about
Toon menu

Bolivia tussen 'buen vivir' en extractivisme

Vóór de komende klimaattop eind november 2015 in Parijs werd in het Boliviaanse Cochabamba al een alternatieve conferentie gehouden. Pachamama, Moeder Aarde staat immers hoog in aanzien in het land van president Evo Morales. Het 'buen vivir' (het goede leven) is de uitdrukking van Andeskosmologie- en ecologie.
dinsdag 3 november 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Op economisch vlak worden de tien jaar onder het bestuur van president Evo Morales niet alleen gekenmerkt door respect voor Moeder Aarde maar ook door een toenemend onttrekken van grondstoffen aan die aarde, het extractivisme.

Kunnen ecologische en economische doelstellingen wel met elkaar verzoend worden in wat vice-president Álvaro García Linera de post-neoliberale fase van Bolivia noemt? Het is een vraagstelling die veel verder reikt dan dit Andesland. Ook de ecologische beweging in het Westen is op zoek naar het buen vivir of, anders gezegd, naar Ecopolis aan de gang. 

‘Hoe kun je een omelet bakken zonder eieren te breken?’ Dat vraagt een Braziliaanse boer uitdagend aan journalist Lode Delputte in zijn boek ‘Braziliaanse bloei’. Inderdaad, hoe doe je dat: een land economisch rijker maken zonder dat het ecologisch of sociaal verarmt?

Dat is de vraag waarmee we wereldwijd te maken hebben. Ze stelt zich in de eerste plaats voor landen met enerzijds een grote natuurlijke rijkdom, maar anderzijds een aanzienlijke economische achterstand. Je kunt geen omelet bakken zonder je weet wel… of, anders geformuleerd, je kunt geen nieuwe wegen aanleggen of hydro-energie opwekken, de basis voor een bepaalde vorm van economische vooruitgang, zonder aan de natuur te komen en … aan de inheemse levenswijze.

Dat is het spanningsveld tussen Pachamama (Moeder Aarde in het Aymara en Quechua, twee inheemse talen in Bolivia), het buen vivir en wat extractivismo wordt genoemd. Het zijn termen die in Zuid-Amerika reeds lang ingeburgerd zijn, maar die nu ook meer en meer doordringen in ons taalgebruik. 

Buen vivir en Ecopolis

Nadenken over het ‘goede (samen)leven’ is des mensen en van alle tijden. In de wijsgerige ethiek krijgen we op de vraag ‘Wat is goed leven?’ al 2500 jaar heel andere reacties. Vaak worden ‘goed’ en ‘gelukkig’ met elkaar verward.

Dat vindt ook de Belgische filosoof Philippe Van Parijs. In The World Book of Happiness (2010) schrijft hij daarover: ‘Individueel moeten we streven naar een goed leven, niet naar een gelukkig leven. Collectief moeten we streven naar een rechtvaardige samenleving, niet naar een gelukkige. Met een beetje geluk zal dit streven onze levens en daarmee onze samenlevingen gelukkiger maken. Maar een garantie kan niet worden gegeven.’

Dat het streven naar ‘het goede leven’ een collectief gebeuren is en in de eerste plaats een goed (samen)leven impliceert, is voor de inheemse bevolkingsgroepen uit de Andesregio een vanzelfsprekendheid.

In Bolivia hanteert men meestal de term vivir bien of buen vivir wat de Spaanse vertaling is van het Aymara suma qamaña. In Ecuador spreekt men liever over buen vivir als vertaling van het daar meer gesproken Quechua sumak kawsay. Het gaat in beide betekenissen om de omschrijving van een kwalitatief hoogstaand leven: vida en plenitud betekent zoveel als ‘leven in volheid’, waarin een evenwicht bereikt is, samen met de anderen, tussen het materiële en het spirituele.

De grondwet van Bolivia, maar ook van Ecuador zijn ‘doordrenkt’ van deze diepe betekenis en moeten aldus gelezen en geïnterpreteerd worden. In de twee grondwetten worden de voorwaarden om tot buen vivir te komen opgesomd: recht op water, recht op voedsel en voedselsoevereiniteit, recht op een schoon leefmilieu, recht op onderwijs en gezondheid.

Ook in het denken van de Uruguayaanse sociaal-ecoloog Eduardo Gudynas neemt ‘het goede leven’ een centrale plaats in. Voor hem is buen vivir het tegenovergestelde van Luilekkerland. Inderdaad, wanneer in het Westen over ‘het goede leven’ wordt gepraat, dan denkt men vaak aan een Bourgondische levensstijl met een overvloed aan mogelijkheden om zich over te geven aan de geneugten des levens.

Dit begrip staat diametraal tegenover het westerse mens- en natuurbeeld, waarin welzijn en welvaart voor het individu voorop staan. Gudynas: ‘Buen vivir gaat ervan uit dat welzijn alleen kan bestaan in een gemeenschap, die ook de natuur omvat. De mens maakt immers deel uit van de natuur en staat daar niet tegenover en zeker niet boven.

Buen vivir overstijgt dus het westerse dualisme van natuur tegenover maatschappij, individu tegenover gemeenschap.’[1] Gudynas waarschuwt dat we buen vivir niet moeten opvatten als een ‘terug naar vroeger’-gedachte, naar de prekoloniale tijd van de grote indianenculturen in Zuid-Amerika. ‘Ik propageer geen terugkeer naar de gemeenschappen van jagers-verzamelaars in het oerwoud. Het gaat erom dat de kwaliteit van het leven centraal komt te staan, niet de toename van het bruto nationaal product.’

Groei of rijkdom staan niet centraal, wel het bereiken van het ‘goede leven’ en daarom het beschermen en het voortbestaan van de natuur. Of, nog anders gezegd: het gaat niet over vivir mejor maar over vivir bien, niet het betere leven in overvloed, maar eerder het sobere, maar rijke leven zoals Ton Lemaire het bedoelt in zijn essaybundel ‘De val van Prometheus’, maar ook in ‘Verre velden’ en ‘Mettertijd’.

Je zou deze Nederlandse ecofilosoof ook een westerse ‘inheemse’ denker kunnen noemen. In ‘De indiaan in ons bewustzijn’ schrijft hij: ‘Allen wie zich, met mij, vreemdeling voelen in onze eigen maatschappij, zijn als het ware tot indianen in onze eigen gelederen geworden.’[2]

Zoals ook Eduardo Gudynas gaat Ton Lemaire niet zo ver dat hij de indiaan verheerlijkt als de wijze ecoloog. Hij is op zijn hoede voor wat hij vormen van 'neoprimitivisme' noemt. Lemaire waarschuwt voor een idealisering van de inheemse levenswijze door goedwillende westerlingen en wellicht door hedendaagse indianen zelf.

‘Wij moeten ons hoeden voor een assimilatie van een geïdealiseerde indiaanse authenticiteit aan de verlangens van een vervreemde westerse minderheid. Weliswaar kan vervreemding van de eigen civilisatie onze ogen openen voor de zin van andere culturen, maar het wantrouwen van de ideologiekritiek moet ons ervan weerhouden de Ander te idealiseren of te sublimeren, zoals we trouwens eveneens gereserveerd moeten staan tegenover de verheerlijking door indianen zelf van hun eigen leefwijze en verleden.’ [3]

Ton Lemaire verwerpt het antropocentrische wereldbeeld, waarin de mens de maat van alle dingen zou zijn. Volgens de Nederlandse filosoof is vanaf de moderne tijd de prometheïsche houding van de overmoedige mens die de natuur zou beheersen kenmerkend geworden voor de westerse cultuur. Neen, zegt Lemaire, de mens is niet het centrum van het universum maar een deel ervan. Dat vraagt een soort van kosmisch bewustzijn, het diepe besef van verbondenheid van het menselijke leven met de aarde. Daarvoor verwijst Lemaire naar de inheemse levens- en denkwijze en naar hun verbondenheid met Pachamama.

Buen vivir gaat over levenskwaliteit, maar dan holistisch opgevat: welzijn is enkel mogelijk in een brede gemeenschap die ook de natuur omvat,’ schrijft Dirk Holemans van Oikoszeer terecht, eveneens geïnspireerd door Ton Lemaire . [4]

De ecologische beweging in het Westen neemt afstand van de Eurocentrische traditie en vindt in het buen vivir een inspiratiebron in haar zoektocht naar Ecopolis, naar een samenleving waarin verbondenheid met de anderen en met de natuur een vanzelfsprekendheid is. Het gezamenlijke en zorgzame beheer van de commons (of in het Nederlands de meent of gemeenheid) op basis van duidelijke regels speelt daarin een belangrijke rol.

De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis wijst er op in ‘De utopie van de vrije markt’ en nu ook weer in ‘Erfenis zonder testament’ dat ook in het pre-kapitalistische Westen de commons een belangrijke rol hebben gespeeld. ‘In de middeleeuwen was de meent dat deel van de omgeving dat buiten iemands huisdrempel en eigendom lag, maar waarop hij een erkend gebruiksrecht had,’ schrijft hij in ‘Erfenis zonder testament’.

‘Dat recht betekende dat hij de meent kon gebruiken om ermee in het levensonderhoud van zichzelf en de zijnen te voorzien, maar nooit om er geld of winst mee te maken. Het gebruik ervan was dus niet willekeurig en vrij, maar gereguleerd zoals ook in de Andesregio. Solidariteit van allen met allen is het belangrijkste overlevingsprincipe in een onherbergzame omgeving waar schaarste eerder regel dan uitzondering is. Ayni is een kernbegrip bij de Aymara’s. Het staat voor wat wij wederkerigheid of reciprociteit noemen.

De Gentse antropoloog en Aymarakenner Koen De Munter, nu werkzaam in Chili, verwijst ook naar het belang van wederkerigheid op het vlak van sociale interactie. Het is een gebruik om binnen de gemeenschap om beurten voorname taken op te nemen. ‘Het is als het ware een eer voor de Aymara’s om verantwoordelijk te kunnen zijn voor bijvoorbeeld het schooltje van het dorp, ook al woont die man of die vrouw intussen in de stad. Hoe ouder hij wordt, hoe belangrijker de taken die hij kan opnemen voor de gemeenschap. Wat hij terugkrijgt – want hij moet veel geven, onder meer om de feesten van de rituele kalender te organiseren – wordt niet vertaald in geld, maar in groeiend aanzien en respect van zijn groep.’

Extractivisme

(foto Jan Rossel)

Hoe past nu die diepe betekenis van buen vivir in het politieke plaatje van het huidige Bolivia? Volgens Álvaro García Linera, die naast politicus ook socioloog is, blijft Bolivia in de post-neoliberale fase van dit ogenblik kapitalistisch in de marxistische betekenis van het woord, maar toch niet helemaal. Die eigen vorm van plaatselijk kapitalisme noemt Linera het ‘Andino-Amazone kapitalisme’ waarin het communautaire, het buen vivir en de sociale en solidaire economie een zeer belangrijke rol spelen.[5]

Het is vanuit die filosofie dat ook de begrippen ‘ontwikkeling’ en ‘productie’ zouden moeten worden begrepen, maar hier wringt nu juist het schoentje dat extractivisme heet. Volgens Naomi Klein in ‘No time’ gaat het in die economische benadering om een niet-wederkerige, op overheersing gerichte relatie met de aarde, een relatie van alleen maar nemen.

In Bolivia, maar ook in Ecuador hebben de linkse regeringen van de economische groei en stabiliteit een niet onbegrijpelijke prioriteit gemaakt. Linera zegt het zo: ‘We moeten een industriële basis creëren om duurzame rijkdommen te genereren om de levensomstandigheden van de arbeiders te verbeteren in de stad en op het platteland. Het gaat over ‘het humaniseren van de natuur en het naturaliseren van de mens’.

'Dat is de betekenis van ons project: wij gebruiken de wetenschap, de technologie en de industrie om te kunnen produceren – hoe moeten wij anders wegen aanleggen, verzorgingscentra en scholen oprichten die onze samenleving nodig heeft? – met behoud van de natuur zowel voor ons als voor de volgende generaties.’[6]

Een extractivistisch ontwikkelingsmodel is voor de linkse regeringen in Bolivia en Ecuador haast onvermijdelijk om een sociale herverdelingspolitiek te kunnen voeren. De exploitatie van de lithiumvoorraden in de salar de Uyuni, de grootscheepse gasexploitaties in het oosten van het land en het aanleggen van pijplijnen, de lancering van de eerste Boliviaanse satelliet Túpac Katari, de bouw van een aantal stuwdammen op de Rio Madera, het aanleggen van een nieuwe verbindingsweg die door een natuur- en inheems gebied zijn zo enkele voorbeelden van wat Eduardo Gudynas, die voor het Centro Latino Americano de Ecología Social (CLAES) werkt, ‘neo-extractivismo’ of een vorm van Keynesiaans neoliberalisme noemt.

Ook in de buurlanden van Bolivia, vanuit de koloniale periode eveneens grote grondstoffenleveranciers, is dat extractivisme sterk aanwezig. In het kleinere Andesland Ecuador bijvoorbeeld. Alberto Acosta, auteur van een boek over buen vivir, hield dit jaar de slottoespraak op Ecopolis, de opvolger van het Groene Boek.

Deze voormalige medestander van president Rafael Correa was ooit minister van Energie en Mijnbouw en lag mee aan de basis van de nieuwe Ecuadoraanse grondwet. Hij is niet mals over de extractivistische politiek van Ecuador. ‘Regeringen, zoals ook de huidige, zijn niet in staat de vloek van het exploitatiemodel te overstijgen door concrete stappen te zetten die de overgang van onze economie bevorderen naar minder afhankelijkheid, nationale integratie en naar uitbreiding van de interne markt. Dit vraagt een duurzaam en rationeel gebruik van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen op basis van allianties, overleg en consensus, die kunnen leiden tot een buen vivir dat werkelijk loodrecht staat tegenover het ontginningsmodel van mijnen en ruwe olie.’ [7]

Dat ontginningsmodel is niet eigen aan een kapitalistische onderneming, want zoals ook de Amerikaanse socioloog en econoom Saskia Sassen in haar laatste boek ‘Uitstoting’ beschrijft, duikt een extractivistische politiek in totaal verschillende politiek-economische systemen op. Inderdaad, ook Marx was een voorstander van het produceren om te produceren en was meer dan een koele minnaar van Moeder Aarde. De grote 19de-eeuwse filosoof was natuurlijk ook een kind van zijn tijd.

Buen vivir en extractivismo staan dus niet op goede voet met elkaar. Ook in Peru waar er grootscheepse mijnontginning plaatsvindt, doet zich die spanning gevoelen. Latijns-Amerika watcher Georges Spriet schrijft het zo in het tijdschrift Vrede: ‘De grootschalige mijnbouw en de enorme stuwdammen worden in niet weinig gevallen ontworpen of verdedigd door diegenen die zich opwerpen als beschermers van de natuur, het milieu en het buen vivir. In Peru is er een race aan de gang tussen machtige staten en multinationals om zich de commons toe te eigenen tegenover een lokale bevolking die zich daar heftig tegen verzet. Dit is fundamenteel een strijd over welk ontwikkelingsmodel het land wil volgen. Het is evenzeer een existentiële strijd, zeggen de inheemsen, over de betekenis van het leven op aarde, kortom over menselijke waardigheid.’

Ook het IMF en de Wereldbank zijn al jaren verspreiders en ondersteuners van de logica van het extractivisme. Dat bleek eens te meer toen begin oktober 2015 in Lima de jaarlijkse bijeenkomst van die internationale organisaties fel gecontesteerd werd door een uitgebreid Plataforma Alternativa waarop onder meer Joseph Stiglitz, een voormalig Wereldbank-econoom, het woord voerde. Hij klaagde aan dat de Peruaanse staat, onder leiding van WB en IMF, al twee decennia lang een uitgesproken extractivistische economische politiek voert.

Nog maar enkele maanden geleden benadrukte IMF-presidente Christine Lagarde dat de grote voorraad aan natuurlijke rijkdommen Peru op enkele jaren tot op het ontwikkelingsniveau van Canada en Australië zou kunnen brengen. Uit een Peruaanse studie van Convoca blijkt dat sinds 1994 ongeveer dertig procent van alle financiering voor extractivistische projecten afkomstig is van de International Finance Corporation van de Wereldbankgroep. [8]

Het is zeker niet toevallig dat de aanwezigheid van inheemsen op dat Plataforma Alternativa bijzonder groot was. Bij de inheemse bevolking bestond er altijd al een grote schroom in de omgang met de natuur. Er werden grenzen gesteld aan het gebruik ervan. Er werd wel degelijk aan mijnbouw gedaan, maar die activiteit werd omgeven door allerlei riten en taboes, want je gaat niet zomaar wroeten in de schoot van je moeder.

Ook Naomi Klein, nochtans sympathiserend met wat er in die Andeslanden politiek aan het gebeuren is, wijst er in ‘No time’ op dat Bolivia en Ecuador er tot nu toe niet in geslaagd zijn een economisch model te vinden waarvoor geen extreme hoeveelheden eindige hulpbronnen gewonnen moeten worden, vaak tegen een enorme ecologische en menselijke prijs.

De Boliviaanse vice-president Linera probeert extractivisme en buen vivir met elkaar te verzoenen, althans theoretisch, maar dat blijkt niet in goede aarde te vallen, want de reacties van de inheemse groeperingen, milieuorganisaties en andere drukkingsgroepen uit het maatschappelijk middenveld worden steeds feller. Het schijnbaar onverzoenlijke verzoenbaar maken. Hoe doe je dat? Het nieuwe institutionalisme dat in Bolivia, en ook in Ecuador, vorm krijgt, probeert dat. De uitdaging is niet om van een ‘te weinig’ naar een ‘te veel’ over te schakelen, maar om maat te houden, om een gezond metabolisme te realiseren tussen mens en natuur. 

Tussen staat en straat

Al die kritiek op het extractivisme is niet naar de zin van de regering-Morales die via een doorgedreven renationalisatie en centralisatie haar sociale herverdelingspolitiek probeert door te voeren. Ondanks een derde verkiezingsoverwinning laat een deel van de nieuwe sociale bewegingen die Morales in 2006 aan de macht geholpen heeft, een kritische stem horen. De Boliviaanse staat wordt daar zenuwachtig van en probeert die kritiek te pareren en niet altijd op een fraaie manier.

Veel televisiekanalen die in het verleden kritisch waren in verband met maatregelen van Evo Morales en zijn partij MAS (Movimiento Al Socialismo), hebben de afgelopen jaren hun toon aangepast en worden dan ook rijk voorzien van overheidspubliciteit. De enkele media die hun onafhankelijke blik wel proberen te bewaren (zoals Red Erbol, de krant Pagina Siete en bepaalde debatprogramma’s op de televisie) hebben het nu economisch zwaar te verduren.

Een andere sector die de afgelopen jaren met steeds meer controles te maken krijgt, is de ngo-wereld. Eind 2013 werd de Deense ngo IBIS officieel Bolivia uitgezet, wegens “politieke activiteiten”. IBIS ondersteunde onder andere Red Erbol en verschillende organisaties die de rechten van inheemse volkeren verdedigen.

Vooral Álvaro García Linera trekt in woord en geschrift ten strijde tegen ngo’s die de winning van grondstoffen bemoeilijken. ‘Die moeten het land uit’, sprak hij ferm. ‘Deze ngo’s wijden zich aan leugens, aan valse data, aan bedriegen’, zo sprak Alvaro Garcia Linera zich uit over vier grote nationale ngo’s: CEDIB, CEDLA, Fundación Tierra en Milenio die al jarenlang actief zijn in het Andesland.’ [9]

Bovendien beschuldigde hij ze van “politiek bedrijven” en dreigde hij vervolgens met het uitzetten van ngo’s die zich mengen in de politieke zaken van het land. Zo werd er onlangs een omstreden wet aangenomen over de juridische registratie van nationale ngo’s. Zij worden nu onder andere verplicht om in hun eigen statuten te vermelden dat zij volgens de ontwikkelingsplannen van de overheid zullen handelen. Als zij zich hier niet aan houden, kan hun legale juridische status ingetrokken worden zonder enige vorm van proces.

Oscar Olivera, vakbondleider en woordvoerder van de wateroorlog van 2000 in Cochabamba, vindt de slogan van de regering-Morales ‘besturen al gehoorzamend (aan het volk)’ maar volksverlakkerij: ‘Het volk beslist niet. De regering beslist. De rechten van de inheemsen en van Moeder Aarde, alhoewel verankerd in de grondwet, worden niet gerespecteerd. Het zijn slechts woorden.’ [10]

De Chileense sociologe en activiste Marta Harnecker merkt op dat linkse regeringen zoals de Boliviaanse breken met de traditionele marxistische visie dat de burgerlijke staat via een revolutie of een burgeroorlog moet worden veroverd en dat deze regeringen nu op zoek moeten naar een nieuwe grammatica voor links. Hoe die er zal uitzien is nog niet duidelijk. Dat zal moeten blijken uit het proceso de cambio, het veranderingsproces dat in landen zoals Bolivia volop aan de gang is.

Ook de Ecuadoraan Alberto Acosta benadrukt terecht het belang van overleg en consensus om te komen tot het goede samen-leven, anders loopt het mis. Buen vivir gaat immers niet alleen over hoe de mens tegenover de natuur staat, maar ook over de onderlinge verhoudingen in een samenleving en wie het bestuur ervan in handen krijgt. Buen vivir is een totaalconcept dat zowel betrekking heeft op de economisch, sociale als politieke ordening van een samenleving.

In de ayllus, de kleine inheemse gemeenschappen in de hoge Andes bestaat een rotatief politiek systeem. Men stelt zich in die gemeenschap geen kandidaat voor een politieke functie, maar het lid dat als het meest geschikt wordt beschouwd om leiding te geven, wordt aangewezen. In een ayllu wordt men dus tegen wil en dank ‘politicus’.

De representatieve democratie in het Westen, maar eveneens in linkse regimes zoals Bolivia, is aan democratische slijtage onderhevig. De burger, of hij nu Boliviaan of Belg is, moet coproducent kunnen worden van politieke beslissingen. In die zin draagt het recente pleidooi van Luc Huyse in ‘De democratie voorbij’ voor een participatieve democratie een universeel karakter, of het nu gaat over een megastuwmeer, een nieuwe weg of … een oplossing voor de Antwerpse mobiliteitsproblematiek.

De inbreng van alle betrokkenen moet mogelijk zijn en blijven op alle relevante momenten binnen een beleidscyclus. Een participatieproces start in het begin van de besluitvorming, loopt door in de onderzoeksfase en eindigt na de realisatie van het project, in de evaluatiefase. Dat gehele participatieproces moet een inclusief karakter hebben: alle relevante maatschappelijke groepen moeten een echte kans krijgen om hun inbreng te hebben. Anders ontbreekt het brede en diverse draagvlak voor beslissingen in het algemeen belang. Een staat die daarmee geen rekening houden komt vroeg of laat in botsing met de straat.

De Uruguayaanse linkse intellectueel Raúl Zibechi zegt het zo: ‘Bolivia blijft het toneel van een strijd om de macht. Het is een interessante case omdat de regering-Morales, ondanks een indrukwekkende verkiezingsoverwinning, op dit ogenblik veel tegenwind krijgt. Dit is de paradox van vele linkse regeringen: zij sluiten de rangen om hun macht te behouden, maar zij weten niet goed om te springen met de dynamiek van de sociale bewegingen aan de basis.’[11]

[1] Het goede leven: iedere regio zoveel mogelijk zelfvoorzienend. Zie: Both Ends, connecting people for change

[2] Ton Lemaire, De indiaan in ons bewustzijn, p. 303

[3] Ton Lemaire, op. cit. p. 303

[4] Voorbij het grensland ligt Ecopolis. In: Oikos 2015/3, p. 33

[5] Le Monde Diplomatique van september 2011

[6] Idem als 5

[7] ‘Kan mijnbouw in Ecuador duurzaam zijn?’ Zie tijdschrift Esmeraldas van oktober en november 2011

[8] Michael Wilson, Thousands reject the extractivist logic at the World Bank-IMF meeting in Peru, upsidedownworld van 21 oktober 2015

[9] Suzanne Kruijt, www.dewereldmorgen.be van 19 augustus 2015

[10] Chris Williams and Marcela Olivera, Can Bolivia Chart a Sustainable Path Away From Capitalism? www.truth-out.org van 28 januari 2015

[11] Bolivia after the storm, Bolivia Rising, 27 maart 2011

reacties

Eén reactie

  • door Meikecarmen op dinsdag 3 november 2015

    Het "Allin Kawsay" (goede leven ) wordt in Perú niet alleen bedreigd door de mijnontginningen maar ook door het "Narcotrafico" (cocainetrafiek) waar Europa een groot deel van de verantwoordelijkheid voor draagd .(Perú is de grootste Coca producent op wereldvlak en de ecologische schade en sociale shade, geweld zijn erg hoog)

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties