Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

De lange weg naar goede zorg voor slachtoffers verkrachting

Staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke Sleurs wil slachtoffers van verkrachting beter opvangen. Snel gespecialiseerde zorg bieden is belangrijk voor het herstel van het slachtoffer en de opsporing van de dader, maar de meeste slachtoffers zwijgen. In de Centra Seksueel Geweld in Nederland kunnen slachtoffers terecht voor acute medische en psychologische hulp, maar ook voor forensische vaststellingen, en dat zonder dat ze eerst aangifte hoeven te doen.
donderdag 9 april 2015

Een avondje uit eindigde voor Vera1 in een groepsverkrachting die een verwoestende impact had op haar leven.

Langzaam werd ik wakker, alles rond mij was wazig. Ik kon voelen en horen dat ik in een rijdende auto zat. Ik droeg geen beha en mijn slipje was heel nat. Aan het station moest ik uitstappen. Het was rond halfzes in de ochtend. Ik had geen handtas meer, geen telefoon, geen geld. Ik belde aan bij een vriendin, kreeg geen gehoor en ging dan maar naar mijn grootmoeder. Ik vertelde haar dat ik vermoedde dat ik verdoofd, ontvoerd en verkracht was”.

De officiële cijfers voor verkrachtingen in ons land schommelen al een aantal jaar rond de 3000. In 2013 registreerde de politie 3072 klachten, gemiddeld meer dan acht per dag. Daar kwamen ook nog eens 212 groepsverkrachtingen bij.

Negen op tien onder de radar

Hoge cijfers, maar het werkelijke aantal moet nog heel wat hoger liggen. Volgens de meest recente Veiligheidsmonitor – een enquête van de politie bij de bevolking – zouden maar liefst negen verkrachtingen op de tien niet worden aangegeven. De slachtoffers zijn bijna altijd vrouwen: 93 procent volgens de Veiligheidsmonitor. De politie maakt in haar statistieken geen onderscheid naar geslacht.

Ik zat op de sofa en rookte een sigaret, probeerde mijn hoofd helder te krijgen. Mijn grootmoeder vroeg of ik geen aanleiding had gegeven. Ze was erg van streek en belde mijn broer uit bed. Ook hij stelde vervelende en insinuerende vragen, waarop ik niet kon antwoorden, en slingerde mij in het gezicht dat ik het zelf had gezocht. Ik werd gek van die twee zenuwachtige mensen, ik wilde met rust gelaten worden, en vertrok. Ik voel mijn grenzen zelf wel en zal wel hulp vragen als ik het nodig vind, dacht ik. Ik zat in de ontkenning, het drong niet echt tot mij door. Ik voelde mijn lichaam niet, drie weken lang kon ik niet huilen. In het flatgebouw waar ik woonde hielp iemand van de technische dienst mij naar binnen. Ik was zo moe dat ik onmiddellijk in mijn bed plofte. Na enkele uren slapen belde ik een vriendin, die ook een opleiding als politieagente volgde, met de vraag wat ik moest doen. Ze vertelde mij dat ik mij niet mocht wassen – iets wat je wel duizend keer wil doen als je zoiets meemaakt – en dat ze mij zou komen ophalen om aangifte te gaan doen. De chaos in de wachtzaal bij de politie vond ik afschuwelijk. Een agent maakte een verslag op van wat er was gebeurd, tenminste van wat ik mij kon herinneren van die nacht. Daarna moest ik naar het ziekenhuis voor onderzoek en het verzamelen van DNA voor het opsporen van de daders. Er was heel veel sperma, ik was vaginaal, anaal en oraal verkracht. En ik herinnerde mij haast niets ...”

Psychische schade

Voor Erik de Soir, traumapsycholoog, zijn het herkenbare reacties: “Een gevoel van vervreemding van jezelf, het moeilijk hebben om je gevoelens te uiten of om je belangrijke zaken te herinneren, zijn overlevingsmechanismen waarmee je lichaam zich probeert te beschermen tegen de impact van een erg schokkende gebeurtenis, zoals een verkrachting. Het slachtoffer wordt gebruuskeerd en bedreigd, ervaart pijn en angst, en voelt zich totaal machteloos en verlaten. Dat is erg beschadigend”.

Bijna alle slachtoffers van verkrachting, 94 procent, hebben in de eerste twee weken na de feiten symptomen van posttraumatische stressstoornis of PTSS. Het gevoel buiten zichzelf en de omgeving te staan, emotieloosheid, woede-uitbarstingen, slaap-, concentratie- en geheugenproblemen, hardnekkige herbelevingen en het vermijden van alles wat associaties oproept met de traumatiserende gebeurtenis, zijn kernsymptomen van PTSS. Kenmerkend is dat herinneringen aan de verkrachting onveranderlijk en onbewust sluimeren, tot bepaalde prikkels – triggers – ze activeren en voor herbeleving zorgen. Ze overvallen het slachtoffer als flashbacks, nachtmerries, paniekaanvallen of de plotse indruk dat de verkrachting zich gaat herhalen.

Onbewust word ik getriggerd, door mensen, woorden, geuren, grapjes, of als ik iets hoor over verkrachting. Dan ervaar ik een ongelooflijke stress in mijn lijf, alsof ik word verscheurd. Zoals onlangs op de bus. Er was nog één plaats vrij, naast een grote man. Ik ging naast hem zitten en meteen begon ik te zweten en te trillen. Terwijl ik het nu vertel, krijg ik pijn in mijn buik. Na bijna 13 jaar heb ik ook nog altijd nachtmerries. Ik zie geen duidelijke herinneringsbeelden want ik werd gedrogeerd. Maar ik zie wel schimmen en ik voel dat vier, vijf, zes mannen aan mijn benen en armen trekken, mij bij mijn haren over de grond slepen, mij uitlachen en vernederen”.

Blijvende klachten bij één op twee

Bij traumapsychologen heeft verkrachting de reputatie het geweldmisdrijf te zijn met de hoogste kans op chronische PTSS, hoger dan bij een ongeval of voor soldaten in een oorlogssituatie (zie tabel).2 

Een aantal slachtoffers herstelt spontaan, maar internationale studies geven aan dat in 40 tot 50 procent van de gevallen de klachten ook na drie maanden aanhouden – PTSS wordt dan chronisch. In een recente studie van het gerenommeerde Zweedse Karolinska Instituut bleek dat 47 procent van de slachtoffers zelfs na zes maanden nog de kernsymptomen van PTSS had.

Behalve op PTSS lopen slachtoffers ook een hoog risico op depressie, zelfmoordneigingen, zelfverminking, uiteenlopende lichamelijke klachten en extreme vermoeidheid. Het risico op zelfdoding is tienmaal hoger bij psychotraumatische problemen. In de studie van het Karolinska Instituut leed 47,5 procent na zes maanden aan matige tot ernstige depressie.

Omdat de herbelevingen ontredderen en beangstigen, probeert het slachtoffer situaties, plaatsen, mensen of gedachten die ze kunnen oproepen te vermijden. Dat kan tot grote beperkingen leiden.

Elke dag opnieuw is een overlevingstocht. Op sommige dagen ben ik vier uur bezig om mijzelf in balans te krijgen, gewoon om naar de winkel te gaan of om mijn zoontje naar school te brengen, omdat ik zoveel angst heb om buiten te komen. In paskamers krijg ik het benauwd. Ik koop wel via internet, dat wordt thuis geleverd. Ik krijg nu een jaar een ziekte-uitkering, voor het eerst sinds de verkrachting. Normaal werken gaat niet. Op mijn laatste job werd ik te vaak getriggerd, door op zich heel onschuldige opmerkingen. Soms ben ik door de stress en de angst erg chaotisch. Ook fysiek geraak ik soms echt niet vooruit. De nachtmerries putten mij uit, de angst en de spanning blijven dagen in mijn lijf hangen, ik ben dan zo moe”.

Zwijgen

Een van de redenen waarom slachtoffers van verkrachting zo’n hoog risico lopen op PTSS, is dat ze vaak zwijgen. Maar zwijgen lokt net meer herbelevingen uit, die dan nog meer beangstigend zijn. Aangifte gebeurt ook mede daardoor vaak niet. Slachtoffers lijden in stilte omdat ze bang zijn voor het oordeel van de omgeving of voor de dader, die heel vaak een bekende is, of omdat ze zich schamen en zichzelf verwijten maken.

Erik de Soir: “De meesten durven geen aangifte te doen: daders dreigen immers dat het daarmee allemaal nog erger zal worden en dat ze toch niet geloofd zullen worden, of het slachtoffer worstelt met schuldgevoelens: 'ik had geen korte rok mogen aandoen' of 'ik had nooit dat glas champagne mogen aannemen'”. Moeilijk kunnen praten over wat er is gebeurd, hoort overigens ook bij PTSS. “Het slachtoffer is vaak niet in staat om wat het heeft ervaren goed te verwoorden”, zegt Erik de Soir. “Het vermogen om dat te doen is aangetast. Erover moeten praten lokt ook herbeleving uit en dat is erg pijnlijk”.

Eerst aangifte, dan sporenafname

De laatste dagen was vaak te horen dat een slachtoffer naar een dokter kan gaan om het geweld te laten vaststellen en sporen, sperma, te laten afnamen van de dader. Jammer genoeg is het niet zo eenvoudig. Het zoeken naar sporen voor de bewijslast vergt specifieke kennis en verloopt volgens een vastgelegde, wettelijke procedure.

Een dokter verzamelt geen bewijsmateriaal, zoals DNA van de dader, zonder opdracht van de procureur des Konings bij het parket. En daarvoor moet het slachtoffer aangifte doen bij de politie. Zo wil de wet het. De gerechtsarts onderzoekt het lichaam en de kleren van het slachtoffer dan aan de hand van een zogenaamde SAS of seksuele agressieset, een doos met materiaal en instructies om seksueel geweld vast te stellen en sporen te verzamelen die de dader kunnen identificeren. Het is een gespecialiseerd onderzoek dat al gauw anderhalf tot twee uur in beslag neemt. De analyse van de stalen gebeurt overigens niet automatisch. Dat is een aparte beslissing van het gerecht.

Rol arts overschat

Een huisarts die daarvoor geen opdracht krijgt van het parket, neemt dus geen DNA af. “Wij adviseren inderdaad om het lichamelijke onderzoek bij verkrachting te laten uitvoeren door mensen die daarvoor opgeleid zijn”, zegt dokter Maaike Van Overloop, voorzitter van de Vlaamse huisartsenvereniging Domus Medica.

“Dit moet wetenschappelijk en juridisch heel correct verlopen, in het belang van het slachtoffer. Uitwendige letsels zoals blauwe plekken en wondjes kunnen wij vaststellen en attesteren, maar wij moeten ook opletten alles zo intact mogelijk te laten en geen sporen te wissen voor als het slachtoffer toch klacht zou willen indienen. Sporenafname kunnen wij niet doen. Het allerbelangrijkste voor de huisarts is het slachtoffer te overtuigen klacht in te dienen”.

Hetzelfde geldt voor heel wat ziekenhuizen. Het federaal steunpunt geweld op vrouwen bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen deed vorig jaar een rondvraag waaruit bleek dat slechts 12 van de 66 algemene ziekenhuizen in Vlaanderen gevormd zijn in het afnemen van de SAS. Recente cijfers worden binnenkort verwacht.

En in ieder geval geldt ook hier dat je eerst aangifte moet doen vooraleer een SAS wordt toegepast.

Een weg rond aangifte?

Klacht indienen kan nog jaren na de feiten, maar niet bewijskrachtige sporen verzamelen, zoals DNA, die naar de dader kunnen leiden. Na 72 uur al is dit quasi-onmogelijk. Ideaal is een aangifte en sporenafname binnen de 24 uur.

Als je wil dat de dader van een verkrachting gevat wordt, dan kan je vandaag in ons land niet om een snelle aangifte heen voor sporenafname, maar slachtoffers schrikken er net voor terug. Een patstelling?

In Groot-Brittannië, de Scandinavische landen en in Nederland bestaan centra die aangepaste hulp bieden aan slachtoffers van verkrachting. Slachtoffers hoeven ook niet meteen te beslissen of ze aangifte willen doen. Ze kunnen hoe dan ook sporen laten afnemen.

Integrale zorg de klok rond

Het Centrum Seksueel Geweld (CSG) in Utrecht is zo’n plek waar artsen, psychologen en politie samenwerken en elke dag de klok rond gecombineerde zorg bieden. Lieve Hehenkamp is er psychologe: “Die multidisciplinaire en altijd toegankelijke zorg is belangrijk omdat de eerste 72 uur zo cruciaal zijn. Er moeten sporen worden afgenomen voor de opsporing van de dader, en het slachtoffer moet medische zorg krijgen, denk aan een behandeling tegen soa’s en hiv en het voorkomen van een mogelijke zwangerschap. Wij nemen ook binnen één werkdag contact op voor psychische zorg. Slachtoffers denken vaak dat ze gek worden, snappen niet wat er met ze gebeurt, schamen zich. Wij vertellen dat die reacties normaal zijn. En dat maakt al zoveel verschil, zien we”.

Kan een leek, een begripvolle omgeving goede hulp bieden? Lieve Hehenkamp denkt van niet: “Er is veel kennis nodig over de hevige klachten die slachtoffers kunnen hebben. En die kennis komt van een opleiding gecombineerd met klinische ervaring. Je moet daarbij ook denken aan het hoge risico op zelfmutilatie bij slachtoffers. En je moet een goede inschatting kunnen maken of iemand meer risico loopt op het ontwikkelen van PTSS. De psychologische monitoring is heel belangrijk. Wanneer er sprake is van PTSS, kunnen we behandeling inzetten”.

De gecoördineerde aanpak op het centrum verhoogt ook de aangiftebereidheid. Landelijk doet 5 tot 10 procent aangifte, binnen het CSG is dat 34 procent. In Nederland bestaan nu drie Centra Seksueel Geweld. De komende jaren zullen er nog tien bijkomen.

Ik heb zelf ontdekt dat ik PTSS had, door wat ik bij mezelf opmerkte op te zoeken op het internet en in de bibliotheek. Na de aangifte bij de politie kwam er enkele weken een vrijwilligster van Slachtofferhulp bij me thuis langs. Ze was een luisterend oor. Met wat ik nu weet over PTSS, kan ik niet zeggen dat die aanpak professioneel was, maar het deed mij wel goed. Daarna had ik nog een aantal jaren praattherapie. Na vijf jaar dacht ik dat ik ‘genezen’ was. Maar op een dag zag ik onverwacht een van de vermoedelijke daders terug. Dat was een enorme trigger, ik stortte in”.

Multidisciplinaire centra

Integrale zorg voor verkrachtingsslachtoffers zoals in Nederland mag dan nog niet bestaan in ons land, in een aantal gerechtelijke arrondissementen, zoals in Gent, Antwerpen, Leuven en Brussel, hebben politie en gerecht wel samenwerkingsovereenkomsten met ziekenhuizen voor het afnemen van de SAS.

Kunnen zij uitgroeien tot referentiecentra voor medische, psychische en forensische hulp? Referentiecentra bestaan al voor mensen met hiv of aids. Liesbet Stevens, professor seksueel strafrecht aan de KU Leuven: “Wat je moet garanderen is dat de sporenafname professioneel gebeurt en dan kan je het slachtoffer die extra tijd geven om te beslissen of het aangifte wil doen of niet. Een eerste stap is het samentrekken van dienstverlening en expertise en die onderbrengen bij gespecialiseerde centra, bijvoorbeeld een of twee per provincie, waarvan geweten is dat ze de SAS kunnen afnemen, 24 uur op 24 uur ter beschikking staan en weten hoe ze moeten omgaan met slachtoffers van verkrachting. Andere beroepsgroepen zouden moeten verwijzen naar die centra. Dat het bij traumatische ervaringen ook nodig is om snel in te grijpen, is een argument voor psychische zorg in die hulpverleningscentra.”

Ik zal nooit meer de Vera van vroeger zijn, maar ik slaag erin ermee te leven. Soms leef ik enkel nog voor mijn zoon. Ik heb begeleiding van een dokter, een osteopate en een psychiater. Het helpt, om mijzelf in balans te brengen na een nachtmerrie of angstaanval. Maar ik word nog altijd getriggerd en dan heb ik weer nachtmerries”.

De daders van Vera’s verkrachting zijn nooit gevat. Ze deed aangifte volgens het boekje, DNA-stalen werden afgenomen maar het parket vroeg geen analyse van de stalen. Haar zaak werd geseponeerd: ‘dader onbekend’.


1 Vera is een schuilnaam.

2 Van de slachtoffers van verkrachting vertoont 94% in de eerste twee weken na de feiten symptomen van posttraumatische stress (PTSS). Als de problemen langer dan drie maanden aanhouden, worden ze als chronisch beschouwd. Een studie van de Amerikaanse psychiater Kessler, die nog steeds als referentie geldt, toonde aan dat wie slachtoffer wordt van verkrachting het hoogste risico op chronische PTSS loopt.

Het artikel kwam tot stand in de opleiding Internationale Researchjournalistiek, een samenwerking van het Fonds Pascal Decroos en de hogeschool Thomas More.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.