Boekrecensie -

Het neoliberalisme: een spookverhaal?

In het Nederlandse taalgebied verschenen vorig jaar maar liefst vier boeken, waarin een licht geworpen werd over een fenomeen dat wordt overladen met alle zonden van Israël. Wat is het neoliberalisme dan precies? Waar liggen zijn wortels? Wat veroorzaakt het nu en, als burgers niet ingrijpen, in de toekomst? Van het Walter Lippmann Colloquium in 1938 naar de materiële ongelijkheid van tegenwoordig.

vrijdag 27 maart 2015 15:31

Er
waart een spook door het maatschappijkritische discours van de
voorbije decennia: het neoliberalisme. De term duikt op in de meest
uiteenlopende teksten en speeches van activisten, kunstenaars,
vakbondsleiders, linkse én rechte politici, journalisten, sociale
wetenschappers en
critici
van de globalisering. Zij allen gebruiken
‘het
neoliberalisme’
om het huidige politieke, economische en sociale klimaat te duiden –
en dan vooral in negatieve zin. Het doorgeschoten kapitalisme, de
bankspeculaties, de verharding en de verzuring van de samenleving, de
privatiseringen, de verregaande flexibilisering van de arbeidsmarkt,
de dereguleringen, de hoge bonussen, de financiële luchtbellen, de
toenemende inkomensongelijkheid, de groeiende kloof tussen arm en
rijk, de dreigende ecologische catastrofe: ‘het
neoliberalisme’
wordt overladen met alle zonden van Israël.

Ideologisch
en theoretisch wordt de term ‘neoliberalisme’ meestal
geassocieerd met de economen Friedrich von Hayek (1899-1992) en
Milton Freedman (1912-2006). Sinds
kort is
er ook
een
verband met
romans van Ayn Rand (1905-1982): The
Fountainhead
(1943),
vorige jaar geënsceneerd door Ivo Van Hove bij Toneelgroep
Amsterdam, en
Atlas
Shrugged

(1957). Uit de politieke en financiële wereld zijn het de namen van
Margaret Thatcher, Ronald Reagan en Alan Greenspan – van 1986 tot
2006 voorzitter van The
Fed –
die in eerste instantie vermeld worden.

De
connotatie van de term is op dit ogenblik echter dermate negatief dat
er haast geen politici of denkers meer zijn die zichzelf spontaan
‘neoliberaal’ (durven) noemen.
Die bijklank maakt het niet makkelijker om de term op een objectieve
manier in een analyse te gebruiken.

Geestverschijning

Het
statuut van een spook is op z’n minst ambigu. Voor sommigen is
het een
niet vast te pinnen maar onmiskenbare aanwezigheid die op de
werkelijkheid inwerkt. Anderen
ontwaren
een
hersenspinsel, zonder reëel fundament, dat alleen onvolwassen
naturen schrik aanjaagt.. Vertegenwoordigers van deze tweede stelling
zijn ongetwijfeld Martin van Hees, Patrick van Schie en Mark van de
Velde in hun boekje Neoliberalisme.
Een politieke fictie
:
“Wij komen tot de conclusie dat het ‘neoliberalisme’ als
hedendaags verschijnsel niet bestaat. (…) Omdat velen wakker lijken
te liggen van het neoliberale spook, achtten wij het nuttig uit te
leggen dat dit spook een geestverschijning is die in werkelijkheid
niet bestaat.”

Iemand
die er duidelijk wél van wakker ligt en voor wie het neoliberalisme
wel degelijk een tastbare realiteit vormt, is Rik Pinxten in zijn
boek Schoon
protest. Want er is wel een alternatief
.
Hij geeft er een niet mis te verstane definitie van: “Neoliberalisme
is een ideologie waarmee een nieuwe elite van kapitaalkrachtigen de
volledige vrijheid opeist om, wars van traditie, ecologische context,
of zelfs de mensheid, haar project van een volkomen vrije mens (of
tenminste hun deel daarvan) te realiseren. De ideologie hanteert
religieus-economische begrippen zoals vrije markt, wetten van de
vrije markt, de onzichtbare hand die de markt stuurt, de autonome
realiteit van kapitaal, enzovoort.”

Terwijl
Van
Hees c.s.. het neoliberalisme “beschouwen als een verschijnsel dat
slechts in de verbeelding bestaat” – zij wijzen naar het belang
van de romans van Rand in de beeldvorming, dus
een
fictie bedacht door politieke tegenstanders – is het voor Pinxten
precies datgene waartegen het verzet georganiseerd moet worden.

Niet
meer dan een vijandbeeld?

De
opzet van de twee boeken zou niet verder uit elkaar kunnen liggen.
Neoliberalisme.
Een politieke fictie
maakt
samen met Sociaal-liberalisme
(2014) en Eigenzinnige
liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland

(2014) deel uit van een drieluik, geschreven door medewerkers van de
Teldersstichting, een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksbureau
ten behoeve van het liberalisme, gelieerd aan de VVD (de Nederlandse
liberale partij).

Sociaal-liberalisme
en Eigenzinnige
liberalen

vullen elkaar aan. Het eerste boek is een helder geschreven en goed
gedocumenteerde studie van het ontstaan, de geschiedenis en de
hedendaagse doorwerking van het sociaal-liberalisme, een stroming die
aan het einde van de negentiende eeuw het liberalisme vernieuwde en
corrigeerde door niet alleen de individuele vrijheid en de
zelfontplooiing te verdedigen maar ook het belang van de sociale
interactie en de maatschappelijke instellingen te benadrukken. Zoals
Ortega Y Gasset het formuleerde: “Ik ben mijzelf en mijn omgeving,
en als ik haar niet red, red ik ook mezelf niet.” Hij
plaatste deze ‘co-existentie’ tegenover het klassiek liberale
geloof in een ‘abstract’ individu dat zijn betekenis heeft los
van zijn omgeving en van zijn relaties met de gemeenschap. Het
sociaal-liberalisme werd theoretisch in hoofdzaak in Engeland
uitgewerkt en verspreidde zich daarna over de rest van Europa.

Eigenzinnige
liberalen

schetst een tiental portretten van negentiende-eeuwse rechts
liberalen in Nederland die volgens de schrijvers door de politieke
geschiedenis ten onrechte werden vergeten. De lovenswaardige opzet
van de auteurs is om de historische veelheid van stromingen binnen
het liberalisme in kaart te brengen: het klassiek liberalisme, het
ontplooiingsliberalisme, het sociaal-liberalisme, het neoliberalisme.
Doordat de auteurs nadrukkelijk verwijzen naar de Nederlandse context
wordt ook een deel van de politieke geschiedenis van onze
Noorderburen historisch inzichtelijk gemaakt.

Provocatie

Het
is het dunste van de drie boekjes, Neoliberalisme.
Een politieke fictie
,
dat het meest provoceert, meteen al door zijn titel. Het sterkste
punt ervan
is
dat het de lezer de geschiedenis van het woord neoliberalisme opnieuw
in de herinnering brengt, al doet het dat tot op een bepaald punt en
zeer schematisch. Die genealogie is noodzakelijk om de actuele
discussie over de term en waar hij voor staat beter te begrijpen. Aan
het begin van hun boekje citeren Van Hees c.s. een onderzoek naar een
150-tal artikels die tussen 1990 en 2004 in wetenschappelijke
tijdschriften verschenen en waarin de term neoliberalisme wordt
gebruikt. De
onderzoekers concludeerden dat de term in die artikels niet of
nauwelijks wordt gedefinieerd en “has
become a conceptual trash heap capable of accommodating multiple
distasteful phenomena without much argument as to whether one or the
other component really belongs
.”
(1)

Van
Hees c.s. beweren dat het predicaat neo
door ‘gefrustreerd (oud) links’ is toegevoegd om afbreuk te doen
aan de inherent gunstige klank die liberalisme (vrijheid,
zelfontwikkeling) heeft. En dit uit frustratie omdat ‘socialistisch’
een bezoedelde klank heeft gekregen. Voor Van Hees c.s. bewijst net
het feit dat vandaag haast niemand zich neoliberaal noemt dat het
neoliberalisme geen onderscheiden en samenhangende
politiek-economische visie met een bijbehorend programma is. Indien
dat wel het
geval was, dan
zou het neoliberalisme ook voorstanders en verdedigers hebben.
Neoliberalisme is met andere woorden in de eerste plaats een
vijandbeeld, zo stellen de schrijvers wel erg kort door de bocht.

Het
Walter Lippmann Colloquium

Gelukkig
schetsen de
auteurs
ook een objectievere genealogie van de term neoliberalisme, al slaan
ze een cruciale schakel over. Als geboortejaar van de term wordt
meestal 1938 genoemd. Plaats van geboorte is waarschijnlijk Parijs,
en meer precies het Walter Lippmann Colloquium. Op
uitnodiging van de Franse filosoof Louis Rougier kwamen liberale
intellectuelen en economen bijeen om een alternatief te ontwikkelen
voor het in populariteit sterk afgenomen klassiek-liberalisme
enerzijds en voor de als bedreigend ervaren opkomst van het
collectivisme
en het socialisme
anderzijds.

Volgens
Van Hees c.s. zou de Duitse econoom en socioloog Alexander Rüstow
(1885-1963) het vaderschap kunnen opeisen voor de term. Volgens
andere bronnen introduceerde de Franse econoom Bernard Lavergne de
term, maar werd hij door Rüstow gepopulariseerd. Wat er ook van zij,
de opzet van het colloquium was een poging om het liberalisme te
vernieuwen en te revitaliseren. Het vertrekpunt was het boek An
Enquiry into the Principles of the Good Society

(1937) van de Amerikaanse journalist Walter Lippmann (1889-1974).
Deze stelde dat het liberalisme vanaf 1870 in een achterhoedegevecht
terecht was gekomen met het collectivisme in zijn verschillende
gedaantes: nationalisme, socialisme, fascisme en communisme. Een van
de oorzaken van de neergang van het klassieke liberalisme was volgens
Lippmann de doctrine van het liberale laissez-faire.
Met andere woorden: zo
min mogelijk staatsinmenging.
Deze
doctrine veroordeelde de liberalen tot nietsdoen in een tijd die
juist om staatsingrijpen schreeuwde..

Er
was niets in de geest van jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
dat positief stond tegenover het liberalisme en de vrije markt. De
grote economische crisis en de daarmee samenhangende sociale en
politieke onrust werden gezien als een bewijs voor
de mislukking van het kapitalisme en het liberalisme. De tijd was aan
het collectivisme en het staatsinterventionisme. Op de vijftiende
verjaardag van de Sovjet-Unie in 1932 werd het einde van het
kapitalisme uitgebreid gevierd. In Duitsland en Italië ontwikkelden
zich nazisme en fascisme. In de Verenigde Staten introduceerde
Roosevelt zijn New Deal en opende zo de deur voor een meer
interventionistische politiek, en in Engeland ontvouwde
John Maynard Keynes zijn General
Theory

waarin hij stelt dat de overheid moet investeren om de economie te
stimuleren. In die context is het niet verwonderlijk dat het
liberalisme, vooral in zijn klassieke laissez-faire-gedaante,
door velen beschouwd werd als een ‘gefaalde ideologie’.

Vrije
economie, sterke staat

Een
kleine groep liberale intellectuelen bleef echter geloven in een
nieuwe kans voor het liberalisme en zijn waarden. Een van hen was de
genoemde
Duitse econoom Alexander Rüstow. Zijn economische filosofie
verschoof in de jaren twintig van socialisme naar liberalisme, maar
tegelijk bleef hij trouw aan socialistische kernidealen zoals het
reduceren van sociale en economische ongelijkheden. Rüstow heeft
voor het eerst het neoliberale programma geformuleerd in zijn lezing
Freie
Wirtschaft, starker Staat
(1932).
Hij keerde zich tegen een staat die zich te veel inlaat met
economische processen en pleitte voor een staat die de regels voor
het economische gedrag uitschrijft en de naleving ervan oplegt.

Het
is wellicht geen toeval dat het neoliberale gedachtegoed zijn wortels
grotendeels in Duitsland heeft. Het
was een duidelijke tegenreactie tegen de bureaucratische tradities,
het uitgebreide administratieve apparaat, de corporatistische
markteconomie, de kartelvorming, de staatsinmenging die gestalte
kreeg tijdens het Keizerrijk en na de Eerste Wereldoorlog verder werd
gezet tijdens de Republiek van Weimar. Het was een vorm van
georganiseerd kapitalisme die het principe van de vrije markt
grotendeels had verdrukt.

Het
Walter Lippmann Colloquium bracht de belangrijkste liberale denkers
van die tijd samen, onder wie de economen Friedrich von Hayek en
Ludwig von Mises, de historicus Raymond Aron en de Duitser Wilhelm
Röpke die al in 1933 Duitsland had verlaten omwille van de nazi’s.
Volgens deze laatste was het een misverstand dat de markt een
autonoom systeem is dat zichzelf kan handhaven zonder een wettelijk,
ethisch en institutioneel raamwerk. Zonder dat raamwerk degenereert
het kapitalisme en verpolitiekt de economie omdat de ondernemers zich
niet langer op de consument, maar op de politiek en de ambtenaren
gaan richten. Röpke had dat zien gebeuren in Duitsland, waar
kartelvorming en monopolies een vorm van corporate
capitalism

hadden gecreëerd. Concurrentie zou
het enige middel zijn
waarmee
ondernemers gedwongen kunnen worden om rekening te houden met de
belangen van de consumenten. Het mededingingsbeleid heette een belangrijk
instrument van de staat om monopolievorming tegen te gaan en de markt
gezond te houden.

De
Mont Pelerin Society

Er
bestond geen volledige eensgezindheid onder de 26 intellectuelen die
aan het colloquium deelnamen. Over de term ‘neoliberalisme’
was er weinig duidelijkheid. In Duitsland is de term
‘ordo-liberalisme’ lange tijd gebruikt. Röpke sprak over ‘De
Derde Weg’, een derde stroming naast kapitalisme en collectivisme.
Ook
Rüstow schreef in 1949 een studie met als titel Zwischen
Kapitalismus und Kommunismus
.
Dat
idee van een derde weg werd door Von Hayek verworpen omdat voor hem
tussen kapitalisme en communisme gewoonweg niets
bestond. Met de jaren werden de ideologische scheidslijnen tussen de
verschillende deelnemers scherper en duidelijker: voor Rüstow waren
Von Hayek en Von Mises radicalen van de oude liberale school
(‘paleo-liberalen’) en omgekeerd waren de neoliberalen voor Hayek
totalitaire socialisten (‘ordo-interventionisten’).

Het
idee om uit het colloquium een liberale denktank te laten ontstaan
werd door de oorlog verijdeld. In 1947 vond onder leiding van Von
Hayek in het Zwitserse Vevey de oprichtingsvergadering van de Mont
Pelerin Society plaats. Von Mises en Von Hayek waren erbij, maar ook
nieuwelingen als de Amerikaanse econoom Milton Friedman, de filosoof
Karl Popper en de Duitse econoom Walter Eucken. Opzet van de Society
was dezelfde als die van het colloquium in 1937: het overdenken van
de uitgangspunten van het liberalisme en van de rol van de staat.
Daarbij stond niet alleen de ontwikkeling van de economie centraal,
maar ook de bezorgdheid over de wereldwijde bedreiging van de
vrijheid van denken en expressie. Begin jaren zestig kwam het tot een
breuk in de Society: figuren als Von Hayek en Friedman keerden terug
naar de klassiek liberale standpunten en distantieerden zich van het
neoliberale gedachtegoed. In hun boekje citeren Van Hees c.s.
daarentegen uitspraken van Von Hayek waaruit moet blijken dat de
verschillen tussen de denkers minder groot is.

Het
Duitse economische wonder

Neoliberale
ideeën werden voor het eerst geïmplementeerd tijdens de West-Duitse
naoorlogse wederopbouw. Ludwig Erhard, lid van de Mont Pelerin
Society, was minister van Economie onder Konrad Adenauer en later
zelf Bondskanselier (1963-1966). In die functies lag hij mee aan de
basis van het Wirtschaftswunder,
de spectaculair snelle economische heropbouw van het stukgeschoten
Duitsland. De term ‘neoliberalisme’ verdween naar de achtergrond
en werd vervangen door ‘sociale markteconomie’.

Op
dit punt maakt het historische overzicht van Van Hees c.s. een sprong
naar het einde van de jaren zeventig en het aantreden van Margaret
Thatcher en Ronald Reagan. Nochtans zit er tussen beide momenten een
hoofdstuk dat een sleutel vormt tot het waarom van de extreem
negatieve klank die de term ‘neoliberalisme’ vandaag heeft.

De
Chicago-Boys en de coup van Pinochet

In
de jaren zestig van de vorige eeuw raakte een groep Zuid-Amerikaanse
(vooral Chileense) pro-vrije-markt-intellectuelen gefascineerd door
het Duitse economische wonder en door de mogelijkheid om dergelijke
snelle economische groei en effectieve inflatiecontrole ook in eigen
land te implementeren. Op dat ogenblik betekende de term
‘neoliberalisme’ in Zuid-Amerika hetzelfde als in Duitsland: een
economische filosofie die meer gematigd is dan het klassieke
liberalisme en staatsinterventie bepleit om sociale ongelijkheid te
temperen en de vorming van monopolies tegen te gaan. De ideeën van
de Freiburgschool in Zuid-Amerika werden echter langzaam overschaduwd
door de meer klassiek liberale ideeën van Von Hayek en Friedman.

In
1955 werd een groep Chileense economiestudenten uitgenodigd om in
Chicago lessen te komen volgen bij onder andere Friedman. Terug in
Chili begonnen zij de filosofie en de politieke aanbevelingen van de
Chicago-school (Friedman) en van de Oostenrijkse school (Von Hayek)
te verspreiden. Tegen 1973 was deze vorm van ‘neoliberalisme’ een
van de dominante oriënteringen onder rechts intellectuelen in Chili.
Dat jaar, 1973, is het jaar van de militaire staatsgreep van generaal
Pinochet, maar ook het kantelmoment in de geschiedenis van de term
‘neoliberalisme’. Door zijn associatie met Pinochets radicale
economische hervormingen verloor ‘neoliberalisme’
zijn positieve connotatie van sociale correctie op het klassieke
liberalisme en werd steeds meer vertaald als ‘marktfundamentalisme’.
De ‘Chicago Boys’ waren de architecten van die radicale
hervormingen: snelle en uitgebreide privatisering, deregulering,
reductie van handelsbarrières.

De
hervormingen perkten de rol van de staat in en introduceerden
competitie en individualisme in domeinen die normaal gezien onder de
verantwoordelijkheid van de staat vallen.(pensioenen, ziekenzorg en
onderwijs). ‘Neoliberalisme’ kreeg als een gevolg hiervan vanaf
het einde van de jaren zeventig een nieuwe betekenis omdat de
tegenstanders van Pinochets hervormingen de term gingen gebruiken als
kritische beschrijving van een marktfundamentalisme dat economische
vrijheid wil implementeren zonder politieke vrijheid – iets wat
volledig ingaat tegen de essentie van het liberalisme.
Eerst gebruikt door Spaanstalige critici van Pinochet, werd de term
al snel overgenomen door Engelstalige critici van de economische
politiek van Thatcher en Reagan.

Thatcherism
and reaganomics

Van
Hees c.s. slaan het Chili-verhaal in hun boek over. Een reden
hiervoor kan hun poging zijn om de economische politiek van Thatcher
zonder breuk in de lijn te plaatsen van het Duitse naoorlogse model.
“Laissez faire wordt afgewezen: de overheid moet zorgen voor een
framework
of law
(het
is niet moeilijk hierin het Duitse Rechtsrahmen
te herkennen); zij dient het misbruik van monopoliemacht door
bedrijven, vakbonden en beroepsverenigingen te bestrijden, en zij
zorgt voor de zwakken in de samenleving.”

Toch
wijzen ook de auteurs op de radicale breuk van Thatcher en Reagan met
de naoorlogse consensus “waarin de overheid werd gezien als de
onmisbare grote sturende kracht in de economie en in de hele
samenleving”. Het betekende meteen het begin van de afbouw van de
Keynesiaanse economie die de westerse wereld sinds de Tweede
Wereldoorlog domineerde en van de welvaartstaat.

Neoliberaal
paradigma

Sindsdien
wordt de term ‘neoliberalisme’ door tegenstanders gebruikt om een
veelheid aan negatieve verschijnselen aan te duiden. Toch zijn die
verschijnselen niet zo onoverzichtelijk, veelvuldig en toevallig als
de auteurs van Neoliberalisme.
Een politieke fictie
graag
zouden willen doen voorkomen. Neoliberalisme staat daarom in de ogen
van veel van zijn critici minder voor een economische theorie dan wel
voor een politiek-economisch paradigma dat de periode vanaf het
midden van de jaren zeventig bestrijkt en gekenmerkt wordt door
uiteenlopende, maar ook met elkaar verbonden fenomenen als
privatisering, deregulering, monetarisme, besparingen, afbouw van de
verzorgingsstaat, precarisering, economisering van het dagelijkse
leven. Het ‘neoliberalisme’ is diep in de poriën van de
samenleving en van ons persoonlijke leven doorgedrongen. Dat is
misschien wellicht de meest schrikwekkende betekenis van de
neoliberale (besparings)mantra ‘there
is no alternative
’!
Of toch?

Het
neoliberalisme wordt in deze omvattende betekenis bekritiseerd door
Noam Chomsky (Profit
over People. Neoliberalism and Global Order
,
1998), Michel Foucault (Naissance
de la biopolitique,

2004), Joseph Stiglitz (Globalization
and Its Discontents
,
2012), Loïc Wacqant (Straf
de Armen. Het nieuwe beleid van sociale onzekerheid
,
2006), Naomi
Klein (De
shockdoctrine. De
opkomst van rampenkapitalisme
,
2007), Noreena Hertz (De
stille overname: De globalisering en het einde van de democratie,
2002),
David
Harvey (A
Brief History of Neoliberalism,

2007) en
in eigen land door
Paul
Verhaeghe, Lieven De Cauter, Peter Mertens, Jan Blommaert, Bleri
Llhesi, Eric Corijn e.a.

Neobarbarisme en economisme

Ook
het boek van Rik Pinxten situeert zich in deze lijn van kritiek. Als
antropoloog, gevormd in de vergelijkende cultuurwetenschappen, heeft
hij een bredere
blik
en zoekt hij naar grote en omvattende mentaliteitsstructuren die het
menselijk handelen en het menselijk samenleven bepalen. Het
neoliberalisme is voor hem een dergelijke mentaliteitsstructuur.
Schoon
protest. Want er is wel een alternatief

is een essayistisch en militant geschreven boek dat oproept om
belangrijke sectoren als opvoeding, cultuur, gezondheid, voeding,
ouderenzorg aan de mechanismen van de marktwerking te onttrekken. En
dit in een poging om opnieuw als burgers macht op te eisen.

Ofschoon
hij geen historische analyse maakt zoals in de andere drie boeken het
geval is, schetst Pinxten een soort van genealogie van het
neoliberalisme. Hij gebruikt een hele set van termen om het
neoliberalisme te duiden. Hij heeft het over neobarbarisme en
economisme. Deze laatste term omschrijft Pinxten als “de ideologie
die stelt dat alle keuzes, opties en verklaringen in het menselijk
gedrag uiteindelijk te herleiden zijn tot economische factoren
(belangen, verhoudingen, enzovoort).”

Aanval

Pinxten
ziet in het neoliberalisme een aanval op de complexiteit van de
‘verlichtingstrits’ (vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid) met
een exclusieve focus op de individuele vrijheid: “De hardvochtige
antisolidariteit en het opheffen van het gelijkheidsbeginsel worden
gerechtvaardigd door het geloof dat de vrije markt inherente wetten
zou hebben, en door het al even ongefundeerde geloof in de ‘homo
economicus’ als rationele kiezer.”

Dat
economisme heeft voor Pinxten de structuur van een fundamentalistisch
geloof. Hij geeft veel aandacht aan dit punt en volgt daarin de
analyses van Max Weber in zijn beroemde boek Die
protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus

(1905): “Deze ideologie duikt niet zomaar op in de westerse
culturele traditie, vooral in de niet-geseculariseerde protestantse
en Engelstalige wereld. De ideologie is diepgeworteld in een
geloofshouding: de basismentaliteit van de boekgodsdiensten is
onaangetast gebleven, en slechts een beperkt aantal thema’s zijn
veranderd. In de eerste plaats lijkt de vernauwing – of misschien
uitsluitend de verschuiving – van gelovige mens en
standenmaatschappij naar economische mens en het nieuwe elitedenken
van het neoliberalisme een hertaling van de godsdienstige mens en
maatschappijvisie.”

Moderne
samenleving

Pinxten
maakt dit heel concreet: “Het is toch merkwaardig dat Amerikaanse
protestantse economen de neoliberale visie doordrukken, en dat even
protestantse politicologen zoals Samuel Huntington de wereld in
godsdienstige blokken van goed en kwaad verdelen.” Hij
ziet
hierin een terugkeer naar een premoderne mentaliteitsstructuur die
enerzijds de complexiteit van de werkelijkheid afwijst en anderzijds
de privileges van een elite verdedigt. Om die reden noemt hij het
neoliberalisme een ‘neobarbarisme’.

Pinxten
gaat nog een stap verder. Hij ziet in het neoliberalisme zelfs een
doorwerking van de fascistische, stalinistische en maoïstische
ideologieën in die zin dat ze allen een aanval zijn op de
complexiteit van de hoger vermelde verlichtingsidealen. De
‘relativering’ van het racisme door N-VA-politici (Liesbeth
Homans en recent Bart De Wever), het onderscheid tussen de ‘goede’
en de ‘slechte’ immigranten, het voorstel van de Nederlandse VVD
om geen asiel meer te verlenen aan niet-Europese vluchtelingen: het
zijn slechts enkele voorbeelden van hoe ver de
samenleving
inmiddels van de idealen van gelijkheid en rechtvaardigheid is
afgeweken.

Voorzichtigheid
en afremmend respect

Pinxten
stelt kritische vragen bij bepaalde vormen van theologisch of
transcendentaal denken die onze westerse mentaliteitsstructuur
tekenen. De Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens

is daar een goed voorbeeld van. Pinxten stelt de waarde ervan niet
vraag, maar pleit, met Amartya Sen, voor een meer pragmatische aanpak
gebaseerd op onderhandelingen. Hier spreekt zonder enige twijfel de
ervaring van de antropoloog die zich geconfronteerd ziet met andere
denksystemen. Voorbeelden daarvan zijn de interculturele dialoog met
respect voor verschillen, actief pluralisme en co-teaching
rond levensbeschouwelijke thema’s.

Tegenover
het reductionisme en het exclusivisme (neoliberalisme verstaat zich
goed met neonationalisme en etnisch radicalisme!) verdedigt Pinxten
een holistische mens en maatschappijvisie. Die wordt gekenmerkt door
het besef van voorlopigheid en feilbaarheid in plaats van het zoeken
naar universele, van iedere context onafhankelijke feiten. Hij laat
zich inspireren door het humanisme van Sen en Martha Nussbaum en door
“de voorzichtigheid en het afremmende respect” dat hij in andere
culturen vindt.

Vampierenideologie

Er
is nog een ander, beperkter tijdsframe waarbinnen Pinxten het
neoliberalisme analyseert. Ook voor hem
hebben
Thatcher
en Reagan radicaal
gebroken
met de periode die begon na de Tweede Wereldoorlog en die gekenmerkt
werd door “een gecontroleerde marktsituatie”: “De staten traden
regulerend op, lanceerden grote heropbouwprojecten, en veralgemeenden
dankzij een bijna volledige werkgelegenheid de consumptie. Die
periode werd meteen de enige periode in de geschiedenis van de
voorbije drie eeuwen die de ongelijkheid in inkomen en vermogen zag
afnemen.”

Andere
verworvenheden van die periode zijn de democratisering, het algemene
onderwijs, de sociale zekerheid, de ziekteverzekering, de
gelijkberechtiging, etc. Kortom, een poging om de idealen van
vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid om te zetten in wetten,
reguleringen en maatschappelijke structuren. De
evidentie van al deze verworvenheden wordt vanaf het begin van de
jaren tachtig – de Thatcher- en Reaganjaren – in vraag gesteld en
zelfs bevochten door een “identitair gekleurd economisme”.

Het
neoliberalisme is voor Pinxten geen spook, maar een ‘virus’ en
een ‘leugen’. Het is een ‘vampierenideologie’: “de 1% heeft
steeds meer bloed nodig en zuigt de levenskrachten van de 99% op.
Deze elite zal ook de aarde vernietigen om excessief te kunnen
consumeren.” Pinxten schrijft geen wetenschappelijk traktaat. Hij
zoekt naar sterke en militante beelden om zijn bekommernis over de
gang van zaken uit te drukken.

Vlees
noch vis

Van
Hees c.s. zijn in
Neoliberalisme.
Een politieke fictie

natuurlijk niet blind voor wat er fout loopt in de wereld, ook ten
gevolge van de (neo)liberale economie. Maar het antwoord van de
auteurs is dat dit komt niet door een te marktgericht denken maar
door een te weinig marktgericht denken: de liberalisering en de
privatisering zijn volgens hen niet ver genoeg doorgevoerd waardoor
we in een vis-noch-vlees-economie terechtgekomen zijn met alle
gevolgen van dien.

“Niet
doorgeschoten marktdenken, maar in de kiem gesmoorde marktwerking is
er vaak de oorzaak van dat de resultaten achterblijven bij de gewekte
verwachtingen. In Nederland werd pragmatisch geprivatiseerd, wat wil
zeggen dat de politieke haalbaarheid vooropstond.” De auteurs
hebben in bepaalde gevallen ongetwijfeld een punt, maar de laatste
formulering is in elk geval een illustratie van het absolutistische
en exclusieve denken dat Pinxten afwijst. Want wat de auteurs hier
eigenlijk met zoveel woorden zeggen is: jammer dat er een democratie
is, dat we moeten onderhandelen met andere opvattingen en dat we niet
gewoon onze zin kunnen doen.

Burgerinitiatief

Enkele
pagina’s voor het einde van Neoliberalisme
komt
het thema van de materiële ongelijkheid ter sprake. Ook
die passage is revelerend: “Voor een liberaal zijn ongelijkheden
niet per se een probleem. De liberaal zal juist hier zijn politieke
tegenstanders verwijten een te groot belang aan materiële zaken te
hechten. Een echte afwijzing van materialisme en consumentisme
betekent immers niet alleen dat je je niet zo druk maakt over je
eigen materiële middelen, maar ook dat je niet gepreoccupeerd bent
met het bezit van anderen. Het liberalisme gaat niet uit van een
ideaal van gelijke inkomens maar van gelijke kansen, en ziet
materiële ongelijkheden als
zodanig

niet als een indicatie van onrechtvaardigheid.”

Het
is moeilijk om deze passage niet als een extreem voorbeeld van
cynisme te lezen. Hoe
kan je een steeds groter wordende groep mensen die nauwelijks een
basisinkomen hebben nu verwijten dat ze zich materialistisch
opstellen en te veel bezig zijn met het bezit van anderen? En dan heb
ik het nog niet over de obscene inkomensverschillen op wereldniveau.

Moeten
we wakker liggen over de richting waarin onze samenleving evolueert?
Absoluut! En we mogen ons vooral niet in slaap laten wiegen door het
liedje dat zegt dat er geen alternatief is. En al evenmin door de
naïeve verwachting dat het wel vanzelf zal veranderen. In die zin
staan we op een keerpunt en is een omvattende mentaliteitswijziging
de sleutel tot de toekomst. Die mentaliteitswijziging lijkt niet
vanuit de bestaande politieke praktijk te voltrekken, integendeel
zelfs. De zelforganisatie van burgerinitiatieven – een traag maar
duurzaam project – zou
wel eens de strategie van de toekomstige verandering kunnen zijn.

Rik
Pinxten,
Schoon
protest. Want er is wel een alternatief,
EPO, Berchem
2014,
ISBN 978 94 6267 009 9

Martin
Van Hees, Patrick Van Schie & Mark Van de Velde,
Neoliberalisme.
Een politieke fictie, Boom,
Amsterdam,
2014,
ISBN
978 90 8953 377 7

Fleur
de Beaufort & Patrick van Schie,
Sociaal-liberalisme,
Boom, Amsterdam,
2014,
ISBN
978 8953 376 0

Fleur
de Beaufort, Joop Van den Berg & Patrick van Schie,
Eigenzinnige
liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland,
Boom, Amsterdam,
2014, ISBN 978 90 8953 375 3

(1)

http://faculty.wcas.northwestern.edu/~jlg562/documents/BoasandGans-Morse–SCID.pdf

Lees
ook:

http://www.ort.edu.uy/facs/boletininternacionales/contenidos/68/neoliberalism68.pdf

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!