about
Toon menu
Analyse

Gatz’ Visienota: vliegwiel voor ontkenning

'Naar een dynamisch, divers en slagkrachtig kunstenlandschap in Vlaanderen', zo klinkt de titel van de Visienota Cultuur. Het is een met veel voornemens en kunstminnende woorden verpakt afleidingsmanoeuvre geworden dat de cultuursector het voortschrijdende separatisme en de gefaseerde sanering wil doen vergeten. We worden doorverwezen naar het aangekondigde Witboek voor alternatieve financiering, een draaiboek voor de uitverkoop.
donderdag 2 april 2015





 

Blijf van mijn bibs!’ is een campagne die nu loopt, en wel tegen de auteur van de Visienota Cultuur die op 1 april verscheen. Het is van belang dat in het achterhoofd te houden omdat de Visienota, zoals te verwachten was, bol staat van goede voornemens, terwijl de auteur juist de pleitbezorger is van de besparingen die al bij voorbaat een kruis trekken door al die voornemens. Want we kennen van de cultuurminister ook een heel ander gezicht: nog maar een paar weken geleden ontkende dat gezicht nog met veel aplomb dat de afschaffing van de bibliotheekplicht voor noodlijdende gemeenten een vrijgeleide is voor de sluiting ervan. Dat beweren zou van een ongepast wantrouwen getuigen ten aanzien van de lokale democratie, zo klonk het toen. Na veel kritiek – en een uitlating van Gatz op de Facebookpagina van journalist Bart Eeckhout – stuurde de minister zijn communicatie bij en gaf hij te kennen dat hij sluitingen niet uitsluit. Maar we zouden vooruitdenkend moeten zijn, klonk het toen.

Aandacht voor taalgebruik en communicatiestrategieën is essentieel bij de lectuur van beleidsverklaringen. Let meer bepaald op het onderscheid tussen wat gezegd en bedoeld wordt. Zo bedoelt de Visienota als daar omzwachteld staat: ‘de sector beleidsdomeinoverschrijdend versterken’ en ‘de samenleving nauwer betrekken’ eigenlijk de vermarkting van kunst en cultuur. En nog eentje: ‘Vanuit respect voor de intrinsieke en maatschappelijke waarde van de kunsten wil ik het samenspel tussen publieke en private financiering stimuleren, met aandacht voor volwaardig partnerschap, maatschappelijk dividend en een win-win voor beide partijen’. Creatief toch, die taalspelletjes om de uitverkoop van de publieke sector te verbloemen, al verraden ‘dividend’ en ‘win-win’ natuurlijk al veel.

Bij de lectuur van beleidsverklaringen is ook aandacht nodig voor wat niet gezegd wordt, maar verzwegen. In dat verzwijgen is de Visienota sterk. De (cultuur)politiek van de Vlaamse regering heeft twee assen: de gefaseerde forse sanering van de sector en het pushen van een soort cultuurseparatisme. Maar die assen houdt de Visienota angstvallig buiten beeld, om vervolgens met veel toeters en bellen het debat over een andere boeg te gooien. Zo lijkt de Visienota wel een aprilvis: bedoeld om de lezer te foppen. Met succes, want nogal wat commentaren in de krant (DS, 2 april) haken in op enkele concrete ideetjes van de minister.

De strategie van de nota is nochtans helder: tussen de regels lees je dat er moet bespaard worden, dat besparen een realiteit is die we gewoon moeten aanvaarden – there is no alternative. En zo wordt de vermarkting van de cultuursector opeens een noodzaak. Een kans zelfs. Dat het kostenplaatje dan veel duurder uitvalt, wordt er niet bij verteld. Een sterkere openbare dienstverlening? Het is zelfs geen optie meer. De markt is de Messias, aldus Gatz. We weten nochtans uit de UK en Nederland, landen die ons in de cultuurkaalslag zijn voorgegaan, dat dit fictie is.

‘Kunst is te belangrijk om een exclusieve bevoegdheid van de overheid alleen te zijn. Kunst is van en voor ons allemaal.’ Met zulke boutades probeert de minister de uitverkoop aan de man te brengen. Maar over welke exclusiviteit heeft hij het eigenlijk? Is er dan vandaag géén kunstmarkt, géén amusementsindustrie of géén eigen initiatief? Géén private mediaconcerns, géén VTM, Hollywood, Disneyland of Studio 100? Het omgekeerde is waar: er is nood aan democratische vrijplaatsen voor kunst en cultuur tegen de oprukkende vermarkting (inclusief het marktconforme cultuurondernemerschap in de publieke sector), zodat de sector geen private aangelegenheid wordt, maar wel iets van en voor ons allemaal.

Ontkenningscultuur

De Vlaamse separatisten van de N-VA maakten er de voorbije jaren een erezaak van via sensationele media-interventies de problemen en verwaarlozing van de federale instellingen te benadrukken, om nu vervolgens over te gaan tot een forse besparing van wel 20 procent op diezelfde federale instellingen. Dat is natuurlijk een politieke keuze, want intussen wordt wel 400 miljoen euro vrijgemaakt voor een blanco cheque aan private mediaconcerns. Ter vergelijking: de totale dotatie voor alle wetenschappelijke instellingen bedraagt 40,7 miljoen euro.

De Belgische boedelscheiding wordt niet alleen voorbereid door verwaarlozing. Staatsecretaris Sleurs (N-VA) doorkruist ook bewust de werking van bijvoorbeeld het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel (KMSKB). Ze verklaarde dat het Breugelmuseum op de lange baan wordt geschoven. Ook haar partijgenote Cathy Coudyser deed daar opmerkelijke uitspraken over.

Op een parlementaire vraag van Bart Caron (Groen) antwoordt minister Gatz dat de Vlaamse regering voor de viering van het Breugeljaar in 2019 zal inzetten op een grote tentoonstelling (De eeuw van Breugel) met de heropening van het Koninklijk Museum van Schone Kunsten in Antwerpen (KMSKA). Samenwerking met het KMSKB wordt niet overwogen, hoewel het Brusselse museum eigenaar is van het Breugelhuis. De Vlaamse regering wil de viering van ‘een eigen kunstenaar’ niet aan een Belgische instelling overlaten. In het regeerakkoord stond al nadrukkelijk dat Vlaanderen in tijden van de broeksriempolitiek toch zal investeren in de vernieuwing van Antwerpse musea. Tegelijk stuurt de N-VA aan op de afbouw van het KMSKB. Wat er met de federale kunstcollecties gebeurt, zal volgende legislatuur duidelijk worden.

De Vlaams nationalistische toets wordt ook in de Visienota van Gatz weer in de verf gezet: ‘De Vlaamse film wordt de hefboom bij uitstek om een venster op de wereld en Vlaanderen te openen’. De minister zal inzetten op ‘het merk’ Flanders Image en Screen Flanders ter promotie van de Vlaamse audiovisuele bedrijven en de Vlaamse film… in Brussel. Ook dans wordt omschreven als een ‘Vlaams exportproduct’. Gatz overweegt een netwerkstructuur van Vlamingen in sleutelposities in het buitenland. De N-VA toont zich dan ook blij met ‘de vele tinten N-VA’ in de Visienota, onder meer: ‘meer armslag voor de grote Vlaamse instellingen als topambassadeurs’.

Over de saneringen blijft het oorverdovend stil in de Visienota. Gatz wenst overleg, maar dan toch alleen over de thema’s die hem bevallen. Op een parlementaire vraag van Yamila Idrissi (Sp.a) liet de minister bijvoorbeeld uitschijnen dat hij het kunstenaarscollectief State of the Arts niet wil erkennen als volwaardige belangenbehartiger voor kunstenaars, allicht omdat het collectief, dixit Gatz,‘de besparingen fundamenteel ter discussie stelt en angstig is voor het marktmodel’. Toch beweert Gatz dat hij ‘op dezelfde golflengte’ zit met State of the Arts, want er zijn naar eigen zeggen onderwerpen waar ze het in grote lijnen wel over eens zijn. Het is een retorisch spel als uitwijkmanoeuvre voor de bezorgdheden van de kunstenaars.

‘Zonder bijkomende ondersteuning voor het huidige rijk geschakeerde kunstenveld, boekt de samenleving ontegensprekelijk een inhoudelijk verlies’, stelt de Visienota. Het is impliciet een mea culpa voor de nefaste gevolgen van de besparingen. Hoe de rekening vereffend zal worden voor de kunsten, weten we al: er zullen instellingen verdwijnen. Hoeveel? Dat is een open vraag waarmee de minister zijn sector aan de leiband wil houden tot 2016. Gatz omschrijft die aangekondigde liquidaties als een gewetensvolle zaak van ‘duidelijke keuzes’, ‘in het belang van de kwalitatieve en performatieve werking’. De subsidie verlagen van organisaties ‘met een minder goede werking’ is geen optie, aldus de Visienota, ‘dat brengt enkel een negatieve spiraal met zich mee.’ Instellingen dus maar meteen integraal liquideren, in het belang van de kunsten?

Het is maar hoe je het uitlegt… noem het bijvoorbeeld: ‘Het kunstenlandschap optimaliseren zodat we wat goed draait nog beter laten draaien.’ Want, alsof het om een natuurwet gaat, moeten we er van uitgaan dat ‘de grens van het huidige subsidiemodel bereikt is’. Niet het tekort aan een doordachte en versterkende cultuurpolitiek die in de eerste plaats inzet op openbare dienstverlening is het probleem. Nee, ‘overproductie’, dat zou nu ineens het probleem zijn. Politici die zich neerleggen bij de afbraakpolitiek en weigeren om nog over een alternatief na te denken laten de politiek in de steek.

Handen wassen in onschuld

Uit de Visienota leren we dat de minister de verantwoordelijkheid voor de liquidaties gaat doorschuiven naar ‘een pool van beoordelaars’. Plots zijn ‘de experts’ wel relevant. Tegelijk gaat de minister werken aan een ‘burgerkabinet’ waar hij de gewenste aanbevelingen kan sprokkelen om zijn beleid van een democratisch aureool te voorzien. Dat de minister zo’n structuren opricht om zich in te dekken, is een teken aan de wand.

Gatz probeert de verantwoordelijkheid ook af te wentelen op het nieuwe Kunstendecreet dat met een ruime meerderheid werd goedgekeurd. Maar dat decreet schetst slechts een breed kader als richtlijn voor de toekomstige cultuurpolitieke discussie. Een aanzet tot overleg, dat was de opzet. Maar Gatz haalt er alleen wat elementen uit om zijn verhaal te stutten.

Ook cultuursociologen kunnen best uitkijken voor recuperatie van hun academische reputatie. Zo bracht Rudi Laermans recent een denkoefening waarin hij het kunstenlandschap vergelijkt met de meetkundige figuur van de ruit. Hij zet daar een zandlopermodel tegenover: eerder dan een gelijke, willekeurige spreiding zouden we moeten investeren in zowel de top als de basis. Tijdens de debatreeks ‘Cultuur onder een rechts bestuur’, nam de minister dat idee meteen over, maar dan als argument om te knippen in instellingen. Eerder dan de discussie te voeren, herleidt Gatz een denkoefening meteen tot beleidsondersteunende wetenschap.

Het leidt tot academisch verpakte willekeur en vrijblijvendheid, want België heeft bijvoorbeeld vergeleken met het buitenland geen ‘top’: de federale instellingen worden al jaren stiefmoederlijk behandeld. Als we het dan toch in figuurtjes moeten uitdrukken, is er eerder sprake van een trapezium. De Visienota stuurt daarentegen aan op een omgekeerde driehoek: de uitbouw van enkele grote instellingen, de kleintjes moeten daar maar onderdak krijgen. Een piramide zou nochtans veel gezonder zijn: zuurstof voor kunstenaars en nieuwe initiatieven. Geef de enveloppes aan de basis zodat instellingen moeite moeten doen om in de gratie te komen met wat daar broeit en bloeit. Dat zou alvast enige institutionele scheefgroei kunnen rechttrekken.

Het staat voor Gatz nu al vast: de liquidatie van instellingen zal (ook) de schuld van die instellingen zelf zijn. In de Visienota stuurt de minister daarom aan op ‘samenwerking’. De diversiteit en het eigen karakter moeten geofferd worden voor ‘fusie en clustering’. Of hoe het woordje ‘synergie’ dienstdoet als eufemisme voor sanering. De boodschap aan de sector is duidelijk: organisaties moeten in hun nieuwe dossieraanvraag in competitie gaan. Wie met het meest verregaande herstructureringsplan komt, maakt het meeste overlevingskans. Anders gezegd, laat de sector zichzelf maar uitkleden.

De Visienota kondigt ook een Witboek voor alternatieve financiering aan. De intentie is duidelijk: de minister verwijst kunstenaars en organisaties door naar de markt. Daarom benadrukt hij voluit de nood aan ‘ondernemerschap’. Kortom, wie het niet bereddert, moet dat zichzelf verwijten.

Vermarkting

De markt is het alfa en omega van de Visienota: dans moet in het buitenland ‘een afzetmarkt’ vinden; fiscale aftrekken onder de vorm van een kunstkoopregeling moeten ‘de markt impulsen geven’; toegangsgeld heet ‘marktinkomsten’. Enzovoort. Is de cultuurparticipant dan een klant? Hoe rijmt de minister dat met zijn uitlating dat de kunstenaar een ‘divers publiek niet enkel moet betrekken als consument, maar ook als kritische burgers’?

De Visienota pleit voor meer ‘cultural governance als hefboom tot professionalisering’, alsof kunstenaars en organisaties niet ondernemend genoeg zijn. Maar even verder wordt duidelijk wat de nota bedoelt: ‘De toegang moet gestimuleerd worden tot een grotere pool van private middelen’. Dat is de marsrichting die de minister de sector oplegt: ‘bruggen slaan tussen privaat en publiek’ en ‘duurzame relaties’ tussen beide ontwikkelen.

En daarbij toont hij zich onwrikbaar: ‘Voor een bevredigend financieel en maatschappelijk resultaat op lange termijn is een sterk begeleidende en stimulerende overgangsperiode nodig.’ Let op dat woord: overgangsperiode. De sector zal dus in de marsrichting van privatiseren en vermarkten gedisciplineerd worden. De minister zal de publieke sector nog meer openbreken voor een instroom aan private belangen en de publieke middelen vrijmaken voor private spelers zoals promotiegalerijen, kunstbeurzen en creatieve industrie. Dat impliceert de uitstroom van middelen naar financieel winstgerichte initiatieven, het werkt de crisis van de kunsten nog verder in de hand.

Op dat punt wordt de inconsistentie tussen woord en daad duidelijk. Om de sloop goed te praten, wordt ‘de versnippering’ als een probleem gesignaleerd. Eens je die premisse aanvaardt, lijkt snoei of fusie bespreekbaar. Maar in dezelfde paragrafen heeft de Visienota het over ‘de unieke dynamiek, diversiteit en fijnmazigheid van het kunstenlandschap’. En verder: ‘Formats mogen niet overheersen, want diversiteit is een groot goed.’ Een ‘gediversifieerd’ aanbod en een ‘spreiding’ van de kunsten behoren tot de ambities van de minister. Wat is het nu? ‘Versnippering’ als een probleem of ‘diversiteit en fijnmazigheid’ als een unieke kwaliteit die we moeten beschermen?

Of nog: we lezen een bevlogen pleidooi om te investeren in cultuureducatie en levenslang leren, maar tegelijk moet het onderwijs dringend ‘kunstenaars zo vroeg mogelijk in contact brengen met ondernemerschap’. Er moet aandacht zijn voor sociaalartistieke werking maar tegelijk kiest Gatz voor een krimpscenario ervan. Die spreidstand maakt het leiderschap van de minister behoorlijk ongeloofwaardig.

Ondertussen moeten we het doen met taalspelletjes die de uitverkoop toedekken. Het cultuurbeleid als de organisatie van de ontkenning van zichzelf: sanering, vermarkting, separatisme… daar mag het allemaal niet over gaan. In Humo pakt de minister uit met een cynische uitspraak: ‘Het overheidsgeld is op, terwijl er in de maatschappij nog best veel geld te vinden is. Mijn voorstel is het geld te halen waar het zit, bij de rijken’. In de praktijk doet hij het tegenovergestelde en ontwikkelt hij verdienmodellen voor wat dan met een eufemisme ‘mecenaat’ heet. De minister als pionnetje van een regering die de rijken systematisch vrijstelt.

De vader van het liberalisme, Adam Smith, benadrukte de noodzaak van publieke dienstverlening inzake zorg, onderwijs en cultuur. Wellicht meent Gatz hier op eenzelfde golflengte te zitten, want ‘er zijn toch onderwerpen waar we het ook over eens zijn’? 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

4 reacties

  • door JorisDemeester op vrijdag 3 april 2015

    Het leuke is dat DeWereldMorgen - gesubsidieerd door de Vlaamse overheid en gecontroleerd door de vakbonden - druipt van negatieve kritiek en pessimisme. Voor jullie is het blijkbaar nooit goed. Deprimerender dan alle rechtsen samen. Dat is pas hard tegen hart, zoals jullie er tegen aan gaan.

    • door Robrecht Vanderbeeken op zaterdag 4 april 2015

      Je past voor inhoudelijk debat Jorisdemeester? De ontmanteling van zorg, cultuur, onderwijs, het interesseert je niet?

      • door JorisDemeester op maandag 6 april 2015

        Toch wel. Maar het geld is bllijkbaar op. Of is dat een leugen van rechts?

        • door Dieter op maandag 6 april 2015

          U en de uwen roepen constant dat wij doemdenkers zijn. Het geld is natuurlijk niet op, de zogenaamde koek wordt anders verdeeld. Natuurlijk is dit een leugen van rechts. Laten we even rustig afwachten en zien hoeveel jobs er gecreëerd sullen worden door de nieuwe 'zuurstof' aan het bedrijfsleven te geven.

        Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties