about
Toon menu
Interview

Men zegt te snel: ‘Het zal zo erg niet zijn’

In aanloop naar 21 maart, Internationale Dag Tegen Racisme en Discriminatie, publiceert Kif Kif elke week interviews met autoriteiten in verschillende domeinen, om het racisme vanuit meerdere perspectieven te benaderen. Deze week spreekt Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen over de invloed van discriminatie op kinderen. Naima Charkaoui die tevens de functie van beleidsadviseur opneemt bij het Kinderrechtencommissariaat, volgde het interview mee en vulde waar nodig aan.
dinsdag 15 maart 2016

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

We hoeven er niet van achterover te vallen dat jongeren meestal in het onderwijs en hun vrije tijdsbeleving in contact komen met racisme, maar dat wil niet zeggen dat we dit normaal moeten vinden. Het Kinderrechtencommissariaat staat in voor bemiddelingen in het belang van minderjarigen in talloze zaken waarin kinderrechten worden geschonden. Daarnaast trachten ze structurele problemen aan te kaarten en het beleid gevoelig te maken voor deze problematieken.

Kif Kif: Welke zijn de grootste werkgebieden op vlak van de aanpak van racisme bij de doelgroep jongeren in Vlaanderen? Welke interventies ondernemen jullie hiertegen? 

Vanobbergen: Wij zijn een klachten- en ombudsdienst voor kinderen en jongeren en we botsen dus wel vaker op dat thema, ook al is het niet meteen zichtbaar en gemakkelijk te duiden dat het probleem precies daarmee te maken heeft. Spontaan denk ik aan onderwijs als specifiek probleemgebied voor jongeren. Klachten die we daarover binnen krijgen, gaan vaak over kinderen en jongeren met een beperking en hun toegang tot onderwijs. Het M-decreet[1] rond inclusief onderwijs heeft daar voor een gedeelte al een antwoord op gegeven: hiermee wordt de toegang al voor een deel gewaarborgd. Toch blijft dit geen evidentie, want je ziet dat kinderen en jongeren nog steeds op een gebrekkige toegang binnen het reguliere onderwijs blijven botsen.

Daarnaast is er de discussie over het inschrijvingsrecht van kinderen en jongeren met een migratieachtergrond. Zij worden soms geweerd uit bepaalde richtingen, omdat die studierichtingen op dat moment volzet zijn. Maar nadien, als er een plaats vrijkomt in de richting van hun keuze, dan kunnen ze nog steeds niet aansluiten. Bepaalde scholen zijn deze leerlingen liever kwijt dan rijk, maar ondanks de inspanningen van de adolescent zelf, blijven ze weigerachtig. Een vergelijkbare situatie bevindt zich bij de niet-begeleide minderjarigen die op een bepaald moment in het OKAN[2]-onderwijs terechtkomen. Deze groep stroomt blijkbaar moeilijker door naar het ASO of het TSO. De jongeren komen meestal terecht in het BSO. Dit terwijl heel veel jongeren aangeven dat ze ASO of TSO wel aankunnen, maar voor de school is dit blijkbaar geen optie. Ook de doorstroom binnen eenzelfde school is zeldzaam. De jongeren zullen op een bepaald moment verplicht worden om van school te veranderen, dus ook hier bots je op vormen van discriminatie.

OKAN-jongeren geven ook regelmatig aan dat ze het slachtoffer zijn van racistische opmerkingen van leerkrachten. Belangrijk hierbij is om aan te geven dat er zeer sterke verschillen zijn tussen scholen. Het is dus moeilijk om een direct causaal verband aan te tonen tussen onderwijs en racisme. Dit maakt het ook moeilijk om hier algemene uitspraken over te doen, want scholen die heel wat inspanningen leveren, zullen zich hierdoor aangevallen voelen.

We kunnen wel concrete voorbeelden geven van kinderen én jongeren die geconfronteerd worden met discriminatie. Hetzelfde probleem doet zich opnieuw voor bij de toegang tot vrijetijdsbesteding, waar bijvoorbeeld de monitors bij speelpleinwerking geen levensbeschouwelijke symbolen mogen dragen. Is dit dan discriminatie? Volgens mij wel, maar anderen zullen zeggen dat ze wel de toegang hebben mits ze zich aan de voorwaarden houden.

Charkaoui: Dat is inderdaad discriminatie op basis van geloofsovertuiging, maar daar is wel discussie over. Het hangt ervan af of dit als probleem wordt beschouwd natuurlijk. Het moeilijke is ook dat discriminatie vaak op de achtergrond aanwezig is en je dit niet kan hardmaken met bewijzen. Je weet niet altijd in welke mate racisme of discriminatie een rol speelt in een individuele case. Structureel kan je dan wel zien dat groepen oververtegenwoordigd zijn.

Kif Kif: Zou u dan voorstander zijn van praktijktesten? Want op die manier valt natuurlijk te achterhalen of het probleem al dan niet structureel voorkomt.

Vanobberbergen: We hebben daar nog geen standpunt rond ontwikkeld. Maar uit statistieken blijkt dat sommige jongeren, meer dan anderen, het onderwerp zijn van dit soort interventies. Dus ik kan me wel vinden in het idee van praktijktesten. Je kan zeker mogelijkheden bedenken waar dit voor kinderen en jongeren ook mogelijk zou zijn, hoewel dat niet steeds mogelijk of gemakkelijk is natuurlijk.

Kif Kif: Welke zijn de meest opvallende effecten van racisme op kinderen en jongeren?

Vanobbergen: Het belangrijkste voor ons is dat het een reëel probleem vormt, wat niet onder de mat te vegen valt! Als je de individuele verhalen van verschillende jongeren oplijst, kan je niet zomaar zeggen dat er geen probleem is. Wat er ook naar voor kwam, was het onderdrukkende effect dat het onderwijs kan spelen. Maar tegelijkertijd ook de belangrijke rol die een individuele leerkracht kan spelen door hier tegenin te gaan en het op te nemen voor de jongeren. Je zou dan kunnen zeggen: laat ons op zoek gaan naar dat soort leerkrachten. Toch denk ik dat het beter is om dit probleem structureler op te lossen door aan ons onderwijs te werken.

Kif Kif: Zou u dan pleiten voor aanpassingen aan de huidige lerarenopleidingen en expliciet die diversiteit als meerwaarde voor de maatschappij opnemen in het curriculum?

Vanobbergen: Ja, maar niet alleen focussen op de lerarenopleiding. Maar ik vind zeer zeker dat het beleid systemen als deze zou moeten kunnen monitoren. Want nog te vaak worden kinderen, als ze hierover iets signaleren, niet serieus genomen. Men zegt te snel: ‘Het zal wel zo erg niet zijn.’ Op dit moment zijn ze onderzoek aan het voeren naar schoolloopbaantrajecten van jongeren, om vervolgens te kijken naar de etnische achtergrond of de eventuele migratieachtergrond van kinderen. Dat vind ik zeer belangrijke stappen. Als dit duidelijk wordt, dan kan je als beleid niet anders dan structurele oplossingen te zoeken voor het probleem.

We moeten zicht krijgen op bijvoorbeeld het aantal doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs in relatie tot migratieachtergrond. We moeten zicht krijgen op het aantal doorverwijzingen naar het beroepsonderwijs in relatie tot etnische origine, etc.

Kif Kif: Bots je op andere mogelijke discriminatiefactoren als je die problematiek van naderbij bekijkt?

Vanobbergen: Onderwijstaal is er zo een. We zien dat scholen sanctioneren als de kinderen op school geen Nederlands spreken. Hierbij gaat het vaak om een discussie over de inhoud van het begrip onderwijstaal. Is de onderwijstaal de taal die wordt gesproken tijdens het lesgeven of is de onderwijstaal de taal die wordt gesproken op de speelplaats?

Onderzoek toonde ook aan dat zes op de tien kinderen, die binnen een onderwijscontext een andere taal dan het Nederlands spraken, hiervoor in het verleden al werden bestraft. Er moet hier éénduidigheid over komen en we moeten scholen duidelijk maken dat dit een aanpak is waar het beleid niet naar toe wil.

Kif Kif: Het rapport behandelt ook de effecten van zichtbare discriminatie ten aanzien van een ouder op een kind. 

Charkaoui: Natuurlijk weegt zoiets door op het kind, maar ook op het welzijn van de persoon die dat kind moet opvoeden. Op die manier zal het de opvoeding van dat kind mede beïnvloeden.

Kif Kif: Jullie willen dat de aanpak van radicalisering wordt benaderd vanuit een mensenrechtenperspectief. Wat houdt dit in?

Vanobbergen: Preventie zit vandaag zo dicht op de huid van de mensen en zo dichtbij de grenzen van een veiligheidskader, dat we veeleer te maken hebben met repressie. Welzijnswerkers worden bijvoorbeeld geconfronteerd met een spanning tussen hun beroepsgeheim en het verzekeren van de veiligheid. Hiervoor hebben we aandacht gevraagd. Als je een correcte definitie van de situatie wil formuleren, moet je alle betrokkenen in dit proces een plaats geven. Participatie is een essentieel element vooraleer we kunnen komen tot de oplossing van dit probleem.

De oplossingen die nu worden voorgesteld, houden minder rekening met de mensen die het van dichtbij meemaken. Als je naar de individuele verhalen van verschillende moeders luistert, kom je er achter dat de problemen complexer zijn en er op dit moment een verkeerde probleemdefinitie wordt gehanteerd. Momenteel ontbreken de verhalen van de jongeren zelf.

Dit zijn jongeren die op verschillende domeinen worden weggeduwd. Maar zeker deze kwetsbare jongeren hebben nood om in hun identiteit te worden erkend. Binnen het onderwijs is er een grote rol weggelegd om hieromtrent zaken op te nemen in het curriculum. Is er nog wel ruimte om binnen het onderwijs over dat levensbeschouwelijke te spreken?

Op 21.03, van 9u30 tot 15u30 in Campus Blairon 200, 2300 Turnhout, wordt een inspiratiedag georganiseerd door Unia (Interfederaal Gelijkekansencentrum Antwerpen, Mechelen en Turnhout) en hun lokale partners waaronder, ACV, ACLVB, ABVV, Stad Turnhout, vzw Inburgering en Integratie Turnhout, Minderhedenforum, Kif Kif en Samenlevingsopbouw Antwerpen. Deze inspiratiedag vormt een vertrekpunt om concrete stappen te ondernemen in de bestrijding van het racisme. Deelname is gratis, maar inschrijven is verplicht via het online inschrijvingsformulier.

 

 

Voetnoten:

[1]De ‘M’ staat voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte

[2]Onthaalonderwijs voor Anderstalige Nieuwkomers