Photo: Kinshasa - Irene2005 - CC BY 2.0
Opinie - Mario Franssen

Meer transparantie nodig over “economische diplomatie” in Congo

Het bezoek van ministers Didier Reynders (Buitenlandse Zaken) en Alexander De Croo (Ontwikkelingssamenwerking) was het eerste officiële bezoek namens de nieuwe regering aan de Democratische Republiek Congo. In het regeerakkoord staat dat er een strategische nota over haar Centraal-Afrika-beleid zal gemaakt worden. De vraag is wat dat betekent voor de relatie met Congo.

dinsdag 31 maart 2015 20:06

Welke oriëntatie zal de relatie België-Congo volgen onder deze rechtse regering? Gezien het anti-sociale beleid dat de liberale partijen met de hulp van N-VA en CD&V vandaag in België voeren, lijkt het ons aangewezen om even stil te staan bij de economische diplomatie die deze regering in Congo wil voeren.

Een Congo in verandering

Minister De Croo verklaarde onder meer dat de samenwerking tussen België en Congo de situatie van de Congolese bevolking moet verbeteren. Klopt natuurlijk, maar hoe gaan De Croo en Reynders, buiten ronkende verklaringen, er eigenlijk voor zorgen dat activiteiten van Belgische bedrijven in Congo echt ten goede gaan komen van de Congolese bevolking?

De Congolese minister van Buitenlandse Zaken, Raymond Tshibanda, onderstreepte tijdens het bezoek van De Croo en Reynders dat men niet mag vergeten “dat dit land volledig verdwenen was, dat was amper vijftien jaar geleden. De put was zo diep dat terug naar de oppervlakte komen en groeien veel tijd vraagt”. Sindsdien lijkt het op economisch vlak inderdaad voorzichtig de goede weg op te gaan. Het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) opperde zelfs voorzichtig dat Congo binnen dertien jaar één van de opkomende economieën zou kunnen worden. Niet dat dit op zich reden voor euforie moet zijn, de staat is nog steeds zeer zwak, de kloof tussen rijk en arm enorm en het land blijft één van de armste landen ter wereld. Velen merken niets van de nieuwe vooruitgang.

Maar toch, in Kinshasa zal De Croo het wel gemerkt hebben. Het is niet meer hetzelfde land als zijn vader Herman, een goede vriend van dictator Mobutu, bezocht. Waarnemers wijzen op een gestage economische groei, de aanleg van wegen en een boomende koperproductie. Die ontwikkeling zou ook de lokale economie kunnen versterken. Vroeger werden de markten in Kinshasa bevoorraad vanuit Europa en werden de stocks opgeslagen in koelkamers. Vandaag beginnen die firma’s hun koelkamers te verkopen en investeren ze in landbouw om de hoofdstad te bevoorraden.

Buitenlandse investeringen en lokale ontwikkeling

Socio-economische ontwikkeling is dus waar het vandaag in het straatarme Congo allemaal om draait. Buitenlandse investeringen zijn daarbij hard nodig. Maar dergelijke investeringen komen niet noodzakelijk ten goede aan de Congolese bevolking. Zo kan een buitenlands mijnbouw- of oliebedrijf zonder noemenswaardige belastingen te betalen de nationale rijkdommen van een land weghalen en ondertussen de ondergrond of waterreserves van dorpen vervuilen. In het kuststadje Moanda, in het westen van het land, verzuurden volgens de Congolese senaat de activiteiten van het Brits-Amerikaanse oliebedrijf Perenco het water en de grond.

In 2012 beschuldigden NGO’s en de BBC de Zwitserse grondstoffenhandelaar Glencore, actief in Katanga, van gelijkaardige wandaden, net als van belastingontduiking. De eveneens in de Congolese mijnbouw actieve Belg George Forrest klaagde in 2008 dan weer enkele Belgische NGO’s aan omdat deze, naar zijn mening onterecht, beweerden dat in bepaalde contracten afgesloten tussen bedrijven van de groep en het toenmalig staatsbedrijf Gécamines onregelmatigheden werden vastgesteld. Deze onregelmatigheden zouden de Congolese staat destijds veel geld gekost hebben.

Opdat buitenlandse investeringen toch zouden bijdragen aan de Congolese economie, is een goede controle vanwege de Congolese regering en bevolking op die investeringen nodig. Vandaar ook dat Congo al jaren probeert werk te maken van een betere mijnbouwwet. Geen gemakkelijke opdracht, want de economische en financiële belangen van buitenlandse multinationals, en hun binnenlandse vrienden, zijn enorm.

“Economische diplomatie”

Maar welke rol speelt België dan? Het feit dat de Open-VLD, de partij van minister De Croo, in haar verkiezingsprogramma vorig jaar stelde dat in tegenstelling met de gewone ontwikkelingssamenwerking “de wereldwijde vrijhandel het beste recept tegen armoede is”, moet ons kritisch stemmen. Het gezaghebbend Africa Progress Report 2013, dat werd opgemaakt onder leiding van Kofi Anan, stelde bijvoorbeeld dat 60 procent van de wereldwijde handel gebeurt tussen zogenaamde onafhankelijke filialen van eenzelfde moederbedrijf. Door middel van manipulatie van prijzen in dit circuit slagen multinationals erin om massaal belastingen te ontduiken, aldus het rapport. “Voor Afrikaanse regeringen is het meestal onmogelijk hier tegen in te gaan”. Het rapport schat het kapitaal dat illegaal uit Afrika op deze manier wegvloeide tussen 2008 en 2010 op 38,4 miljard US-dollar, wat staat tegenover 32,7 miljard US-dollar investeringen (p. 65 en 66).

Bij bezoeken van Belgische ministers in het verleden was de zogeheten economische diplomatie nooit ver weg. Waar gaat het over? Grofweg, het verdedigen van de belangen van Belgische investeerders in het buitenland. Het is een diplomatie die vaak gericht is op het sluiten van handels- en investeringsakkoorden. Bij deze economische diplomatie is winst voor de Belgische bedrijven de drijfveer, niet lokale ontwikkeling.

Achter gesloten deuren worden op zo’n missie de economische dossiers bovenop gelegd: de projecten die men binnen wil halen. Zo zorgde het missen van een contract voor de vernieuwing van de haven van Matadi door een Belgische firma destijds voor een woedeaanval bij Karel De Gucht.

Ook de dingen die men veranderd wil zien omdat ze de belangen van Belgische bedrijven in de weg staan, komen aan bod. Bij een vorige reis in 2012 was Reynders bijvoorbeeld niet te beroerd om tijdens een gesprek met president Kabila de intrekking van een door het Congolese parlement gestemde landbouwwet te eisen. Dat zegt zeer veel over welk soort ‘democratie’ men zegt te verdedigen. Eentje waar buitenlandse ministers in het belang van ‘hun’ bedrijven wetten in andere landen kunnen veranderen.

De landbouwwet ergert een aantal Belgische industriële families die actief zijn in Congo, omdat ze stelt dat meer dan 50 procent van nieuwe landbouwbedrijven in Congo in handen moet zijn van mensen met de Congolese nationaliteit. Deze landbouwwet werd tot nu toe gelukkig niet gewijzigd, de opstartende landbouwsector dreigt dan immers nog meer overspoeld te worden door buitenlandse maatschappijen op zoek naar superwinsten die vooral gaan produceren voor de koopkrachtige buitenlandse markt en niet voor de Congolese markt. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Franz-Walter Steinmeier bezocht, net voor Reynders en De Croo, Kinshasa aan het hoofd van een sterke delegatie van Duitse zakenlui. Steinmeier prevelde dezelfde moralistische woorden over mensenrechten en democratie, maar hij had wat minder schroom dan Reynders, hij zei voor de verzamelde Congolese pers dat Duitsland 235 miljoen euro ontwikkelingsgeld gereed heeft om de landbouwsector te steunen. Dit geld zal vrijkomen, aldus Steinmeier, nadat “het Congolese parlement de landbouwwet herzien heeft”.

Transparantie dringend nodig

Het is duidelijk hoe Westerse investeerders uit zijn op superwinsten, zonder enig respect voor de werking van de democratische instellingen. De verklaring van Steinmeier toont dat Westerse politici daar af en toe ontwikkelingsgeld als glijmiddel voor over hebben. Het zou dus mooi zijn mochten Reynders en De Croo in hun toekomstige strategische nota bekend maken welke economische dossiers ze zoal willen bepleiten in Congo en aantonen dat die dossiers wel degelijk de situatie van de Congolese bevolking zullen verbeteren.

En terwijl onze politici in Congo publiek de mond vol hebben over corruptie in Congo, werd op 24 februari Serge Kubla door de gerechtelijke politie bij hem thuis gearresteerd en meegenomen voor verhoor. Kubla, voormalig minister van Economische Zaken van het Waalse gewest en MR-kopstuk, wordt ervan verdacht in opdracht van het staalbedrijf Duferco “personen met een publieke functie” in Congo te hebben gecorrumpeerd. De advocaat van Kubla zei ter verdediging van zijn cliënt: “Er is geen andere manier om zaken te doen in dat land”. Marc Metdepenningen reageerde in een editoriaal van Le Soir terecht: “Tant qu’il y aura des corrupteurs occidentaux, il y aura des corrompus congolais.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!