about
Toon menu

Europese azijn-kippen: chemische stoffen in de voedingsindustrie

Het heeft er alle schijn van dat de Europese Unie in de toekomst perazijnzuur toelaat als ontsmettingsmiddel voor kippen. Daarmee zou voor het eerst in Europa een chemisch zuur als ontsmettingsmiddel dienen. Wetenschappers hebben echter grote bedenkingen bij de chemische stoffen die nu al in onze voeding verwerkt worden.
vrijdag 10 april 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De Britse onderzoeksjournaliste Joanna Blythman wist recentelijk Groot-Brittannië te choqueren met de resultaten van haar jarenlange undercover speurwerk. In haar boek Swallow This toont ze aan dat chemische stoffen uit onder meer de cosmeticasector in diverse soorten voedsel verwerkt worden.

Het nieuwe voornemen van de Europese Commissie om perazijnzuur te gedogen voorspelt op dit vlak weinig goeds. Dat plan kan bovendien niet los worden gezien van de onderhandelingen die gevoerd worden tussen de EU en VS over het vrijhandelsakkoord TTIP. Amerika oefent daarbij druk uit op de EU om chemische ontsmettingsmiddelen toe te laten. Zo kan Amerikaans vlees ook in Europa ingevoerd worden.

Perazijnzuur in Europa

Mocht dat plan werkelijkheid worden, dan zou het indruisen tegen de huidige Europese procedure om vlees van ziektekiemen te vrijwaren. In Europa worden ziekteverwekkers doorgaans meteen bij de bron tegengehouden. Daardoor wordt een eenmalige chemische ontsmetting aan het einde van het proces overbodig. Karin Verelst, moleculair bioloog en wetenschapsfilosoof bij Centre Leo Apostel aan de Vrije Universiteit Brussel, geeft uitleg.

“De EU kijkt niet enkel naar het eindproduct, maar naar het hele proces. Dat noemen we het ‘from farm to fork’-beleid. Elke stap in het productieproces van voeding wordt daarbij gecontroleerd, met het oog op dierenwelzijn en de reductie van chemisch en medicinaal ingrijpen. Dat staat in schril contract met de Amerikaanse methode. Daarbij worden ziektekiemen pas aan het eind van de keten onschadelijk gemaakt door chemische ontsmetting toe te passen.”

Zo is het in de VS heel gebruikelijk om vlees in een chloorbad te desinfecteren. Ook perazijnzuur – een verbinding van azijnzuur en waterstofperoxyde – wordt er vaak als ontsmettingsmiddel gebruikt. In Europa stond men tot nu toe echter huiverachtig tegenover deze vormen van chemische ontsmetting. Binnen de EU werden voorstellen om ‘chloorkippen’ toe te laten steevast verworpen. Alhoewel de Commissie nu perazijnzuur wil toestaan, zijn veel lidstaten en ook het Europees parlement tegen. Onderzoek uit 2007 toont aan dat de antimicrobiële producten die in de VS worden gebruikt niet erg efficiënt zijn. Het aantal besmettingen met campylobacter en salmonella zou er amper dalen. De Europese aanpak blijkt effectiever.

Ontsmetting als camouflage

Vraag is of de vrees van de EU-lidstaten terecht is. Zijn chemische ontsmettingsmiddelen, zoals perazijnzuur, werkelijk schadelijk voor de consument? “Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt”, stelt Karin Verelst. “In de VS zal men zeggen van niet. Daar ontsmet men voedsel en gaat men via laboratoriumtesten na of er risico’s aan verbonden zijn of niet. Blijkt dat niet het geval te zijn, dan is er volgens hen geen probleem.”

Maar volgens Verelst is dat niet de correcte werkwijze. “We moeten rekening houden met de effecten voor de gezondheid op lange termijn. Meerdere experts wijzen op de lage kwaliteit van de voeding en de potentiële gezondheidsrisico’s die eraan verbonden zijn.”

Amerikaanse druk

Consumentenorganisaties vrezen dat het recente voornemen van de Commissie om ‘azijnkippen’ te gedogen, de drempel voor ‘chloorkippen’ zal verlagen. De Europese instelling ontkent dit. Niettemin kan men zich afvragen waarom de instantie er plots voor kiest om perazijnzuur en drie andere middelen toe te staan.

Op het eerste zicht lijkt het antwoord simpel. De European Food Safety Autority (EFSA), de Europese autoriteit voor voedselveiligheid, bracht vorige maand een rapport uit met een positief advies over de chemische stoffen. Meer concreet zijn de chemische oplossingen volgens die instantie veilig genoeg om kippenvlees en -karkassen mee te ontsmetten.

Toch is er meer aan de hand. Aanleiding voor het EFSA-rapport zijn de onderhandelingen die de EU en VS voeren over het vrijhandelsakkoord TTIP. Daarin is de ontsmetting van kippenvlees een belangrijk agendapunt. Het is niet onwaarschijnlijk dat de VS grote druk heeft uitgeoefend op de beslissing van de Commissie. Op die manier kan de VS van Europa een nieuwe afzetmarkt voor kippenvlees maken. Het hoeft niet te verbazen dat een rapport van het Amerikaanse ministerie van Landbouw de basis vormde voor het verzoek om advies aan het EFSA.

“Het spelletje dat de VS nu speelt, is niet nieuw”, meent Karin Verelst. “Reeds sinds 2008 oefent ze druk uit op de EU. In 2009 diende ze zelfs klacht in tegen de EU bij de Wereldhandelsorganisatie.” Die klacht had betrekking op het Europese invoerverbod voor chloorkippen.

Verwevenheid met chemiesector

Perazijnzuur blijkt evenwel niet de eerste chemische toepassing te zijn binnen de Europese voedingsindustrie. Uit Swallow This: Serving Up The Food Industry’s Darkest Secrets van Joanna Blythman blijkt dat de sector akelig veel gelijkenissen vertoont met de chemiesector. Zo leveren bepaalde chemische distributiebedrijven grondstoffen aan zowel fabrikanten van cosmetica, reinigingsmiddelen en verf als aan voedingsproducenten. Daarbovenop blijken deze branches dezelfde soorten chemicaliën te gebruiken. Die verwevenheid van sectoren noemt Verelst “een heel ongezonde situatie. Het is het gevolg van de drang van bedrijven om op zo groot mogelijke schaal te produceren. Niettemin kan dit tot heel gevaarlijke toestanden leiden.”

Nadia Tahon, diensthoofd Voeding bij Velt (Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren), legt uit waarom voedingsproducenten zulke petroleumderivaten gebruiken. “Fabrikanten bedienen zich vaak van goedkope voedingsmiddelen om de productieprijs zo laag mogelijk te houden. Probleem is dat die producten vaak een inferieure kwaliteit kennen. Daarom smukken ze die op met bewaarmiddelen, kleurstoffen, zoetstoffen, enzovoort die gebaseerd zijn op olie.”

Tartrazine

Hoewel petroleumderivaten op korte termijn niet meteen een grote aanslag op onze gezondheid inhouden, zijn ze niet volledig gevarenvrij. Dat toont tartrazine aan. Deze gele kleurstof wordt gebruikt voor diverse soorten cosmetica en het verven van leer, maar zit ook in verschillende voedingsmiddelen. Onder meer frisdrank, koekjes, wafels, chips en bepaalde sauzen kunnen deze stof bevatten. “Nochtans wordt de stof verdacht van bijwerkingen,” licht Tahon toe.

Zo kan tartrazine leiden tot allergische aanvallen bij mensen die intolerant zijn voor salicylaten (bijvoorbeeld aspirine). Daarnaast zou het de kans op een aanval bij astmapatiënten kunnen verhogen. Ook voor kleine kinderen valt de consumptie ervan af te raden: sommige studies leggen een link tussen tartrazine en hyperactiviteit. Al bestaat daar geen wetenschappelijke consensus over.

Andere ‘wondermiddeltjes’

Petroleumderivaten blijken niet de enige ‘wondermiddeltjes’ die voedingsproducenten gebruiken om ons eten er aantrekkelijker uit te laten zien, langer te laten bewaren of beter te laten smaken. Joanna Blythman constateerde dat fabrikanten aan ham een verse aanblik geven door gebruik te maken van getextureerde sojaproteïne. Tomatensaus wordt dan weer verdikt en glanzend gemaakt met een middel gebaseerd op gemodificeerd zetmeel. De saus krijgt een even vlezige aantrekkingskracht als traditionele tomatensaus, terwijl het een vierde minder tomatenpuree bevat.

Kant-en-klare fruitsalades worden ondergedompeld in oplossingen die onder andere citroenzuur bevatten. Zo wordt de houdbaarheid ervan met 21 dagen verlengd en blijven de salades er fris en natuurlijk uitzien. Op de vraag of dit nog gezond is, antwoordt Karin Verelst: “Je kan de volgende algemene stelregel hanteren: hoe meer dat voeding chemisch verwerkt wordt, hoe geringer de voedingswaarde ervan. Want waarom maken voedingsproducenten gebruik van chemische bewerkingen? Het is antwoord is simpel: om bepaalde schadelijke bacteriën te vernietigen. Daarbij worden evenwel ook veel goede stoffen afgebroken, zoals vitaminen.”

“Dat kan mensen op het verkeerde been zetten”, vult Nadia Tahon aan. “Ze denken dat ze met bijvoorbeeld een fruitsalade voldoende vitaminen binnen krijgen, maar het tegendeel is waar. Door de oxidatie die optreedt tijdens de onderdompeling van het fruit, verdwijnen er juist veel vitaminen.”

Verschuiving in huishoudbudget

Waarom maakt de voedingsindustrie nu juist gebruik van deze chemische wondermiddeltjes? Om de productieprijs van voeding te drukken, zo geeft Blythman in haar boek Swallow This aan.“Dat klopt”, stelt Tahon. “Voedsel moet goedkoop zijn, kijk maar naar de prijzenslag tussen de supermarkten. Je ziet ook dat veel consumenten tegenwoordig minder willen uitgeven aan voeding. Waar mensen vroeger veertig procent van hun huishoudbudget aan voeding besteedden, bedraagt dit aandeel nu nog maar veertien procent. De voedingsindustrie gaat dan ook steeds meer op zoek naar goedkopere vervangmiddelen.”

Toch is niet alles kommer en kwel in de voedingsindustrie. De laatste jaren zouden voedingsproducenten steeds vaker de meest omstreden ingrediënten links laten leggen. Al is dat wellicht niet veel meer dan een strategie om imagoschade te ontlopen. Joanna Blythman beschrijft hoe in veel gevallen net iets minder omstreden ingrediënten als vervangmiddel gebruikt worden.

Nadia Tahon beaamt dit. “Gelukkig groeit de groep van bewuste consumenten. De voedingsindustrie van haar kant wil natuurlijk ook deze doelgroep bedienen. Dat probeert ze door producten op de markt te brengen met een zogenaamde groene uitstraling. Een voorbeeld is Coca Cola Life die het stevia-extract bevat. Stevia wordt voorgesteld als een op en top natuurlijk ingrediënt. Eigenlijk is het gewoon, zoals vele andere additieven, een geëxtraheerd product.”

Consumentenmisleiding

Probleem is dat die additieven vaak met een natuurlijk klinkende naam op het etiket worden vermeld. Dat leidt ertoe dat de doorsnee consument meer dan eens misleid wordt. Verelst verduidelijkt dit fenomeen. “Rozemarijnextract bijvoorbeeld zit vaak in salami. Ongetwijfeld doet die naam veel mensen denken aan het kruid rozemarijn. In werkelijkheid is rozemarijnextract gewoon een label voor antioxidanten zoals butylhydroxyanisol en butylhydroxytolueen. Deze chemicaliën worden bekomen door een extractieprocedure waarbij gebruik wordt gemaakt van carbondioxide of chemische oplossingsmiddelen. Rozemarijnextract wordt dus wel voorgesteld als een natuurlijk product, maar in werkelijkheid is het dat allerminst.”

Hoe komt het dat zo’n consumentenmisleiding mogelijk is? “In de EU moeten alle voedingsadditieven vermeld worden op de ingrediëntenlijst. Fabrikanten mogen evenwel zelf beslissen wat ze juist weergeven: de naam van het additief, het E-nummer of beiden”, geeft Tahon aan. “Dan is de keuze natuurlijk snel gemaakt. Voedselproducenten zullen veel sneller opteren voor een mooi klinkende naam dan voor een E-nummer of een chemische benaming.”

Dat probleem kan echter simpel opgelost worden volgens Tahon. “Persoonlijk vind ik dat het E-nummer altijd vermeld zou moeten worden, zodat de consument kan opzoeken wat er juist in bepaalde voedingsmiddelen zit. Dat zou toch een pak meer duidelijkheid scheppen.”

EU-wetgeving

Die duidelijkheid lijkt inderdaad nodig. Want met de algemene kennis van de consument over wat hij/zij werkelijk eet, is het nog altijd slecht gesteld, stellen zowel Karin Verelst als Nadia Tahon. “Bovendien bestaat er veel verwarring over het verschil in betekenis tussen ‘ten minste houdbaar tot’ en ‘te gebruiken tot’”, vindt Tahon. “Dat lijkt een detail, maar mocht je weten hoeveel goede voeding daardoor al niet is weggegooid (zucht). Sensibilisering is echt nodig.”

De consumentenkennis is dus voor verbetering vatbaar, maar wat met de wetgeving rond consumentenbescherming, die zich op Europese niveau afspeelt? “De EU moet strenger worden”, vindt Tahon. “Het is de plicht van elk bedrijf om heldere, niet misleidende of fout te interpreteren informatie aan te bieden aan haar klanten. De reclameborden van Coca Cola Life bijvoorbeeld vermelden het zogenaamde natuurlijke karakter van de ingrediënten maar zeggen niets over de milieu-impact van het product. Veel consumenten denken evenwel dat het een pak ecologischer is dan de andere colavarianten. Europa mag wat mij betreft harder optreden tegen zulke reclameboodschappen.”

Ook Verelst pleit voor een strengere regelgeving. “Al is de wetgeving zoals ze er nu is wel veel beter dan wat de Commissie in de toekomst wil doorvoeren.”


Swallow This: Serving Up The Food Industry’s Darkest Secrets van Joanna Blythman verscheen op 26 februari bij uitgeverij Fourth Estate. Voorlopig is er enkel een Engelse versie beschikbaar.