Foto: Evy Menschaert
Opinie - Robrecht Vanderbeeken

Woorden heroveren

De Grote Parade van Hart Boven Hard trotseerde met haar warme Hartenwensen de kille regenwind, en dat zorgde al wandelend voor een extra symbolische dimensie. ‘Wij roeien niet tegen de stoom in, wij zijn de stroom’, stelde woordvoerder Wouter Hillaert. Hij omschreef de burgerbeweging ook als een ‘inclusieve gemeenschap’: iedereen die wil aansluiten is van harte welkom.

donderdag 7 mei 2015 00:22

Die woordkeuze is sprekend in zijn omstrijdbaarheid, want laat het net onze
N-VA-regeringen zijn die beweren een ‘onderstroom’ te vertegenwoordigen en een
‘inclusieve gemeenschap’ te beogen. Alleen al door hun aanwezigheid gaven de 20.000
manifestanten in Brussel aan dat dit verhaal niet klopt.




Politiek is altijd een ideologische taalstrijd en in deze tijd van spindoctors,
reclamebureaus en 10
seconden-journalistiek
gaat het nog meer om een woordspel. Van Obama’s ‘Change’ tot ‘de V van Verandering’ van De
Wever, zodra ze de verkiezingsoverwinning binnenhaalden, transformeerde de
baseline vliegensvlug in ‘er is geen alternatief’.

Om het met een woordspeling uit de slottoespraak van Wouter Hillaert op De
Grote Parade te zeggen: ‘Dit beleid verdedigt het primaat van de politiek, maar
gaat tegelijk op de knieën voor het primaat van de markt. Is dat niet een
beetje vals?’ We kunnen daar aan toevoegen: weerwerk is nodig, er is simpelweg
‘geen alternatief’.

Woordenstrijd

Hart
Boven Hard moedigt iedereen aan zich te verzetten door samen na te denken over
een alternatief. Zoiets collectief aanpakken, is een complexe en intensieve
oefening. Maar het is ook belangrijk om het samen te doen, omdat het een ander bewustzijn
creëert, nieuwe onderwerpen ter discussie stelt en mensen mobiliseert. Hartslag
2
, nu zaterdag 9 mei, is daarom een belangrijk onderdeel van het lopende proces om
onze democratie heruit te vinden en de kwelduivels van vandaag te overwinnen:
cynisme en pragmatisme.

Hart
Boven Hard kiest er voor om alvast een bilan van de saneringen op te maken,
met een besparingswatch.
Misschien kan het ook overwegen een vocabularium te maken van gekaapte woorden,
als remedie tegen de spraakverwarring waarmee we vandaag voortdurend worden
geconfronteerd? Woorden bepalen ons wereldbeeld, en dus de wereld waarin wij
denken te leven. Woorden zijn macht, machthebbers proberen ze voor hun kar te
spannen door betekenissen te verdraaien.

Sommigen
vinden dat we ons daartegen moeten wapenen door beleidstaal te vermijden en een
eigen woordenschat aanleggen. Leren spreken in een eigen taal, smetvrij, zeg
maar. Met als voorspelbaar risico dat we, veld versus beleid, naast elkaar
zullen praten. Veel beter is het de betekenis van onze woorden terug op te
eisen.

Red herrings

Een
voorbeeld van gekaapte woorden is de uitdrukking ‘loonkloof’. Volgens veel
politici, ook uit de oppositie, zou dat vandaag het belangrijkste politieke
probleem zijn. Het probleem is niet dat CEO’s tot 300 maal meer verdienen dan
hun werknemers, en daarmee pretenderen dagelijks even waardevol werk te verrichten
als driehonderd man samen. Nee, wat ze bedoelen is dat normale jobs en sociale
zekerheid een obstakel zijn voor onze winstgerichte economie. ‘Loonkloof’: één
woord, twee tegengestelde betekenissen. Nog een: wat we ‘besparingen’ noemen in
publieke sectoren als zorg, onderwijs en cultuur, zijn eigenlijk ‘transfers’
naar bedrijven. De tax shift? Dat wordt een herverdeling van arm naar rijk.

Framing van
betekenissen, dat is hoe ideologie werkt. Een discoursanalyse van politieke
retoriek, en hoe semantische woordspelletjes ons een rad voor de ogen draaien,
het kan een startpunt zijn voor de uitbouw van een alternatieve politisering.
We zouden deze gemanipuleerde begrippen of concepten ook de ‘red herrings’ van de beleidspolitiek
kunnen noemen. In de filosofie is een ‘red
herring
’ iets dat je aanvinkt als problematisch omdat het misleidend van
aard is. De oorspronkelijke uitdrukking verwijst naar een jachttechniek: gerookte
haringen werden rondgegooid om de honden op een dwaalspoor te zetten. 

Nog
eentje: ‘participatie’ is iets anders dan kijkcijfers of publieksopkomst. Ticketverkoop
is bijvoorbeeld een verraderlijke raadgever als we weten als The Hobbit, part 2 in 2014 de film met
het hoogste bezoekersaantal was. Kwaliteit en opkomst vallen duidelijk niet
samen. Koppen tellen, zonder rekening te houden met wat er in die koppen
omgaat, garandeert op geen enkele manier enige educatie of emancipatie.

Idem
voor ‘superdiversiteit’ in de cultuursector: het is iets anders dan hier en
daar wat kleur op het podium of achter de kassa van onze instituten. Eerder dan
window dressing, vereist het een
horizontale en democratische organisatie van het kunstenveld zodat sociale
mobiliteit mogelijk wordt. Maar met een vermarkte sector eindigen we bij een Benetton-kapitalisme,
waar participatie een privilege is voor enkelen, waar iedereen slechts als
consument gelijk is. Een beleid dat rekenschap wil geven aan superdiversiteit, maar tegelijk de vermarkting uitrolt, werkt zichzelf tegen.

Of de term ‘publieke
relaties’: in plaats van marketing, zou het niet beter om het doorbreken van de concurrentielogica gaan,
voorbij het prestige van logo’s, sponsors of (city)marketing? Om meerwaardezoekende, offensieve strategieën, waarbij we wat
ondernemerschap is creatief benaderen, als het beheer van onze maatschappelijke
huishoudkunde in functie van de mensen, niet de winst.

Woorden in actie

En natuurlijk, de beste manier om de heroverde
betekenis van woorden ingang te doen vinden, is ze in praktijk te brengen. Dat
dit mooie resultaten kan opleveren, bijvoorbeeld in het geval van wat ‘publieke
relaties’ zoal kan betekenen, toont een campagne van een associatie grafische ontwerpers uit São
Paolo. Zij stuurden aan op een referendum en met 70 procent van de bevolking
achter zich kwam er in 2007 de Clean City
Law
die reclame in publieke ruimte verbiedt. Op de muren, maar ook de
zogenaamde rollende reclame: op bussen, taxi’s, auto’s en fietsen.

Het idee is niet nieuw, de Canadese
staat Vermont bande reclamepanelen al in 1968 en andere staten zoals Maine,
Alaska en Hawaï volgden dit voorbeeld. Maar São Paolo is wel een van de
grootste metropolen ter wereld, de grootste in Zuid-Amerika. Het was een
wereldstad met circa 13.000 reclameborden, sommige van extreme afmetingen, een
flatgebouw groot.

Ruth Klotzel, lid van de
initiatiefnemende associatie grafische vormgevers in São Paolo, getuigde[1] dat de Clean City Law herinneringen uit de
kindertijd terugbracht: op straat spelen, huizen en auto’s die niet op slot
hoefden, niet die dwang van hippe kleding en meer dan één uurwerk. De
transparante skyline, ontdaan van alle drukke mentale en fysieke vervuiling,
legt tegelijk vriendelijk en brutaal een geschiedenis bloot.

Het heeft, aldus Klotzel, ruimte,
verleden en waardigheid van de stedelingen gered. Ze maken hun persoonlijkheid
nu niet meer zo afhankelijk van private interesses. De eigenlijke vraag wordt
vervolgens wat hen toch bezielde die duizenden reclameborden zelfs op de meest
onmogelijke plaatsen aan te brengen? Omdat er geen alternatief was?[2]

[1] David B. Berman (2013).
Do Good Design. How Design Can Change The
World.
Aiga New Riders, Californië. pp. 46-47.

[2] De website van This Changes Everything. Capitalism vs. The
climate
(2014), het nieuwe boek van Naomi Klein, bevat een blog Beautiful Solutions die talrijke
voorbeelden verzamelt van hoopvolle nieuwe sociaaleconomische oplossingen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!