about
Toon menu

Het plan-Juncker: een illusie

Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) zou het plan-Juncker 2 miljoen banen opleveren. Toch is het niet zeker dat dit perspectief ook werkelijkheid wordt. De reden: het plan-Juncker hangt vooral af van investeringen door privébedrijven. Die zouden tegen 2018 ongeveer 300 miljard euro moeten geïnvesteerd hebben terwijl ze sinds jaren geen geld meer pompen in de productie-economie.
donderdag 21 mei 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De vakbondsbeweging bedenkt een alternatief en meent dat een nieuw elan in de openbare sector een doorslaggevende rol zal spelen.

Samenvatting

  • Een onrustwekkende diagnose
  • Een fonds voor economisch herstel
  • Financiering van projecten
  • 'We want More’
  • Privébedrijven investeren niet
  • Het taboe van publieke investeringen verbreken

“Mijn eerste prioriteit is de Europeanen opnieuw aan het werk zetten”. Met dit plechtige statement sprak Jean-Claude Juncker op 15 juli 2014 het Europees Parlement toe. Enkele ogenblikken later verkoos een meerderheid van het Parlement hem tot voorzitter van de Europese Commissie. Juncker, een christendemocraat, was achttien jaar lang premier van Luxemburg.i

In zijn toespraak in juli zette Juncker de krijtlijnen uiteen van een Plan dat in november definitieve vorm zou krijgt, en vandanf het Plan Juncker zou heten. Juncker, nog in juli : “we moeten het budget van de Europese Unie en financiële instrumenten zoals de Europese Investeringsbank beter aanwenden om privé-investeringen in de reële economie te stimuleren”. Zo zou er “de komende drie jaar 300 miljard euro in bijkomende publieke en private investeringen gemobiliseerd kunnen worden”.ii

Werkgelegenheid was een eerste prioriteit. Maar Juncker legde in zijn toespraak in juli een tweede accent. Hij verklaarde te willen “werken voor een Unie die zich engageert voor democratie en hervormingen”. Dan vervolgde hij aldus: “Europa heeft behoefte aan een uitgebreide hervormingsagenda. (...) Mensen hebben schrik voor hervormingen. Ze vinden die bedreigend en risicovol. Maar geen risico’s nemen is risicovoller. Wij moeten risico’s nemen om het concurrentievermogen van Europa te verbeteren”.iii Herstel van de economie en van het concurrentievermogen, dat is het objectief van het plan-Juncker.

Een onrustbarende diagnose

Eind november, wanneer Jean-Claude Juncker goed en wel in het zadel zit als voorzitter van de Europese Commissie, stelt hij het plan officieel voor. Europa slaat de pagina om, zegt de Commissie-voorzitter, en dit is een “offensief om investeringen aan te moedigen die werkgelegenheid en groei stimuleren”. Het plan past in een ruimer project : het is de derde pijler van wat Juncker “onze deugdzame driehoek” noemt (“notre triade vertueuse”) ; de twee andere pijlers zijn de “budgettaire verantwoordelijkheid” en, opnieuw, structurele hervormingen.iv Juncker herneemt die “driehoek” in de eerste slide van zijn presentatie, wat voldoende aantoont hoeveel belang hij eraan hecht.

De Commissievoorzitter vertrekt van een onrustwekkende diagnose: “Terwijl de investeringen opnieuw toenemen in de Verenigde Staten, blijft Europa achterop. De investeringen in de EU zijn met 370 miljard euro gedaald in vergelijking met de jaren voor de crisis”.v Documenten van de Commissie geven meer details. In de hele EU lagen de investeringen begin 2014 nog altijd 15% onder het niveau van 2007 overal in de Europese Unie. In vijf landen uit de periferie (Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje) daalden de investeringen het sterkst. Griekenland zit ongeveer 40% onder het peil van voor de crisis, Spanje ongeveer 60%.vi Er is met de woorden van de EU-Commissie een ernstige investeringsachterstand. De privé-investeringen blijven achterwege en dat, in combinatie met de budgettaire restricties in de openbare sector, zal de werkloosheid verder sterk doen aanzwellen.

Die werkloosheid – nochtans de “eerste prioriteit” - wordt nergens in cijfers uitgedrukt, noch in de toespraak van Juncker, noch in het eigenlijke plan dat in een Communicatie van de Commissie aan het Europees Parlement staat uitgelegd. We vinden cijfers terug in een studie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).vii Volgens de IAO bedroeg de werkloosheid 9,7% in de EU (28 lidstaten) in het derde trimester van 2014, dat is 3% boven het niveau van eind 2007. Eind 2014 had 23 miljoen Europeanen geen werk en 12 miljoen zaten al meer dan een jaar zonder werk. De werkloosheid varieert van land tot land. Enkel in Duitsland, Malta en Polen is de werkloosheid minder hoog dan voor de crisis. Maar in Cyprus of Griekenland ligt de werkloosheid volgens de IAO 5% boven het werkloosheidsniveau van voor de crisis. De cijfers van de IAO zijn nog mild in vergelijking met de eerste bron, Eurostat. Zij geeft een nog triester beeld. Volgens Eurostat ligt de werkloosheid in Griekenland niet 5% maar 20% boven het niveau van 2008 toen de crisis uitbrak : in dat jaar bedroeg de werkloosheidsgraad in Griekenland 7,7% en liep hij op tot 27,3% in 2013.viii

Een fonds voor economisch herstel




De werkloosheid is structureel en om haar aan te pakken, is economisch herstel onontbeerlijk. De Commissie wil dit herstel in gang zetten met drie instrumenten. Ten eerste via een Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), ten tweede door de financiering van projecten en ten slotte via een stappenplan.

De invulling van het “stappenplan” door de Commissie verraadt sterk haar neoliberale inspiratie. Het gaat over een ambitieus stappenplan om “Europa aantrekkelijker te maken voor investeringen en daarvoor reglementaire obstakels weg te nemen”. Obstakels die investeringen belemmeren, moeten weg. Dat duidt op meer vrijheid voor investeerders, meer deregulering.ix

Het Europees Fonds voor Strategische Investeringen dan. De EU-Commissie en haar voorzitter zijn er van overtuigd dat dit fonds de komende drie jaar (2015-2017) minstens 315 miljard euro aan investeringen zal opleveren. Het Fonds wordt in eerste instantie gefinancierd met een publieke bijdrage: 16 miljard euro van het EU-budget en 5 miljard van de Europese Investeringsbank (EIB), samen 21 miljard euro. Dit is geen vers geld, het wordt geput uit bestaande budgetten. Dat leidt in het Europees Parlement trouwens tot ongerustheid, omdat er elders bekort zou worden, onder meer op wetenschappelijk onderzoek.

De initiële inleg van 21 miljard euro moet volgens de Commissie een dubbel hefboomeffect teweegbrengen. Dankzij dit bedrag zou de EIB meer fondsen uit de kapitaalmarkt moeten kunnen ontlenen. De eerste hefboom zou het Fonds zo 63 miljard euro opleveren of drie maal de beginsom. Dat bedrag zou een tweede hefboom in gang moeten zetten. Want volgens de Commissie zou het privébeleggers moeten aanmoedigen om zo’n 252 miljard euro te investeren. In totaal zou 315 miljard euro worden geïnvesteerd, gespreid over drie jaar.x Het geld zou vooral naar grote infrastructuurprojecten gaan in de transport en energiesector en in telecommunicatie (met een hoog debiet). De hele constructie zou privébedrijven aanzetten te investeren in projecten waarvan zij tot dan toe geen rendement verwachtten en waarin dus nog geen kapitaal werd gestoken.

Project per project

De volgende pijler van het plan-Juncker is een lijst van potentiële projecten per lidstaat. Ze werd begin december 2014 gepubliceerd.xi Op deze lijst staan ook Belgische projecten die door verschillende overheidsinstanties ter financiering zijn voorgesteld. Een paar voorbeelden.

De twee eerste projecten komen van Infrabel, de spoorinfrastructuurafdeling van de NMBS-groep. Infrabel wil de doorgang vergemakkelijken van de Noord-Zuid-as, de flessehals die de stations Brussel-Noord, Brussel-Zuid en Brussel-Centraal verbindt. Daarvoor moet 70 miljoen euro gevonden worden via het plan-Juncker (op een totaal van 290 miljoen euro). Infrabel moet ook 370 miljoen euro vinden (op een totaal van 870 miljoen euro) voor het Gewestelijk ExpresNet rond Brussel (de “Europese filehoofdstad”) dat het reizigersvervoer van en naar de hoofdstad vlotter moet doen verlopen.

Een derde voorbeeld, ook uit de openbare sector, komt van het BIPT, het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie. Het BIPT wil blinde vlekken vullen in de territoriale dekking van het telecomnetwerk-hoog debiet. Deze dienst is in deze zones, vaak in het platteland, niet ‘uitgerold’ omdat zulks niet financieel zou zijn. Het BIPT zoekt nu 5 miljoen euro (op een budget van 12 miljoen) om telecommunicatie aan hoge bitsnelheid toch naar die zones te brengen. Het instituut zegt dat het “financiële stimulansen wil bieden die de operatoren ertoe moeten aanzetten om de nodige infrastructuren te bouwen en hoge bitsnelheid aan te bieden aan bedrijven en burgers”, een inspanning die hoog op de agenda staat van de digitale en kenniseconomie van de Europese Unie.

Een vierde voorbeeld houdt verband met energie. Dit privé-initiatief komt van een consortium van de baggerondernemingen Deme en Jan De Nul en de energiegroep Electrabel Suez waaraan ook de Waalse regionale investeringsmaatschappijen (SRIW en SOCOFE)xii en de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV)meedoen. Hun project heet Energy Atol. Het bestaat erin een eiland te bouwen voor de Belgische kust waar energie van windturbines opgeslagen kan worden in perioden van minder verbruik. Volgens de projectenlijst heeft dit consortium 2 miljoen euro nodig om een budget van 20 miljoen euro compleet te maken.

De projectenlijst en de criteria die zijn gebruikt om ze op te stellen, zouden veel gedetailleerder bestudeerd moeten worden. Maar de vier Belgische voorbeelden laten toch toe om te zien wat het plan-Juncker kan teweegbrengen.

Eerst en vooral passen deze projecten in de grote EU-strategieën voor 2020 zoals een energie-unie en een digitale economie. Die strategieën zijn vastgelegd door de EU-instellingen. Maar komen ze tegemoet aan de behoeften van de burgers?

Ten tweede: de projecten steunen op een mix van investeringen, ze stimuleren publiek-private samenwerking. Maar, als privé-kapitaal in publieke infrastructuur stapt, dan versnelt het proces van privatisering van publieke goederen en diensten.

Er is geen tekort aan projecten die financiering kunnen gebruiken. De Task Force voor investeringen heeft er al 2000 gevonden. In juni zal een comité van zes experten selecteren welke projecten in aanmerking komen voor financiering via het ‘Juncker-fonds’. Van deze experten wordt expliciet gezegd dat zij “geen binding hebben met de markt”. Ze zouden dus niet pro-privé bevooroordeeld zijn.xiii

“Hervormen”, “hervormen”, “hervormen”

Toen het plan-Juncker werd voorgesteld, op 26 november 2014, kwam nog dezelfde dag een enthoesiaste reactie van BusinessEurope, de vereniging van werkgeversfederaties van de lidstaten. Dit is een grote stap vooruit, blokletterde haar perscommuniqué. Maar volgens de Europese werkgevers zal het plan-Juncker maar succes hebben als er ambitieuze maatregelen aan worden gekoppeld. Die maatregelen moeten obstakels uit de weg te ruimen die volgens BusinessEurope privé-investeringen in Europa afremmen. BusinessEuropa ziet twaalf sets van zulke obstakels.xiv Zo zou het voor ondernemingen moeilijk zijn om financiering te vinden “aan redelijke voorwaarden”. Wat “redelijke voorwaarden” zijn, wordt niet uitgelegd. Nog een obstakel is de arbeidsmarkt. Die moet flexibeler, herhaalt BusinessEurope steeds opnieuw, zodat de ondernemingen de arbeidskosten kunnen drukken en zo hun rendement verhogen. Zolang het onzeker is of de Europese regeringen de jobmarkt nog flexibeler zullen maken, zullen de geldschieters niet tot investeringen overgaan, aldus BusinessEurope.xv

Aan de kant van de werkgevers worden steeds opnieuw zulke structurele hervormingen geëist.xvi BusinessEuropa verwacht zelfs dat de vertegenwoordigers van de werknemers eraan meewerken. Op 5 maart 2015 giet de voorzitster van BusinessEurope, Emma Marcegaglia dat zelfs in een concreet voorstel : zij wil een “partnership voor hervormingen” opzetten. Die dag zitten werkgevers en vakbonden samen in Brussel in een conferentie rond “een nieuwe sociale dialoog”. De voorzitster van de BusinessEurope verklaart daar: “We moeten alles in het werk stellen om buitenlandse investeringen aan te trekken in onze regio. Dat zal leiden tot meer werkgelegenheid (…). De sociale dialoog moet hierop de nadruk leggen: samenwerken om hervormingen door te voeren, de huidige uitdagingen aanpakken, en anticiperen op die van de toekomst. Wij moeten ons richten op een parnership om hervormingen te realiseren”.xvii

Moet de arbeidersbeweging in zo’n partnership stappen, om loon- en arbeidscondities en het stelsel van sociale zekerheid verder te ondermijnen en dus voor zichzelf een put te graven ? Heopelijk wijst ze dat radikaal van de hand. Er zijn tekenen dat dit ook zal gebeuren. De manier waarop het plan-Juncker onthaald werd door de arbeidersbeweging duidt erop dat zij zo’n partnership afwijst.

Bij de vakorganisaties klinkt het namelijk dat “het debat nu opnieuw draait rond de cruciale vraag, namelijk investering in de productie”xviii, bij de IAO dat “de huidige focus op korte termijnwinst vervangen wordt door engagementen voor financiering van langetermijnprojecten”.xix Diezelfde organisaties zijn ook sceptisch over de haalbaarheid van het plan-Juncker en zij zien veel hiaten.

Het minst sceptisch is de Internationale Arbeidsorganisatie. Zij meent dat het plan-Juncker 1,8 miljoen banen kan opleveren als het hefboomeffect ten volle speelt. Het aantal nieuwe banen zou zelfs nog hoger liggen, tot 2 miljoen extra banen, als twee derde van de investeringen gaan naar de lidstaten waar het werkloosheidsniveau het hoogst is. De IAO merkt wel op dat men niet mag voortdoen zoals men bezig is, geen “business as usual” voor wat betreft het “Juncker-fonds” dat door de Europese Investeringsbank beheerd zal worden. De EIB heeft namelijk de neiging om haar fondsen altijd aan hetzelfde handjevol landen te verstrekken. De laatste jaren hebben Frankrijk, Duitsland, Italië en het Verenigd-Koninkrijk 45% van de EIB-fondsen gekregen. “Maar de buitenmaatse werkloosheidsgraad in sommige landen is niet gevolgd door een parallelle verhoging van de EIB-financieringen” (aan die landen), aldus de IAO. Spanje, met bijna een kwart van alle werklozen in de Europese Unie (23,% !) ontvangt bijvoorbeeld maar 16,6% van de EIB-financieringen.xx

Privébedrijven willen niet investeren

De IAO twijfelt niet aan de reële wil van de privébedrijven om te investeren. Daar zit nochtans het grootste probleem. De bedrijven kunnen investeren, maar ze doen het niet. “Bedrijven sparen meer dan ze investeren”, schrijft John Plender in de Financial Times, “ze potten cash op (en tegelijk vermijden ze de betaling van belastingen)”. In hun strategie halen voordelen op korte termijn het op de potentiële lange termijneffecten.xxi

Dat de bedrijfswereld cash oppot, is geen mythe. Een paar cijfers: in de Verenigde Staten hadden bedrijven ongeveer 5.000 miljard dollar cash in 2011 (4.600 miljard euro berekend volgens de koers in 2015).xxii Vier jaar later is die spaarpot er nog altijd. Begin 2015 stelt president Barack Obama voor een eenmalige taks te heffen van 14% om de infrastructuur te moderniseren. Deze taks zou geïnd worden op ongeveer 2.000 miljard dollar (1.844 miljard euro), een bedrag dat door bedrijven opzij is gezet in belastingsparadijzen.xxiii

De situatie in Europa is niet erg verschillend. Het agentschap Moody’s verklaarde in december 2014 dat de cashberg van niet-financiële bedrijven “teruggevallen is (!) op 1.060 miljard dollar (976 miljard euro) in juni 2014”. De “top 5 van de cash-koningen”, volgens Moody’s, bestaat uit Volkswagen, Gazprom, BP p.l.c., Électricité de France en TOTAL die samen “minstens 16 miljard euro” oppotten. Volgens Moody’s spaart de energiesector het meeste (136 miljard euro), gevolgd door de automobiel-, telecomsector en andere dienstensectoren.xxiv

Soms worden de moeilijkheden om krediet te krijgen als excuus aangevoerd door de privésector voor het feit dat hij niet investeert. Voor kleine en middelgrote ondernemingen is krediet een reëel probleem. Maar niet voor de hele grote. Zij nemen niet minder krediet op omdat dat moeilijk zou zijn, maar gewoon omdat ze er niet naar vragen. Ook de Europese Commissie geeft dat toe. Zij stelt dat “de zwakke stijging van kredietverlening aan niet-financiële bedrijven grotendeels veroorzaakt wordt door een zwakke vraag naar krediet”. De Commissie ziet “het enorme spaargedrag van bedrijven op vlak van investeringen, wat erop wijst dat ze over interne fondsen beschikken die in vele gevallen niet gebruikt worden”. Dit komt omdat“dat zij hun schulden aan het afbouwen zijn”, schrijft de Commissie.xxv

Etienne Lebeau, van de studiedienst van de CNE (Centrale Nationale des Employés, de werknemerscentrale van de christelijke vakbond) heeft dit aangetoond - tijdens een middagdebat in Brussel op 17 maart, de Midi d’Econosphères. Privébedrijven vermijden productie-investeringen, volgens Lebeau, “en zullen dat blijven doen zolang een stevig economisch herstel in de eurozone uitblijft, vooral in de zwaar getroffen landen”. Volgens hem “proberen actoren (gezinnen en bedrijven) hun financiële balans te herstellen. Vandaar dat er veel wordt gespaard, dat er nu schulden worden terugbetaald en dat de consumptie en de privé-investeringen worden afgeremd”.xxvi Van een periode waarin “bedrijven streefden naar groei en hun winst herinvesteerden” zijn we geëvolueerd naar een situatie waarin bedrijven niet meer investeren maar het ingehouden kapitaal als winst uitkeren aan de aandeelhouders.xxvii Het ongeloof in de privé-sector is dus wijd verspreid. Waarom zou hij nu ineens wèl in reële productie investeren ? Het heeft veel weg van een Bijbels verhaal, zoals dat van “de mirakuleuze vermenigvuldiging van broden en vissen”.xxviii

Het taboe van openbare investeringen verbreken

Als de privésector niet wil investeren, dan moet de publieke sector de motor van economisch herstel zijn. Dat is ook wat econoom Paul De Grauwe schrijft in Le Soir, kort na de publicatie van het plan-Juncker. “Er bestaat geen twijfel over”, aldus De Grauw, “dat Europa meer publieke investeringen nodig heeft”. Maar hem valt het op dat “het plan-Juncker niet zodanig is opgesteld dat het ook publieke investeringen aanmoedigt”.xxix

Etienne Lebeau vindt argumenten voor meer publieke investeringen bij het International Muntfonds (IMF). Dit laatste heeft in oktober 2014 zijn “Perspectieven voor de wereldeconomie” gepubliceerd. Daarin stelt het IMF “dat dit het geschikte moment is voor nieuwe investeringen in de infrastructuur”, onder andere omdat de interestvoet laag is. Het IMF zegt ookt dat meer openbare investeringen, vooral in de infrastructuur, een sterk effect hebben op de productie in periodes van economische vertraging èn wanneer die openbare investering wordt gefinancierd met een lening.xxx De openbare sector moet dus investeren, aldus het Internationaal Muntfonds, en zou daarvoor leningen moeten aangaan.

Belfius komt met hetzelfde verhaal. De Belgische staatsbank zegt onomwonden dat “publieke investeringen de economie op twee manieren stimuleren: ze doen de vraag toenemen en dus ook het Bruto Binnenlands Product (BBP), en ze hebben een langetermijneffect op de “aanbodzijde” van de economie.xxxi

Maar op wat IMF en Belfius zeggen, rust in de Europese Unie een taboe. De lidstaten zijn verplicht te besparen en moeten zich onderwerpen aan de zogenaamde orthodoxie van het Stabiliteits- en Groeipact. Dat Pact bepaalt dat een lidstaat geen openbare schuld mag hebben die hoger is dan 60% van het BBP, èn dat het tekort op de begroting ten hoogste 3% van het BBP mag bedragen. Die rigiditeit houdt de lidstaten tegen om noodzakelijke investeringen uit te voeren, laat staan dat ze leningen zouden aangaan om die investeringen te financieren. Maar investeren is wel nodig, wil men het land en de openbare dienstverlening op peil houden.

Het resultaat kan je overal in België zien, aan de lamentabele staat van vele wegen, aan het grote gebrek aan sociale woningen of scholen, aan de besparingen in het openbaar vervoer. Ons land staat er belabberd voor. Als we alle publieke investeringen tesamen nemen (min de afschrijvingen), schrijft Belfius, dan staat België op de 20ste plaats in de lijst van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), ver achter Frankrijk of Nederland.

Het economisch herstel zit dus vast. De privésector heeft geld maar investeert het niet. De openbare sector investeert niet meer want terwijl de grote privé-ondernemingen en belastingsontwijking doen, moet de overheid besparen. Uit die impasse geraken, zeggen de progressieve experten nu, kan alleen maar als het taboe op het aangaan van schulden door de overheid wordt opgeheven. Etienne Lebeau: “Schulden aangaan is geen probleem, als het maar dit dient om nuttige investeringen te financieren. Dan zal een schuld immers goede activa opleveren”.xxxii Pas de zogenaamde Gulden Regel in de openbare boekhouding toe, zegt iemand als Etienne Lebeau. Die regel houdt in dat openbare investeringen apart worden geboekt en niet bij de openbare schuld en het deficiet worden gerekend. Dit veronderstelt dus een andere openbare boekhouding dan degene die de Europese Commissie nu oplegt.

Critici schuiven ook al sinds meerdere jaren andere, alternatieve herstelplannen naar voren. Velen vinden Juncker lang niet ambitieus genoeg. 315 miljard euro op drie jaar tijd – als dat geld al gemobiliseerd kan worden – betekent slechts 105 miljard euro per jaar of 0,6% van het BBP, volgens een berekening van de Franse Économistes Atterrés. Maar het Europese vakverbond (EVV/CES) vraagt dat 2% van het BBP aan investeringen gebeuren, gespreid over tien jaar, of een totaalbedrag van 2.600 miljard euro.xxxiii In zijn Plan, voorgesteld eind 2013, voorziet het EVV dat zo’n injectie 11 miljoen nieuwe banen zou moeten creëren tegen 2015, èn aanzienlijke bijkomende inkomsten voor de lidstaten. Het EVV maakt geen duidelijk onderscheid tussen publieke en privésector om dat resultaat te behalen, maar pleit wel voor de toepassing van de Gulden Regel door te zeggen dat de geïnvesteerde bedragen buiten de berekening van het begrotingstekort en de schuld moeten worden gehouden”.xxxiv

Het meest ambitieuze herstelplan dateert van 2013. Het gaat over het “Investment-led Recovery and Convergence Programme (IRCP)”, een onderdeel van een uitgebreider plan, een Europese New Deal volgens zijn auteurs, van wie de bekendste Yanis Varoufakis is. Die laatste, huidig minister van Financiën in de Griekse regering, was op het moment van de publicatie professor in economische theorie aan de universiteit van Athene en de Lyndon B. Johnson School of Public Affairs aan de universiteit van Texas te Austin, Verenigde Staten.

Een eerste versie van de tekst stamt uit 2010. Het heet A Modest Proposal for Resolving the Eurozone Crisis. Maar bescheiden is het niet. De Europese Commissie, vinden de auteurs, heeft gefaald in haar aanpak van de economische crisis na 2008. Hun visie is uitgesproken Europees : “de recessie omkeren, de Europese integratie versterken, het vertrouwen herstellen in de publieke sector en de engagementen van de Europese Verdragen voor het levensniveau en de sociaal-economische cohesie van de EU uitvoeren.xxxv Maar het IRCP verschilt fundamenteel van het plan-Juncker omdat voor de financiering niet op de goodwill van de privé-sector wordt gerekend : de financiering moet juist “volledig via een publiek kanaal (gebeuren), door de uitgifte van obligaties door de EIB”.xxxvi Die financiering, bestemd voor grote infrastructuurwerken en om innoverende KMO’s te steunen, zou kunnen oplopen niet tot 0,2% van het Europese BBP (zoals het Plan Juncker voorziet), niet tot 2% (volgens het EVV) maar tot 8% van het BBP in de eurozone. Dit gaat dus veel verder dan het plan-Juncker. Om dat objectief te halen, is er volgens het IRCP wel een groot obstakel, namelijk het keurslijf van de EU-regels voor begroting en schuld.

Varoufakis en zijn collega’s zullen andere technische obstakels moeten overwinnen, maar vooral het verzet van de politieke partijen die in geen geval willen dat de openbare sector actief de Europese economische motor aanzwengelt. Er liggen alternatieven op tafel, het debat is open, het plan-Juncker is niet langer onaantastbaar.

Dit artikel is oorspronkelijk in het Frans gepubliceerd op de website van Gresea, Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative en voor De Wereld Morgen vertaald en bewerkt.

Voetnoten:

i Juncker won de Europese verkiezingen van 25 mei 2014 als lijsttrekker van de Europese Volkspartij (EVP). Dat blok groepeert Europese centrumrechtse partijen, zoals de Franse UMP van Nicolas Sarkozy, de Duitse CDU van Angela Merkel, de Spaanse PP van Mariano Rajoy, maar ook de Belgische CD&V en de Franstalige CDH.

iiJuncker, Jean-Claude, A New Start for Europe : My Agenda for Jobs, Growth, Fairness and Democratic Change. Political Guidelines for the next European Commission. Opening Statement in the European Parliament Plenary Session, Straatsburg, 15 juli 2014.

iiiJuncker, Jean-Claude, A new start for Europe. Opening Statement in the European Parliament Plenary Session, Straatsburg, 15 juli 2014.

ivJuncker, Jean-Claude, Investir en Europe. Discours devant le Parlement européen, Straatsburg, 26 november 2014.

v Het vast kapitaal van de EU-28 werd gereduceerd van 3039 miljard euro in 2007 tot 2606 miljard euro in 2013 (Pourquoi un plan d’investissement pour l’UE ? Fiche d’information-1, Europese Commissie, 24 november 2014).

viPourquoi un plan d’investissement pour l’UE ? Fiche d’information-1, Europese Commissie, 24 november 2014.

viiAn employment oriented investment strategy for Europe, International Labour Organization, Genève, 2015, 45p.

viiihttp://bit.ly/1bz4g3b

ixEU begint investeringsoffensief voor meer werk en groei, Europese Commissie, Straatsburg26 november 2014; Waar komt het geld vandaan? Factsheet 2, Europese Commissie, 24 november 2015.

xJuncker, Jean-Claude, Investir en Europe, o.c.

xiSpecial Task Force (Member states, Commission, EIB) on investment in the EU - Annex 2 Project lists from Member States and the Commission, PART 1.

xiiSRIW: Société Régionale d’Investissement de Wallonie; SoCoFe: Société de Cofinancement (dans le monde) Energétique.

xiiiThe European Fund for Strategic Investments (EFSI). Questions and Answers, Europese Commissie, januari 2015, 21p.

xiv De obstakels die de publieke investering belemmeren zijn, volgens BusinessEurope:

“onzekerheid” (1. Economische en politieke onzekerheid. 2. Onzekerheid over reglementeringen en administratieve criteria), de transactiekost (3. Hoge energieprijzen en veiligheid van bevoorrading. 4. Niet-competitieve belastingregimes. 5. Rigiditeit van de arbeidsmarkt en niet-compatibiliteit van competenties), de financiering (6. Moeilijk te verkrijgen financieringen. 7. Moeilijke mobilisering van de EU-fondsen), toegang tot de markt (8. Obstakels tot de eenmaking van de markt. 9. Afwezigheid van een ambitieus EU-beleid voor handel en directe buitenlandse investeringen), engagement van de openbare sector (10. Moeilijkheden voor een publiek-privaat engagement vooral in infrastructuurprojecten), risico’s (11. Gebrek aan een ondersteuningsbeleid bij risico’s die worden genomen voor innovatie), 12. Gebrek aan een concurrentiebeleid van de EU gericht op de verbetering van het concurrentievermogen).

In originele versie: UNCERTAINTY 1. Economic and political uncertainty 2. Regulatory uncertainty and administrative burdens COSTS OF DOING BUSINESS 3. High energy prices and security of supply 4. Uncompetitive tax regimes 5. Rigidity of labour markets and skills mismatch FINANCING 6. Difficult access to finance 7. Difficult mobilisation of EU funds MARKET ACCESS 8. Barriers to single market 9. Absence of an ambitious EU policy on trade and foreign direct investment PUBLIC-SECTOR ENGAGEMENT 10. Difficulties in public-private engagement, particularly for infrastructure projects RISK-TAKING 11. Lack of a supportive policy for risk-taking in innovation 12. Lack of a competitiveness-oriented EU competition policy). BusinessEurope expectations from an EU investment plan, november 2014, p.9

xvExpectations from an EU investment plan, BusinessEurope, november 2014.

xvi De lijst van “hervormingen” opgesteld door BusinessEurope is lang en wordt regelmatig bijgewerkt (om ze nog langer te maken). Om u ervan te overtuigen, kijkt u best naar Reform Barometer van BusinessEurope, lente 2015, waarvan de ondertitel luidt “Consistente hervormingen ontbreken in Europa”.

xvii Emma Marcegaglia, voorzitster van BusinessEurope, Building a common approach to a new start for social dialogue. High level conference “a new start for social dialogue”, BusinessEurope, Brussel, 5 maart 2015

xviii Zie bijvoorbeeld de presentatie van Etienne Lebeau (CNE-CSC) tijdens de 21e Midi d’Econosphères op 19 maart te Brussel, http://bit.ly/1HpLsRO

xix ILO, o.c., p.12

xx ILO, o.c., p.14.

xxiPlender, John, The corporate aristocracy holding out against fiscal revolution, Financial Times, 3 maart 2015.

xxiiHow to Unlock That Stashed Foreign Cash, New York Times, 23 maart 2013.

xxiiiShear, Michael, Obama Proposes Tax for Upgrade of Infrastructure, New York Times, 2 februari 2015.

xxivMoody’s : EMEA companies maintain huge cash pile of $1.06 trillion in 2014, Moody’s Global Credit Research, 17 december 2014.

xxvEuropean Economic Forecast. Winter 2015, Europese Commissie, januari 2015, p.22.

xxviLebeau, Etienne, Le plan Juncker, présentation faite au Midi d’Econosphères, 17 mars 2014. Link: http://bit.ly/1HpLsRO

xxviiDallery, Thomas & Auvray, Tristan & Rigot, Sandra, Au-delà du plan Juncker, Les économistes atterrés, december 2014, p.3.

xxviii Dit sarkasme komt van de kritische Duitse academicus Wolfgang Streeck. Zie : Leen, Michiel, Kapitalisme in blessuretijd, De Standaard, 25 april 2015, p.E9.

xxixDe Grauwe, Paul, Le plan Juncker n’est pas structuré de manière à encourager l’investissement public, Le Soir, 3 december 2014.

xxxPerspectives de l’économie mondiale. Nuages et incertitudes de l’après-crise, Fonds monétaire internationale, oktober 2014, p.

xxxiL’importance des investissements publics pour l’économie. Analyse thématique Finances locales, Belfius research, maart 2015.

xxxii Lebeau, Etienne, o.c.

xxxiiiDéclaration de la CES sur le plan d’investissement au niveau de l’Union européenne. Adoptée lors de la réunion du Comité exécutif, Confédération européenne syndicale, Bruxelles, 2-3 décembre 2014 ; Janssen, Ronald, Le plan d’investissement européen : un nouveau début pour l’Europe, présentation faite au Midi d’Éconosphères, 17 mars 2015. En ligne : http://bit.ly/1HpLsRO

xxxivUne nouvelle voie pour l’Europe : Plan de la CES pour l’investissement, une croissance durable et des emplois de qualité. Adopté à la réunion du Comité exécutif, CES, Brussel, 7 november 2013.

xxxvVaroufakis, Yanis & Holland, Stuart & Galbraith, James K. Galbraith, A Modest Proposal for Resolving the Eurozone Crisis. Version 4.0, juli 2013.

xxxvi Lebeau, Etienne, o.c.

reacties

2 reacties

  • door Frank Roels op donderdag 21 mei 2015

    Goed artikel, goed beeld van de ideologische bloccage waar de Europese regeringen en EC in vastzitten. Om te ontsnappen aan de besparingslogica en de Europese verdragen (die niet kunnen opgezegd worden…), is de mogelijke oplossing: de ontweken en gefraudeerde belastingsinkomsten weer innen en ter beschikking stellen van de overheden. De schatting van niet-geïnde belastingen in de EU is 1000 miljard euro per jaar; voor België 33,6 miljard euro/jaar (cijfers van 2011 en eerder). http://europeansforfinancialreform.org/en/system/files/3842_en_richard_murphy_eu_tax_gap_en_120229.pdf http://ec.europa.eu/taxation_customs/taxation/tax_fraud_evasion/index_en.htm Zelfs met een deel van deze inkomsten kunnen de overheden èn hun schulden afbetalen èn miljoenen banen scheppen in de non-profit en social profit sectoren (sociale woningen, onderwijs, onderlingenzorg en gezondheid, kinderkribben, justitie, opvang en rehabilitatie van veroordeelden, behandeling van geïnterneerden, enz. Zie http://www.apache.be/gastbijdragen/2014/12/18/investeren-in-tijden-van-besparingen/ http://www.progressiveeconomy.eu/content/resolving-unemployment-0 Dat de privé sector geen banen gaat scheppen in ruil voor verlaagde loonkosten, is duidelijk gezegd door het VBO, met instemming van UNIZO, zie https://biblio.ugent.be/input/record/5746319

    • door ria aerts op vrijdag 22 mei 2015

      Akkoord, een prima artikel. Zijn onze politici dan zo slecht op de hoogte of willen ze het niet begrijpen? Bedrijven investeren niet omdat ze met speculatie en opkopen van eigen aandelen meer verdienen. Bedrijven zijn geen liefdadigheidsinstellingen en zullen altijd de weg van het meeste profijt opzoeken. Waarom doen onze politici dan altijd alsof bedrijven het goed van onze maatschappij nastreven? Hun fortuinen toestoppen zonder enige verplichting om jobs te creëren b.v.? Fraude, dus inbreuken op de wetgeving of criminaliteit, laten afkopen voor een fractie van het gefraudeerde bedrag? Als overheid zelf allerlei constructies opzetten waardoor bedrijven geen of weinig belasting betalen? Waarom? Voor de gewone burger is zoiets heel moeilijk te begrijpen en hoe kleiner zijn inkomen wordt, hoe moeilijker hij dat zal verteren.

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties