JanBlommaert

Staking in zicht, de taalstrijd barst weer los

'Let op je woorden. Politiek, taal en strijd'. Jan Blommaert schreef er enkele maanden geleden nog een boek over. In de aanloop naar de staking van vrijdag verschijnen er in de media weer pareltjes van die taalstrijd. "De economie schaden. Niet zo slim toch?", vraagt De Standaard zich bijvoorbeeld af. Een fragment uit het boek.

donderdag 23 juni 2016 14:01

Stakingen lokken steeds heftigere discussies uit. Zeker wanneer ze de grote infrastructuren van dit land raken – openbaar vervoer, havens en luchthavens – wordt moord en brand geschreeuwd en wil men het stakingsrecht beperken of stakingen breken. Samengevat luidt de dominante visie als volgt:

Stakingen zijn onverantwoordelijke en ongeoorloofd hinderlijke vormen van actie die niets uithalen. Ze gijzelen de bevolking, zijn een inbreuk op het ‘recht op werken’ van anderen, veroorzaken grote economische schade, zijn dagen van nietsdoen en luiheid, en gaan over de privileges van de stakers. Ze mogen bovendien ook niet politiek van aard zijn.

Laat ons deze visie stap voor stap uitkleden en herformuleren.

1. Wat is een staking? Een staking is een moment waarop de werkenden de productiemiddelen van het kapitaal lamleggen. Tijdens een staking weigeren degenen die de productie verzekeren – de arbeiders, bedienden en zo meer – die productie voort te zetten.

Dus: Een staking is altijd politiek, want ze legt de fundamentele krachtsverhoudingen in de economie bloot: arbeid tegen kapitaal.

Tijdens een staking blokkeert arbeid het kapitaal, het verhindert de kapitalist winst te maken. Staken is een individueel recht – je moet dus geen lid van een vakbond zijn om het uit te oefenen – en het is een sociaal grondrecht dat is vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest. Regeringen kunnen het dus niet zomaar snel-snel uithollen of aantasten. Trouwens, ook het juridische statuut van vakbonden – het feit dat ze evenmin als politieke partijen rechtspersoonlijkheid hebben – is vastgelegd in internationale verdragen die door ons land zijn geratificeerd.

2. Dit eerste punt heeft een dimensie van macht:

De ondernemer moet tijdens een staking voelen dat hij of zij afhankelijk is van degenen die voor hem of haar arbeid verrichten.

VOKA en UNIZO mogen roepen wat ze willen. vermits het niet de CEO’s zijn die de productie verzekeren zullen ze die dag geen winst maken – tenzij die CEO’s die dag de plaats innemen van hun arbeiders natuurlijk, laat ze maar proberen.

Via een staking worden de echte processen in de economie dus zichtbaar: werknemers hebben wezenlijke macht in het economische proces, want zij kunnen het stilleggen. En werkgevers zijn geen eigenaar van de werknemers, ze zijn eigenaar van de fabrieksgebouwen, de infrastructuur, het kapitaal en de machines, maar niet van de mensen die ze bedienen.

Ze hebben recht op de hoeveelheid arbeid die door het loon wordt aangekocht, en net daarom wordt er aan stakers geen loon uitbetaald op stakingsdagen. Stakers ontvangen een zeer bescheiden vergoeding uit de stakingskas (of helemaal niets). Staking is dus, voor alle duidelijkheid, geen dagje verlof, wel een dagje oerduidelijke economische macht.

3. Die macht drukt zich uit in economische schade, en economische schade is het doel van de staking. VOKA en UNIZO schreeuwen bij elke staking de omvang van de schade van alle daken, 200 miljoen euro voor die ene dag staking op 8 december 2014 in Brussel alleen bijvoorbeeld. Daarmee doen ze ons een plezier.

Want: de economische schade is precies het bedrag dat door hun arbeidende werknemers die dag aan economische meerwaarde zou zijn gerealiseerd.

De ‘schade’ is de opbrengst van de arbeid die die dag niet is gerealiseerd. Ook hier zien we de echte economische processen blootliggen: wie produceert welvaart? Wie genereert meerwaarde? Wel, dat zijn zij die ze ook kunnen wegnemen, door een staking bijvoorbeeld. Een verstandig bedrijfsleider snapt dat en gaat zo snel mogelijk onderhandelen met de stakers.

4. Vermits stakingen de winst van de ondernemingen verlagen, zijn ze een reëel drukkingsmiddel. Bedrijven leven immers van winstvoorspellingen en -targets. Een stevige staking betekent vaak dat de winstverwachtingen niet zullen gehaald worden. Dat is een probleem, in de eerste plaats voor de ondernemers en het hogere management, die dit mogen gaan uitleggen aan hun aandeelhouders. Een bedrijf dat door stakingen wordt getroffen, is een bedrijf dat investeerders weinig vertrouwen inboezemt. Stakingen worden immers gezien als een factor van onzekerheid – gaan we winst boeken of niet? – en als een effect van slecht management.

De schade aan het ‘imago’ en het ‘investeringsklimaat’ is dan ook geen probleem voor de stakende werkers, het is een probleem voor de ondernemers en de hoge managers.

Zij zien hun dividenden en hun bonussen smelten als sneeuw voor de zon tijdens een staking. Dus, alweer, als ze verstandig zijn, gaan ze onderhandelen met de stakers.

5. Arbeid produceert meerwaarde – zie hierboven – en die meerwaarde moet rechtvaardig en billijk verdeeld worden over alle partijen die in het proces betrokken zijn. Stakingen zouden gaan over ‘privileges’ van de stakers. Althans, dat beweert men wanneer men iets belangrijkers over het hoofd ziet:

Het doel van de staking is een rechtvaardige verdeling van de geschapen meerwaarde in verhouding tot de geleverde arbeid.

Looneisen en arbeidsvoorwaarden zijn traditioneel het deel van de arbeidende bevolking in dit geheel: hoge winsten voor de ondernemer zijn prima zolang ze gepaard gaan met billijke lonen en arbeidsvoorwaarden voor de werkenden.

Die lonen en arbeidsvoorwaarden zijn geen ‘privileges’ maar deel van een contractueel bedongen prijs voor de aangekochte arbeid. Sinds 2014 zien we dat dit motief van rechtvaardigheid een bijzonder grote rol speelt: de neoliberale regeringen rijden immers zonder de minste scrupules voor de 1%.

De besparingsmaatregelen worden systematisch opgelegd aan de werkenden en aan de zwakkere groepen in de samenleving, terwijl het kapitaal nog verder wordt geprivilegieerd.

Wie nu werkloos is, heeft weinig hoop op nieuw en waardig werk. Wie nu werkt, ziet zijn arbeidsvoorwaarden gekortwiekt. Enkel wie heel erg rijk is, gaat er met deze regering op vooruit. Het gegeven van rechtvaardige verdeling van de welvaart in verhouding tot de geleverde arbeid, wint dus steeds aan belang. En stakingen gaan niet over kleine zaken, wel over grote.

6. De ‘hinder’ die stakingen berokkenen aan andere burgers maakt nog een ander fundamenteel punt duidelijk: de diepe verwevenheid van allerhande sociale functies in een samenleving zoals de onze.

Concreterwie hinder van een staking ondervindt, moet begrijpen dat zijn of haar functioneren afhangt van dat van de stakers.

Als ik door een treinstaking niet tot op het werk geraak, dan betekent dit dat ik voor het uitoefenen van mijn job afhankelijk ben van het goed functioneren van het NMBS-personeel. Wanneer hun arbeid bedreigd wordt, dan wordt ook de mijne onder druk gezet. Het best mogelijke antwoord hierop is solidariteit.

Het probleem van de stakers is ook het mijne, wanneer hun staking mij ‘hinder’ bezorgt.

Er is dus geen sprake van dat stakingen anderen het ‘recht op werken’ ontnemen: stakingen tonen aan hoe objectief moeilijk het is te werken wanneer anderen staken. En dat zou mensen aan het denken moeten zetten over hoe mijn belangen verweven zijn met die van anderen.

7. En wat dat ‘recht op werken’ zelf betreft: het bestaat juridisch niet. Wanneer dit argument gebruikt wordt, is het een handige herformulering en verdraaiïng van iets veel fundamentelers: het recht op arbeid. Dit recht is een grondrecht dat in artikel 23 van de Belgische Grondwet als volgt wordt omschreven:

‘het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;’

Lees dit artikel grondig en leer het desnoods uit het hoofd. Want wat blijkt?

Deze regering overtreedt het grondwettelijke recht op arbeid in zowat al zijn aspecten, met zowat elke maatregel die ze nu voorstelt.

En verkozen politici leggen in dit land een eenvoudige eed af, die hen onschendbaarheid schenkt: ze zweren gehoorzaamheid aan de Grondwet, niets meer of minder. En daardoor zijn ze verplicht de in de Grondwet bepaalde rechten van hun bevolking te garanderen. Ze hebben daarin dus geen keuze, en ook hun ideologische prioriteiten zijn hieraan ondergeschikt. Stakingen en andere vormen van syndicale actie komen doorgaans op voor dat recht op werk zoals het in de Grondwet staat.

8. Staken vakbonden het ‘concurrentievermogen’ van onze ondernemingen kapot?

Neen,ze staken doorgaans de onrealistische winstverwachtingen van ondernemingen kapot.

Een bedrijf kan best blijven bestaan wanneer het minder winst maakt dan zijn concurrenten. Vele bedrijven sluiten niet omdat ze ‘niet rendabel’ zijn, maar omdat belachelijk hoge winstverwachtingen ervoor zorgen dat het bedrijf de targets niet haalt. Om diezelfde reden wordt aan het personeelsbestand, aan de lonen en de arbeidsvoorwaarden geprutst.

In omgekeerde zin overleven vele bedrijven de crisis door het verlagen van hun winstverwachting in afwachting van een betere conjunctuur – de tering wordt naar de nering gezet, zou men kunnen zeggen.

Economen zoals Joseph Stiglitz wijzen al vele jaren in de richting van onredelijke winstverwachtingen als een van de grote bedreigingen in de economie. Stakingen zijn heel effectieve middelen om dit duidelijk te maken.

9. En ten slotte nog dit. Wie zegt dat ‘staken niets uithaalt’, moet er dringend de sociale geschiedenis van de 19de en 20ste eeuw op naslaan. Want zonder stakingen en andere vormen van directe sociale actie zou onze samenleving er heel anders uitgezien hebben. Zowat elke belangrijke emancipatorische en democratische maatregel is afgedwongen op straat en aan de fabriekspoorten, lang voordat parlementen hem vormgaven. Het algemeen stemrecht, het stemrecht voor vrouwen en minderheden, het pluralisme in ons onderwijsmodel, de achturendag, betaald verlof, sociale zekerheid, rechtvaardigheid en vrede, al deze zaken zijn bevochten vooraleer ze besproken werden.

We zouden geen democratie zijn, en evenmin een samenleving waarin een bescheiden afkomst geen obstakel is om een florissante kmo op te starten, zonder stakingen en andere heftige actievormen.

Er zijn dan ook weinig voorbeelden van ‘stakingen tegen onszelf’, in weerwil van wat de Van Eetvelts van dit land ons willen wijsmaken, want ook dit is deel van het repertoire van de tegenstrever, die maar al te goed weet dat stakingen hén pijn doen, meer dan de stakers zelf.

Jan Blommaert, Let op je woorden · Politiek, taal en strijd, EPO, 168p, 17,5 euro

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!