about
Toon menu
Opinie

Waarom Hart Boven Hard gelijk heeft

"Hart Boven Hard klinkt conservatiever dan politici", schreef Filip De Rynck in de Standaard van 28 mei. Hij had het over de oproep van de burgerbeweging om gehoord te worden inzake de overheveling van de lokale middelen. Een paar dagen later repliceerde Luc Huyse dat de bezwaren van het middenveld alarmerend zijn, maar zeker niet simplistisch. Een oproep tot nuance in dit debat.
dinsdag 2 juni 2015

Aan de vooravond van de hoorzitting in het Vlaams Parlement naar aanleiding van een petitie van Hart Boven Hard, is het belangrijk wat nuance in het debat te brengen. In de redenering die De Rynck opzet, waarin Hart Boven Hard al vlug in de conservatieve hoek wordt gezet, ontbreken immers vijf zaken:

  1. Het doordenken van de reële financiële toestand van gemeentes die wel degelijk keuzes maken wegens besparingen.
  2. De specifieke consequenties van die besparingen in het middenveld.
  3. Het verlies van kwaliteitscontrole (oormerking) als inhoudelijk probleem bij deze decentralisatie.
  4. De ongeschreven wet dat hoe dichter je op je éne subsidieverstrekker zit (lokale bestuur) hoe minder elleboogruimte gegeven wordt, en hoe minder politieke ruimte ingenomen wordt.
  5. De nuances inzake het type dienstverlening en type burger in een meer regionale aanpak waarvoor De Rynck pleit.

We trachten een uitgebreide repliek te geven op Filip De Rynck als antwoord op zijn oproep tot meer nuance in dit debat. We doen dit met voorbeelden uit het jeugdwerk, omdat we het meest vertrouwd zijn met die sector.

We doen net alsof het niet zo is

De Rynck raakt in zijn stuk meteen de besparingen aan in zijn Europese dimensie. En dat is meer dan terecht. Maar de besparingen die men in Vlaanderen en België doorvoert hebben een Europese dimensie. Ook de begrotingsinstrumenten zijn op meerdere schaalniveaus doorgevoerd, tot op het niveau van lokale besturen die gedwongen worden tot strakke begrotingen in evenwicht. De financiële putten van gemeentes moeten gedicht, en Vadertje Vlaanderen kijkt toe als een strenge huisvader.

De financiële put kwam tot stand door een gecombineerde reeks van gebeurtenissen en beslissingen. Andere schaalniveaus en instituties dragen een grote verantwoordelijkheid, zowel de federale als de Vlaamse overheid, als bancaire instituties. De financiële problemen ontstaan op zich niet door schuld maar door (1) de crisis: minder personenbelasting-inkomsten, miljoenen aan kapitaal en bijkomende miljoenen euro’s aan jaarlijks dividend Dexia kwijt, door de kapitaalverhogingen via de Gemeentelijke Holding aan Dexia, en (2) beleidskeuzes: de liberalisering van de energiemarkt met minder dividend, de pensioenlast van de gemeenten die vanaf 2011 volledig op last van gemeenten komt, de politiehervorming en brandweerhervorming en het stedenfonds,…

Bij ongewijzigd beleid dreigde in Gent bijvoorbeeld een exploitatietekort van 105 miljoen euro. Daarnaast investeerden overheden ook in vastgoedprojecten, architecturale pareltjes en allerlei evenementiële hefbomen die de Stad terug op de kaart zouden zetten. Zelfs voetbaltempels werden paradepaardjes die de belofte van inkomsten moesten waarmaken. Het gat in de begroting werd via de intercommunales verborgen. Er werden allerlei trucen van de foor toegepast zoals een erfgoeddepot in Gent dat per jaar 500.000 euro kost aan huur in het Ghelamco-stadion.

De financiële put van gemeentes komt ‘ook’ door keuzes die ze zelf maakten. In elk geval, de budgetnood is hoog. Zo verkopen lokale besturen hun patrimonium en verkwanselen daarmee hun kansen op 'sturing'. Er is ook de uitverkoop van publieke gronden van OCMW's via de stadsontwikkelingsbedrijven. Decentraliseren we middelen zonder oormerking of kwaliteitseis of de verplichting die ergens aan te besteden, dan is het niet onzinnig te denken dat die middelen letterlijk putten gaan vullen, aangericht door deze besparingshysterie. De besparingen zijn niet zomaar een item dat de revue kan passeren. Ze zijn fundamenteel en ze grijpen rechtstreeks in op het alledaagse beleid en de dienstverlening.

Snoeien om te groeien?

Er wordt wel degelijk bespaard door lokale besturen op dienstverlening. De Rynck vraagt zich af wie er organisaties of dienstverlening gaat sluiten? Kijken we maar naar Antwerpen daarvoor? Zoals De Rynck stelt is het middenveld inderdaad niet heilig, en niet alles wat men doet is goed. Dat klopt, maar om in dezelfde allegorie te blijven, besturen zijn eveneens zo transparant als het Vaticaan in hun besparingskeuzes. Kortom, wat 'goed' is en dus 'kan behouden blijven', is niet zo evident als hier wordt voorgespiegeld.

De besparingen op subsidies aan dienstverleners uit het middenveld zijn trouwens al jaren aan de gang door niet-indexering van lonen, waardoor de verliesposten bij middenveldorganisaties accumuleren. Cijfers via bevraging bij 700 Belgische verenigingen tonen aan hoe ernstig de situatie is vanwege de besparingen. In 2013 hadden 1 op 3 verenigingen het financieel moeilijk, met de verwachting op slechter1. In de jaren erna hebben we dezelfde tendens, het aantal verlieslatende vzw stijgt, ongeacht hun grootte2. Deze metingen werden gedaan voor zowel grote als kleine verenigingen en over sectoren heen (sociaal welzijn, cultuur, milieu, ontwikkelingssamenwerking, gezondheid).

Dit toont zich rechtstreeks in een vermindering van loonmassa. Dat is niet toevallig, want bij de meeste verenigingen in het middenveld valt er weinig te schrappen op werkingsmiddelen. De besparingen vertalen zich dus in 'mensen laten gaan' of 'contracten niet invullen'. We kunnen getuigen als leden van verschillende raden van bestuur: het water staat niet meer aan de lippen, het staat er ver boven. Dit vertaalt zich naar iedereen in de organisatie en naar de dienstverlening die deze organisaties nog kunnen waarmaken.

Een niet te onderschatten gegeven is eveneens het vergroten van de belasting bij mensen die in deze verenigingen werken. Omdat enerzijds besparingsacties gaandeweg werden gedaan (waar mogelijk) op werkingsmiddelen, infrastructuur en personeel, kunnen we aannemen en vanuit ervaring getuigen, dat de werkcondities achteruitgegaan zijn. Mensen werken met minder materialen, in slechtere gebouwen en met minder mankracht. Posities worden niet direct ingevuld om zo financieel de zaak dicht te rijden. Dit vaak in sectoren met relatief lage lonen en weinig andere sociale voordelen. Dit alles zorgt ervoor dat mensen opgebrand geraken of zijn. De draagkracht loopt op zijn einde en dat wordt versterkt als ook de basisopdracht van de vereniging niet meer waargemaakt kan worden.

Tegelijkertijd wordt de planlast bij organisaties om zich te verantwoorden groter, alsook de kwaliteitseisen die gesteld worden door lokale besturen. Toenemend is men bezig met meten en registreren. De mensen over wie het eigenlijk moet gaan zijn hier het slachtoffer van. Hoe dan ook, dat daarvoor meer expertise en ervaring (dus anciënniteit) nodig is, die meer geld kost wordt onder het tapijt geveegd. De besparingscontext erkennen, zoals De Rynck terecht doet, is één ding. Die hele besparingscontext doordenken tot op het niveau van de alledaagse werking van dienstverleners is een andere kwestie.

Het stramien van nauwere financiële ruimte voor verenigingen, is nu meer dan ooit aan de orde in talrijke organisaties in bovengenoemde sectoren. Om nog een voorbeeld te geven: de decentralisatie van federaal naar Vlaams inzake de GESCO's3 zal ook als besparing gebruikt worden, waar Vlaanderen de RSZ kortingen netjes afroomt, en het middenveld alweer het gelag betaalt. Als hier bovenop via decentralisering nog een aantal besparingen doorgevoerd worden, dan is dat geen creatie van 'innovatieve ruimte', maar afbraak van basisaanbod. Dit ligt sterk in lijn met de discussies omtrent de participatiemaatschappij en de trends naar vermaatschappelijking.

What’s in a word?

Een derde bezorgdheid betreft de inhoud van die decentralisatie. Decentralisatie van de middelen naar het lokale niveau wordt al vlug een bestuurstechnische discussie over lokale autonomie, over 'beleid dichter bij de burger' en vertrouwen in het lokaal bestuur en democratie. Bij kritiek wordt een batterij retorische argumenten gelanceerd over het onderschatten van de bestuurskracht, over de Vlaamse bestuurlijke moloch die ‘regelneverij op afstand’ als belangrijkste taakstelling heeft en over de burger die zich nooit een verworven recht en dienst zal laten afsnoepen. Het lokale bestuur wordt al te vlug voorgesteld als een niveau waar innovatie floreert, democratie de Leitkultur is en democratische inspraak de regel lijkt. We kunnen ons niet ontdoen van de zwart-witindruk over lokaal-centrale verhoudingen.

Willen we nuance in dit debat, dan lijkt het goed ons te baseren op feiten en vooral op de inhoud van deze decentralisatie. Van bovenaf gelanceerd zonder veel democratische inspraak of consultatie, gaat ze gepaard met verlies van kwaliteitscontrole (oormerking) als inhoudelijk fundament voor decentralisatie. Veel steden bezitten in principe de capaciteit voor kwaliteitscontrole op bijvoorbeeld jeugdwerk maar veel gemeentes hebben dat ambtenarenapparaat niet. Dat zal zorgen voor enorme verschillen in dienstverlening. Als decentralisatie enkel en alleen een besparingsoperatie is, en dat is meer dan een indruk of paniekscenario, dan stelt zich hier een enorm probleem. Volgens De Rynck wijst Hart Boven Hard hier trouwens terecht op het gevaar van ruimtelijke ongelijkheid die dreigt te vergroten tussen sterkere steden en institutioneel zwakkere gemeentes.

We geven een voorbeeld vanuit landelijk jeugdwerk. Waar we merken dat vroeger organisaties een volwaardig aanbod konden vormgeven in kleinere gemeenten vanuit Vlaamse subsidies, zien we dat dit niet meer haalbaar is binnen de huidige regelgeving. Dit betekent dat bepaalde organisaties geen lokaal jeugdwerk op structurele basis kunnen vormgeven en dat gemeenten zelf op zoek moeten naar middelen. Dat is een moeilijke zaak voor sommige kleine gemeenten die de financiële middelen niet hebben om volwaardig jeugdwerkaanbod te ontwikkelen. Dat betekent immers inzet van mensen en dat is duur. Ofwel valt dit aanbod dan weg, ofwel wordt er via projectmatige, kortstondige of beperkte fragmentaire inzet aanbod ingekocht.

Zoals vermeld is die afbraak van kwaliteit en zekerheid over de inhoud van dienstverlening al langer gaande. Een ander voorbeeld uit het jeugdwerk. De Vlaamse overheid subsidieert de lokale besturen om een lokaal jeugdbeleid te voeren. Tot 2014 stond daar tegenover dat steden en gemeenten een lokaal jeugdbeleidsplan moesten opmaken. Dit werd ervaren als planlast. Vandaag volstaat dat ze in het meerjarenplan acties vastleggen met betrekking tot drie Vlaamse beleidsprioriteiten, waaronder het bevorderen van de participatie van maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Het hoeft weinig uitleg dat dit niet altijd gedaan werd, of veronachtzaamd werd. Vanaf 2016 voegde de Vlaamse regering deze sectorale middelen zonder oormerking – zonder garantie dat die middelen worden gebruikt voor jeugdbeleid – toe aan het gemeentefonds. Met het verdwijnen van achtereenvolgens het jeugdbeleidsplan en de Vlaamse beleidsprioriteiten en bijhorende oormerking van middelen, heeft de Vlaamse overheid geen instrumenten meer om het lokaal jeugdbeleid te stimuleren.

Minister Gatz pleit momenteel in zijn beleidsnota enerzijds voor het monitoren van de impact van het Vlaamse beleid op het lokaal jeugdbeleid. Wat is het gevolg van het verdwijnen van de Vlaamse beleidsprioriteiten en de oormerking? Anderzijds voor het benchmarken van steden en gemeenten: welke stad of gemeente kan een referentie zijn voor de collega’s? Dat eerste is nobel, maar weinig haalbaar als er niet gewerkt wordt met een grondige studie waarbij men uitgaat van een degelijke nulmeting en een longitudinale opvolging. 

Het tweede, het 'leren van elkaar'-model, waarbij 'good practices' gedeeld kunnen worden, gaat uit van een wat naïef idee dat interventies of acties zomaar transponeerbaar zijn. Kijken we bijvoorbeeld naar het label 'kindvriendelijke steden', dit label krijgen steden die voldoen aan een aantal criteria rond kindvriendelijk beleid. Het is echter een veruitwendiging van wat in ruimere zin maatschappelijk problematisch is. Een kindvriendelijk beleid is iets wat een continue en cyclische beweging inhoudt waarbij het beleid telkens afgetoetst wordt aan de basis. Dit kindvriendelijke beleid in een soort prijzenidee gieten houdt het risico in dat men deze inhoud gaat ontdoen van dit wezenlijke proces. Dit label kan geen vervanging zijn van een degelijke opvolging van of controle op het lokale jeugdbeleid. De afbouw van Vlaamse sturing leidt geenszins automatisch tot kwaliteitsverhoging. Dat komt omdat 'Vlaanderen' zich niet beperkt tot regelneverij, maar ook kwaliteitsvolle ambtenarij heeft die kritisch blijft bevragen.

Volgens De Rynck geldt dat (Vlaamse) regelgeving op termijn minder opbrengt door de wet van 'afnemende meerwaarde van regelgeving'. Er zijn echter voorbeelden waar de meerwaarde ook kan blijven wanneer er wel geïnvesteerd wordt en voldoende kracht ontwikkeld kan worden in een samenwerking tussen het beleid (op verschillende niveaus) en het middenveld. Dan ontstaan er wel degelijk heel krachtige en innovatieve zaken. We zien voorbeelden zoals ‘de proeftuinen’ in samenwerking met het Vlaamse niveau, waarbij er aanbod werd ontwikkeld op maat van en samen met mensen in armoede, tot trajectbegeleiding op lokaal niveau in Gent. Dit aanbod is er dankzij volwaardige en structurele inzet van middelen en wordt opgepikt door andere voorzieningen in Vlaanderen. Innovatie ontstaat vooral als er ruimte is om te innoveren en niet als er crisis is. Het adagium 'never let a good crisis go to waste' gaat dus niet op, op dat moment ontstaat geen innovatie, maar afbouw en deconstructie.

Wiens brood men eet…

Hiermee komen we tot een vierde belangrijke lacune in het betoog van De Rynck. Het is een ongeschreven wet dat hoe dichter je op je éne subsidieverstrekker zit, voor het jeugdwerk nu al het lokale bestuur, hoe loyaler en voorzichtiger je je opstelt om die ene bron van inkomsten niet op te laten drogen. De voorbeelden zijn legio. Het lokale jeugdwerk waarvan De Rynck de kwaliteitsverhoging veronderstelt, is in de praktijk vaak een worstelen met de directe lokale subsidieverstrekker. Op dit lokale niveau is de afstand tussen middenveldorganisatie en broodheer quasi afwezig. Dat zorgt ervoor dat op het terrein de stem en de politieke positie van het jeugdwerk zijn verminderd en verzwakt. De disciplinering van bovenuit samen met enige zelfdiscipline hebben ervoor gezorgd dat het middenveld, ook en vooral op het lokale niveau door decentralisatie, loyaler werd en in een uitvoerende rol terechtkwam.

Om dat concreet te maken, jeugdwelzijnswerk heeft een drievoudige opdracht: (1) een aanbod uitwerken waarbij kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties kunnen deelnemen aan kwaliteitsvolle vrijetijdsactiviteiten, (2) werken op de brug naar andere maatschappelijke instituties zoals onderwijs, tewerkstellingssector, welzijn, sportvoorzieningen, cultuur, en (3) signaal en belangenbehartiging ten aanzien van deze instituten als rechten van de bereikte kinderen en jongeren in het gedrang komen. Dit kan leiden tot een heel re-actieve en activerende houding ten aanzien van het beleid in bijvoorbeeld dossiers waar rechten van Roma-kinderen systematisch in het gedrang komen. Dit kan (we poneren het hier even als potentieel verhaal …) een doorn in het oog zijn van een lokaal bestuur die 'de vuile was' liever binnenskamers houdt. De stap naar een conflictueus model waar rechtstreekse macht uitgeoefend wordt is snel gezet. Uitspraken als 'je moet niet verwachten van autonomie te hebben als je 95% van de middelen van ons krijgt' zijn niet uit de lucht gegrepen. Dit zorgt voor een precaire situatie van de organisatie die enerzijds haar opdracht wil waarmaken en anderzijds geconfronteerd wordt met de dreiging van bestaanszekerheid.

We zien met andere woorden dat er tussen lokale besturen en sociale dienstverlening die werken met mensen in structurele achterstelling, vaak situaties optreden waarbij macht negatief reguleert. Hiermee komt de organisatie in dezelfde kwetsbaarheid terecht als de personen voor wie ze opkomt. Laten we het 'de wet van de straffende betrokkenheid' noemen. Dit spanningsveld wordt gemilderd door machtsregulatie in de vorm van opdrachtbepaling in Vlaamse regelgeving. Dit betekent niet dat ditzelfde spanningsveld zich niet stelt, maar meerschalige regulatie door verschillende subsidieverstrekkers geeft meer marge en bewegingsruimte. Dat kan enkel de lokale democratie versterken en de kwaliteit van de dienstverlening ten goede komen.

Schaalvergrotingen en regionale structuren?

Een laatste bekommernis betreft het zoeken van oplossingen in fusiebewegingen en bovenlokale samenwerking. Heil zoeken in regionale dienstverlening kan deels werken, maar daar los je het fundamentele probleem van onderbemanning niet mee op. Voor bepaalde inhouden en soorten aanbod kan de schaalgrootte sterk bovendien problematisch kan zijn. Aanbod dat zich ontwikkelt in nauwe aansluiting met de leefwereld van precaire groepen in de samenleving, is gediend met organisaties die dicht bij de mensen staan op uitvoerend en beleidsniveau. Grotere structuren dragen meer risico in zich tot regelgeving en uitgebreide procedures die het veldwerk meer in de weg zitten dan ondersteunen. Getuige hiervan o.a. de evoluties in de jeugdzorg.

Bovendien kunnen zo'n structuren eveneens machtsongelijkheid creëren en bestendigen, zodat veldwerkers die heel veel ervaringsexpertise hebben gereduceerd worden tot uitvoerders van zorg in plaats van belangrijke actoren en medebeleidsmakers. Systemisch is dit trouwens sterk vergelijkbaar met een beleid dat geen autonomie en handelingsruimte van onderuit toelaat. Ook in organisaties zelf kan dit ontstaan als belangen van bovenbouw en veldwerk meer en meer wegdrijven van elkaar. Dit is één van de redenen om te pleiten voor een weinig hiërarchisch systeem van aansturing en voldoende contact met 'het veld' en de leefwereld van mensen waarmee men werkt in dergelijk sociaal werk.

Regionale dienstverlening en schaalvergroting brengt bovendien vragen naar de oppervlakte over om welk type dienstverlening het gaat, en welk type burgers als gebruikers van die diensten. Regionale dienstverlening georganiseerd rond stadskernen en deelgemeentes kan wel werken voor bibliotheken en enkele culturele centra, hoewel het voorbeeld van Luc Huyse over het sluiten van uitleenposten van bibliotheken het tegendeel toont. Een boek ontlenen vraagt plots immers een rit van 17 kilometer naar de kerngemeente. Dit betekent voor veel mensen, bv. ouderen of mensen met een beperking, een extra drempel.4 Maar wat met lokale sportinitiatieven zoals buurtsport, werkingen voor maatschappelijk kwetsbare jeugd die een grote buurtgebonden karakter hebben, of andere dienstverlening die lokaal verankerd is vanwege de beperktere mobiliteit van bewoners?

‘De zigzaggende burger’ met hoge territoriale mobiliteit die De Rynck als prototype stedelijk subject naar voor schuift is geen klasse-neutrale burger. Moet onze blik daarop focussen in steden waar minderheden meerderheid worden? We weten dat die minority majority-dynamiek onder andere sociale hiërarchie in rechten met zich mee brengt, en kwetsbare groepen systematisch in de marge duwt (toch bekeken vanuit de integratie eisen van bovenuit).

Vergeef hun?

Als conclusie vragen we ons af of de reactie van HBH echt zo conservatief is. Doet Hart boven Hard echt aan onheilsprofetie? De reflex tot behoud van wat er is, is in realiteit toch heel wat genuanceerder.

Laat ons het etiket 'conservatief' ook even uitbreiden naar wat HBH teweegbrengt in het middenveld. Het interactieproces binnen HBH werkt vernieuwend en het geeft zonder meer een nieuwe dynamiek aan het brede middenveld en de civiele samenleving. Veel organisaties vonden elkaar (terug) over de sectorale schotten heen. Men vond er de gezamenlijke energie om voor een meer doorwrocht project te strijden. Heeft dat te maken met zelfbehoud? Misschien ten dele wel, maar velen hebben ook terug geleerd om samen te strijden, samen met mensen in kwetsbare posities voor een meer solidaire samenleving.

We zouden over deze decentralisatieronde vergevingsvol kunnen zeggen 'Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat zedoen', maar wij en zij weten érg goed wat ze doen. De decentralisatiebeweging naar gemeentes is gestut door de vraag naar autonomie voor sterke gemeentes. Die roep van onderuit vanuit stadsbesturen kan terecht zijn. Maar het doorvoeren van deze topdown decentralisatie staat niet automatisch garant voor kwalitatieve dienstverlening, en zeker niet voor de meest kwetsbare groepen. Autonomie gaat over het vergroten van de vrijheidsmarges, niet alleen voor besturen maar vooral voor diegenen die tot nu toe bestuurd worden. We horen vanuit diegenen die de decentralisatie doorvoeren cynisch dat burgers zich maar moeten verdedigen, maar voor die groepen die niet gehoord worden is dat een grimmig toekomstbeeld.

Bronnen:

1 KBS, Barometer verenigingen 2013: http://www.kbs-frb.be/otheractivity.aspx?id=293939&langtype=2067

2 KBS, Barometer verenigingen 2014: http://www.kbs-frb.be/otheractivity.aspx?id=293939&langtype=2067

3 GESCO, het veralgemeend stelsel van gesubsidieerde contractuelen werd in 1989 opgestart als vervanging van deze tewerkstellingsprogramma’s: Bijzonder Tijdelijk Kader (BTK), Derde Arbeidscircuit (DAC), Interdepartementaal Begrotingsfonds (IBF) en Tewerkgestelde Werklozen. Met GESCO-projecten wil de Vlaamse Overheid arbeidsplaatsen scheppen in de niet-commerciële sector met het doel langdurige en meestal laaggeschoolde werkzoekenden aan een job te helpen. (zie: http://www.werk.be/online-diensten/tewerkstelling-en-sociale-economie/klassieke-tewerkstellings-programmas/gesco)

4 http://www.standaard.be/cnt/dmf20150529_01705246

Pascal Debruyne is postdoctoraal onderzoeker aan de UGent. Jan Naert is lid van de Raad van Bestuur van Vzw Jong en Vzw Lejo.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

2 reacties

  • door Piet De bisschop op woensdag 3 juni 2015

    Gelijk hebben is één ding, gelijk krijgen is een ander. Laat ons (onder meer) onze lessen trekken na de hoorzitting van donderdag. Doch algemeen : Rome is ook niet op één dag gebouwd. HbH bouwt momenteel aan haar structuur : basiswerking én bovenbouw. Twee stevige benen om op te staan. De maanden dat ik actief ben in de burgerbeweging heb ik (naast zovele andere de natte boost van 29 maart) als ervaring dat 1) er heel wat vernieuwend perspectief voorhanden is en 2) het een ganse uitdaging wordt al die uitzichten op mekaar af te stemmen. Verandering is noodzakelijk, duurzame des te meer : Hart boven Hard als proefstation voor een andere samenleving. Kortbij en veraf.

    • door ria aerts op donderdag 4 juni 2015

      Volledig akkoord. Het is me ook wat. Sociale bewegingen conservatisme verwijten, terwijl men zelf naar het laissez-faire laissez-aller kapitalisme van de industriële revolutie wil terugkeren. Eerst sociale voorzieningen afbouwen en dan degenen die ervoor vechten afdoen als behoudende naïevelingen. 't Is fraai.

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties