Analyse - EricCorijn

Het populisme voorbij

Nu de “populisten” aan de macht komen of kunnen komen is er een hernieuwde aandacht voor de term. Want, inderdaad, het is een containerbegrip, te pas en te onpas gebruikt en het gebrek aan precisie laat dan niet toe de politiek van een Trump of een Orban of een Erdogan goed te duiden. Wat in de mainstream media lang werd gebruikt als een pejoratieve term voor alles wat niet binnen het gangbare systeem paste, blijkt nu bij te dragen tot verwarring en onduidelijkheid.

maandag 14 november 2016 11:11

We hebben over populisme al meer dan 12 jaar geleden samen met Jan Blommaert, Dieter Lesage en Marc Holthof bij EPO een boek uitgegeven. En we lagen al meer dan een kwart eeuw geleden, in februari 1992, aan de basis van Charta 91 met een manifest dat opriep voor een burgerbeweging tegen de verrechtsing.

Crisis van de democratie

Het begrip “populisme” bestaat natuurlijk al langer, maar is gemeengoed geworden in de duiding van de crisis van de bestaande politieke orde. Die orde, de genaamde moderne democratische natie-staat en zijn internationale betrekkingen, is een product van de verlichting, de industriële revolutie en de negentiende eeuw. In die omwenteling is de legitimiteit van de macht stelselmatig verschoven van een goddelijke orde en een uitverkoren adel en geestelijkheid – en met een bevolking van stemloze onderdanen – naar een moderne staat, met gescheiden wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke machten samengesteld uit verkozen ( of door verkozenen benoemde) mandatarissen – en met een bevolking van burgers met zeggenschap. Dat is wat we de representatieve democratie noemen, een geheel van instellingen die via verkozen vertegenwoordigers de wil van het volk uitvoeren. Dat de democratisering van dat systeem nogal wat voeten in de aarde had – van cijnskiesrecht naar meervoudig en dan enkelvoudig stemrecht, van mannen naar alle geslachten, van alleen ingezetenen naar andere EU-burgers of andere vreemdelingen, van lokaal over regionaal en nationaal naar Europees,… – en dat dat niet zonder conflict en strijd verliep laten we nu even in het midden. Het principe was dat de wil van het volk via burgerschap de macht in de staat vormde.

 Die politieke democratie is in de twintigste eeuw nog verruimd met een sociale democratie. De staat nam immers steeds meer economische regulering op zich via regelgeving, fiscaliteit, technologisch- of onderwijsbeleid . En de sociale verhoudingen verliepen steeds meer via strijd en onderhandelingen tot collectieve overeenkomsten. Vandaar dat de staat niet alleen puur politieke of juridische taken opnam, maar ook via de welvaartstaat een sociaal contract en sociale vrede poogde te garanderen.

 Dat model is door de neoliberale mondialisering zwaar onder druk gezet. De verhouding tussen markt en staat werd op z’n kop gezet. De wereld werd één grote markt. En binnen de staat vergrootte de druk tot deregulering, liberalisering en privatisering onder het mom van “minder staat”. De verhouding tussen “staat” en “volk” is dus nogal grondig gewijzigd sinds de jaren tachtig en dat op vele vlakken.

 De kloof

Dat goed en genuanceerd analyseren vergt een boek. Het gaat om het personeel van de staat, de mandatarissen. Die komen steeds minder uit de civiele maatschappij en hun organisaties, maar steeds meer uit de administraties, kabinetten of partijapparaten zelf. Dat versterkt de particratie en ook de vermarkting van verkiezingen, waardoor vertegenwoordigers steeds minder voeling hebben met het georganiseerde deel van de bevolking en steeds meer via media en reclame met een breed “electoraat” omgaan. Het gaat om de verhouding van de staat met bijvoorbeeld economie en cultuur. De overheid wordt steeds meer de steunpilaar van de concurrentieverhoudingen, dan wel de garant van sociale rechten en duurzame ontwikkeling. Het gaat ook om de opdrachtomschrijving van de staat zelf. Die verschuift van de sociale welvaartstaat eerder naar monetair en budgettair beleid en veiligheidsbeleid in brede zin. Het gaat dus om een zeer complexe maar wel substantiële ombouw.

 Als gevolg van die ontwikkelingen is de bekende “kloof tussen burger en politiek” gegroeid. Steeds meer mensen, vooral diegenen die door de crisis achteruit gingen of bedreigd werden of zij die hun positie in de mondialisering zagen ten onder gaan, kregen het gevoel niet meer “vertegenwoordigd “ te zijn, steeds moeilijker toegang te krijgen tot “hun rechten”. En die werkelijkheid was des te meer frustrerend door een depolitisering waarin analyse en maatschappelijk project werden vervangen door markt, technologisch determinisme en eenheidsdenken. In die dualisering, die kloof, ontstond een andere vage term die vandaag opgeld maakt: de “elite”. Vroeger sprak men van sociale klassen en groepen, dan werd het “ nieuwe middenklasse” en “exclusie” en nu is het “het volk” tegen de “elite”. Een nogal simplistische reductie van de maatschappelijke complexiteit.

 Hoe dan ook, de representatieve democratie is in diepe crisis. En dat komt niet alleen door de mondialisering en de wereldmarkt. Dat komt ook door de verstedelijking, de grotere complexiteit van de samenleving, door migratie en multicultuur . Want dat nationale model van democratie ging uit van “ één volk, één cultuur, één staat”. En dat komt niet voor in de genetwerkte steden van enige omvang. Een stad is geen land. Daar is er dus zeker nood aan een participatieve democratie, aan coproductie, aan een meer directe samenwerking met de burgers. Op dat vlak is de discussie en zijn de experimenten wel de hoogte ingeschoten, maar structureel is er niet erg veel veranderd.

 Een woord voor de afwijzing

In die maatschappelijke vijver is het “populisme” ontstaan, de stem van het volk, het spreken in naam van de zwijgende meerderheid. Het gaat uit van de veronderstelling dat er zoiets bestaat als “het volk” en ook dat het dan mogelijk is de wil van dat volk te “laten spreken”, uit te drukken , te verwoorden. Direct blijkt echter dat de populisten nooit de gehele bevolking tot “volk” verklaren en dus altijd wat uitzuiveren. Het gaat dan om het “hardwerkende volk” of om het “witte volk” of om volk van één taal of van één religie, enz. En het gaat dan ook dat (deel van het) volk rechtstreeks te vertegenwoordigen, zonder bemiddeling van vereniging of andere vormen van lidmaatschap. Die “onmiddellijke” band, zonder “bemiddeling” en dus tussenpersonen, is van belang in het populisme. En die methode vindt men zowel bij mensen aan de macht – zie Poetin of Erdogan of elke andere gemediatiseerde leider – als bij mensen tegen de bestaande machthebbers.

Twee kenmerken lijken me dus van belang: een definitie van “het volk” en de rechtstreekse band met de vertegenwoordiger, de leider. Populisme is dus in de eerste plaats een methode van vertegenwoordiging, een zoeken naar rechtstreekse uitdrukking van de wil van (een deel van) het volk zonder bemiddeling van bestaande organisaties of bewegingen. Populisme heeft dus op zich niks van doen met “populair” of “volks”, hoewel populisten natuurlijk pogen populair en volks te zijn. Populisten komen ook niet per sé “uit het volk”, maar zijn meestal zelf uit de (rijke) elite of de apparaten getreden.

 Het ligt dus voor de hand dat die methode vooral wordt aangehangen door zij die buiten de bestaande orde vallen, of buiten de bestaande organisatie van die orde. Vandaar dat de meeste populisten te vinden zijn in het rechtse en uiterst rechtse kamp, bij politici die ook de vertegenwoordigende democratie en de instellingen als een probleem zien. En vermits de etiketten in de samenleving worden uitgedeeld door gevestigde media en instellingen, worden machtspolitici of praktijken zelden “populistisch” genoemd. Nochtans zou het mogelijk zijn de verschuivingen in de relatie tussen politiek, media, economie of reclame en de burgers, lezers en kijkers, klanten of publiek te beschrijven als steeds meer “populistisch”. Dus: populisme is meestal rechts en anti-systemisch. En vandaar is de term ook een pejoratief scheldwoord geworden.

 Bestaat er dan ook links populisme? Indien links betekent “progressief” en “emancipatorisch” dan kan dat niet zonder een sprekende en georganiseerde basis. Maar toch. Sommige analisten en praktijken beschouwen de bestaande organisaties als een deel van het probleem, als instrumenten van discriminatie en uitsluiting. En zoeken dus een rechtstreeks contact en een werking met een deel van de bevolking zonder de bemiddeling van bestaande structuren. En dat kan vandaag makkelijker via mediatisering en vooral via de sociale media. Zo pleitte David Van Reybrouck voor populisme en Chantal Mouffe expliciet voor een links populisme. Zo beroept Jean-Luc Mélenchon zich expliciet op “le peuple”, een soort uitwerking van de “multitude”, de “menigte” van Negri en Hardt. En zo worden Syriza en Podemos, of Bernie Sanders en Jeremy Corbyn dikwijls populisme verweten. Hier vinden we twee andere argumenten terug. Die pleidooien bevatten enerzijds de noodzaak tot een reorganisatie van de linkerzijde, tot een herdenken van de structuren, organisatie en programma’s en zoeken in de nieuwe vormen van mobilisatie een eerste sociale basis voor zo’n project. Anderzijds leggen de linkse populisten ook de nadruk op het belang van emotie, van passie in de strijd. Om een maatschappelijk alternatief te dragen is meer nodig dan een programma en een organisatie, er is vooral overtuiging, energie en doorzettingsvermogen nodig, strijdlust.

 Maar zo worden er wel heel veel kenmerken “populistisch”. De ongedefinieerde categorie van “het volk”, meestal een nogal uitgezuiverd volk. Een rechtstreeks leiderschap, zonder democratische tussenstructuur. Demagogie en extravagantie. Maar ook: antisystemisch, tegen de bestaan de orde, zowel in rechts autoritaire zin als in links participatief democratische zin. En dan: een beroep doen op emotie en passie. Of nog: buiten de structuren of bestaande media. Het probleem is dat ze niet allemaal samen voorkomen, dat ze misschien iets zeggen over stijl, maar niet over het maatschappelijk project. Kunnen Trump, Poetin, Erdogan , Berlusconi, Orban samen met Farage, Wilders, Le Pen, De Winter of nog Mélenchon, Tsipras, Iglesias, Bernie Sanders of Corbyn zomaar allemaal in één politieke categorie worden ondergebracht? Neen dus.

 Eerder een scheldwoord dan een categorie

Laten we dus maar wat preciezer worden in onze categorieën en etiketten. Het “populisme” zou wetenschappelijk kunnen worden geduid, maar in de praktijk is het nu een negatief scheldwoord voor al diegenen die de bevolking willen mobiliseren tegen een falende bestaande orde. Het is een concept vanuit die orde gedacht. Het is “één pot nat” alleen dienstig voor infotainment en vermijden van het maatschappelijk debat. Zo worden historisch communisme en fascisme door sommigen ook op één hoop gegooid, of fascisme, nazisme en bonapartisme… Laten we het dus maar achter ons laten en pogen de maatschappelijke projecten van enerzijds een radicale en autoritaire vleugel ter rechterzijde en anderzijds de reacties op de crisis van het sociaal liberalisme ter linkerzijde nauwkeuriger te analyseren en te karakteriseren. Ze richten zich beiden misschien wel tot een basis buiten de structuren om en gebruiken daarbij misschien wel een aantal gelijkaardige mobilisatietechnieken. Maar hun maatschappelijk effect op democratie, of economie en herverdeling, of duurzaamheid, of cosmopolitisme, of emancipatie en gendergelijkheid is wel totaal verschillend. En dus is “populisme” een waardeloze categorie geworden.

 Wat niet hoeft te betekenen dat ons boek “Populisme” niet meer lezenswaard zou zijn. En zeker niet dat het manifest van Charta 91 zo’n kwart eeuw na datum niet moet worden herlezen. Zeker wel, want de diagnose blijft geldig. Tot het onzalige tij is gekeerd.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!