoctrinatie?

Een ander belangrijk punt in de open samenleving die Verhofstadt propageert betreft zijn visie op de godsdienst. Zoals eerder gezegd, vindt hij dat islam en democratie elkaar niet principieel uitsluiten. Maar wat te denken van de inperking van de godsdienst die hij voorziet? ‘Problematisch is dan ook het “doorgeven” door de ouders van een geloof aan hun kinderen. (…) Ouders mogen hun kinderen opvoeden in een specifiek geloof en hen aanzetten om religieuze gebruiken te volgen. Maar, zoals filosoof Etienne Vermeersch terecht stelt, we mogen onze kinderen niet op een zodanige manier opvoeden dat ze later, bij de volwassenheid, geen eigen bewuste keuzes meer kunnen of mogen maken.’ Ouders mogen hun kinderen niet ‘indoctrineren’. ‘Dat is ook de belangrijkste reden waarom het voor ouders verboden zou moeten zijn om hun kinderen te (laten) besnijden, zelfs als een culturele of religieuze traditie dat voorschrijft. In diezelfde zin is het ontoelaatbaar dat men kinderen indoctrineert met ideeën die ze later niet meer kunnen verwerpen.’ (p. 19-20)

Het is evident dat kinderen, eens volwassen, zelf kunnen beslissen over hun levensbeschouwing en dat het verbod op afvalligheid van een godsdienst, apostasie, dus niet acceptabel is. Maar eigenlijk saboteert deze visie de religieuze socialisatie, die als ‘indoctrinatie’ gestigmatiseerd wordt. Uitwendige tekenen van het behoren tot de islam, zoals de besnijdenis van jongens en de hoofddoek voor jonge meisjes, kunnen niet. Hier wordt de in de grondwet verankerde godsdienstvrijheid uitgehold, is er een geheime, seculariserende agenda aan het werk, en slaat de verdediging van de open samenleving om in haar tegendeel.

De openlijke onverdraagzaamheid van de open samenleving

Die omslag was overigens eerder al te observeren. Men herinnert zich hoe Dirk Verhofstadt te keer ging na de stemming van de dubieuze ‘anti-boerkawet’ in het Belgische parlement. De enige die tegen stemde, Eva Brems, werd door Verhofstadt met hoon overladen, overigens zonder dat hij inging op haar argumentatie: Alleen Eva Brems (Groen) stemde tegen, en dat vind ik schandelijk. Eva Brems draagt dan wel geen hoofddoek, maar wel een blinddoek. Het dragen van de boerka in onze contreien kan immers niet los gezien worden van de weerzinwekkende manier waarop vrouwen zich in orthodox islamitische landen omwille van middeleeuwse tradities volledig moeten verhullen in een boerka. (…)De bedekking van de vrouw is in feite de consequentie van de superioriteitsgedachte van de man tegenover de vrouw. Het is het hedendaags equivalent voor de jodenster tijdens de nazi-periode. (…)Wie de boerka toestaat kiest de kant van de onderdrukker.’ix De hysterie en de onverdraagzaamheid waar Verhofstadt blijk van gaf, steken schril af bij het door hem aangehaalde betoog van John Stuart Mill over het respect voor het standpunt van de enkeling en ook bij het hele concept van een open samenleving. De theorie over de noodzakelijke grenzen van de tolerantie, die op zich evident lijkt, is in feite een ideologie om ongehinderd en legitiem intolerant te kunnen zijn en aan repressie te kunnen doen, en dat niet ten bate van de menselijke vrijheid, maar als ondersteuning van westerse agressie en hegemoniestreven.x Het is de grote verdienste van Dirk Verhofstadt dat zijn boek en zijn optreden dit duidelijk te maken.

Naschrift

Bij het afsluiten van dit essay berichten de media over grootschalige razzia’s in Duitsland tegen salafisten en over het verbod van de organisatie ‘Die wahre Religion’. Ook het gratis wegschenken van korans op straat wordt verboden.xiDe minister van binnenlandse zaken, Thomas de Maizière (CDU), heeft het verbod van radicaal-salafistische korandistributies in Duitse steden als belangrijk signaal in de strijd tegen islamistische terreur aangeduid. “Duitsland is een weerbare democratie. Voor radicale islamisten die tot geweld bereid zijn is er geen plaats in onze maatschappij”, zei de Maizière in Berlijn.’ (Der Spiegel op 15/12/2016xii)

Duitsland, dat intrigeerde tegen de Syrische staat en al in een vroeg stadium een eigen plan voor het post-Assadtijdperk klaar hadxiii, vindt bereidheid tot geweld (‘Gewaltbereitschaft’) van salafisten een probleem, maar niet de eigen bereidheid tot geweld van de staat. Het zette sluipmoordenaars in in Afghanistanxiv, werkt mee aan de Amerikaanse ‘extrajudicial killings’ met drones en heeft soldaten in Zuid-Soedan, dat mede door Duits toedoen afsplitste van Soedan, zodat een bloedige burgeroorlog ontstond.xv

Het recente Duitse Witboek van Defensie toont dat de BRD wereldwijd militaire interventies wil kunnen uitvoeren, en dat gaat samen met sterke binnenlandse repressie en verdachtmaking van vreemdelingen: ‘Passend bij het nieuwe concept van “civiele verdediging” kondigde minister van binnenlandse zaken Thomas de Maizière (CDU) onlangs nog talrijke “maatregelen tot verhoging van de veiligheid in Duitsland” aan. Naast een drastische verbreding van de videocontrole van de publieke ruimte is onder andere het nieuw in dienst nemen van 4600 politieagenten gepland. (…) Als de minister zijn zin krijgt worden bovendien de “speciale interventie-eenheden” van de politie en de anti-terreureenheid GSG9 onder een centrale leiding gebracht. De focus van de afdelingschef is daarbij in het bijzonder de in Duitsland levende buitenlanders. Speciaal voor hen moet de “arrestatiegrond” van het “in gevaar brengen van de openbare veiligheid” gecreëerd worden; ook het afnemen van de Duitse nationaliteit bij zogeheten risicopersonen en het strafbaar maken van het als sympathiek voorstellen van “terrorisme” zijn een onderdeel van het maatregelenpakket. Principieel is voor alle vluchtelingen die naar Duitsland komen een totale “veiligheidscheck” voorzien – zelfs als die de opheffing van de medische zwijgplicht nodig maakt.xvi

De democratische façade van Duitsland dient om het bloed aan de eigen handen aan het oog te onttrekken, de binnenlandse repressie van oppositionele krachten te legitimeren en aanspraak te kunnen maken op inmenging in andere landen en in conflicten over de hele wereld. Het kabaal over het salafisme is een onderdeel van de ideologische propaganda die die abjecte politiek moet ondersteunen.

Noten

i Philippe de Villiers, Les cloches sonneront-elles encore demain?, Albin Michel, Paris, september 2016 (lancering: 12 oktober 2016). Het citaat ‘Entre le Coran et la France…’ : op p. 223.
ii Jean-Louis Harouel, Les droits de l’homme contre le peuple, Desclée de Brouwer, Paris, augustus 2016.
iii John Rawls, A Theory of Justice, Original Edition, The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge/Massachusetts en London, 2005, hoofdstuk 35: Toleration of the Intolerant, citaat p. 220.
iv Ook in Verhofstadts eigen kring (de denktank Liberales), zijn er andere visies op dit onderwerp. Zo stelt Gert Jan Geling: ‘een verbod op organisaties die het salafisme promoten, lijkt niet haalbaar en niet wenselijk te zijn. Maar dat impliceert niet dat we moeten toekijken hoe het salafisme steeds verder wortel schiet in Europa.’  (http://www.knack.be/nieuws/wereld/waarom-we-het-salafisme-niet-moeten-verbieden-wel-bestrijden/article-opinion-632321.html; 7.12.2015)
vDit is wel een vergaande versimpeling van de problematiek van de vrouw in Iran. De autoritair opgelegde regels voor vrouwenkleding zijn natuurlijk problematisch, maar voor de positie van de vrouw moet je toch ook kijken naar de scholingsgraad van vrouwen, naar het aantal vrouwen in het hoger onderwijs, naar hun positie in het beroepsleven enz.
vi Men herinnert zich hoe de Amerikaanse president destijds een delegatie van de Afghaanse moedjahedien, de voorlopers van de huidige Taliban en van Al Qaida, op het Witte Huis ontving en prees als vrijheidsstrijders. En vandaag illustreert het nieuws voortdurend de willekeurigheid van het begrip ‘terrorist’, en wordt het adagium ‘de een zijn terrorist is de ander zijn vrijheidsstrijder’ dag na dag bevestigd.
vii Zie Eric Hulsens, ‘Lorsque la Sûreté de l’état perd les pédales’, in : Luk Vervaet (red.), L’affaire Luk Vervaet , Écrits sur un interdit professionnel, Contradictions, 1ier trimestre 2011, p. 49-64.
viiiDirk Verhofstadt, Atheïsme als basis voor de moraal, Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2013.

ix http://www.liberales.be/columns/dirkboerka. Zie ook de repliek van Eva Brems, Ik, in het kamp van de nazi’s?, http://www.demorgen.be/plus/ik-in-het-kamp-van-de-nazi-s-b-1412188065828/, met als slotzin: ‘Hoe liberaal ben je als je individuele autonomie maar selectief erkent en een ‘eenheidsdenken’ voorstaat dat geen enkele afwijking verdraagt?

xZie Eric Hulsens, Bloot of boerka?, Antidote, Ledeberg, 2015, p.104 e.v.
xi Zie Eric Hulsens, Gratis koran maakt agressief, in a.w. p. 171-174.
xii http://www.spiegel.de/politik/deutschland/thomas-de-maiziere-erklaert-verbot-von-salafisten-verein-a-1121297.html#ref=nl-dertag
xiii Zie Syrië, made in Germany, in: Eric Hulsens, a.w. p. 237-240.

xiv Duitsland zette 140 sluipschutters in in Afghanistan, en het is onduidelijk wie zij vermoorden. ‘Op wie schieten ze eigenlijk?’ titelde Der Spiegel (Scharfschützen in Afghanistan”Bundesregierung sagt nicht die volle Wahrheit”, 29.03.2011, http://www.spiegel.de/politik/ausland/scharfschuetzen-in-afghanistan-bundesregierung-sagt-nicht-die-volle-wahrheit-a-753757.html )

xv Zie Ignorierte Kriege (II), 04.11.2016, http://www.german-foreign-policy.com/de/fulltext/59475
xviZivile Kriegsvorbereitung, 16.10.2016, http://www.german-foreign-policy.com/de/fulltext/59424

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!