about
Toon menu
Boekrecensie

Het neoliberalisme: een spookverhaal?

In het Nederlandse taalgebied verschenen vorig jaar maar liefst vier boeken, waarin een licht geworpen werd over een fenomeen dat wordt overladen met alle zonden van Israël. Wat is het neoliberalisme dan precies? Waar liggen zijn wortels? Wat veroorzaakt het nu en, als burgers niet ingrijpen, in de toekomst? Van het Walter Lippmann Colloquium in 1938 naar de materiële ongelijkheid van tegenwoordig.
vrijdag 27 maart 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Er waart een spook door het maatschappijkritische discours van de voorbije decennia: het neoliberalisme. De term duikt op in de meest uiteenlopende teksten en speeches van activisten, kunstenaars, vakbondsleiders, linkse én rechte politici, journalisten, sociale wetenschappers en critici van de globalisering. Zij allen gebruiken ‘het neoliberalisme’ om het huidige politieke, economische en sociale klimaat te duiden – en dan vooral in negatieve zin. Het doorgeschoten kapitalisme, de bankspeculaties, de verharding en de verzuring van de samenleving, de privatiseringen, de verregaande flexibilisering van de arbeidsmarkt, de dereguleringen, de hoge bonussen, de financiële luchtbellen, de toenemende inkomensongelijkheid, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de dreigende ecologische catastrofe: ‘het neoliberalisme’ wordt overladen met alle zonden van Israël.

Ideologisch en theoretisch wordt de term ‘neoliberalisme’ meestal geassocieerd met de economen Friedrich von Hayek (1899-1992) en Milton Freedman (1912-2006). Sinds kort is er ook een verband met romans van Ayn Rand (1905-1982): The Fountainhead (1943), vorige jaar geënsceneerd door Ivo Van Hove bij Toneelgroep Amsterdam, en Atlas Shrugged (1957). Uit de politieke en financiële wereld zijn het de namen van Margaret Thatcher, Ronald Reagan en Alan Greenspan – van 1986 tot 2006 voorzitter van The Fed – die in eerste instantie vermeld worden.

De connotatie van de term is op dit ogenblik echter dermate negatief dat er haast geen politici of denkers meer zijn die zichzelf spontaan ‘neoliberaal’ (durven) noemen. Die bijklank maakt het niet makkelijker om de term op een objectieve manier in een analyse te gebruiken.

Geestverschijning

Het statuut van een spook is op z’n minst ambigu. Voor sommigen is het een niet vast te pinnen maar onmiskenbare aanwezigheid die op de werkelijkheid inwerkt. Anderen ontwaren een hersenspinsel, zonder reëel fundament, dat alleen onvolwassen naturen schrik aanjaagt.. Vertegenwoordigers van deze tweede stelling zijn ongetwijfeld Martin van Hees, Patrick van Schie en Mark van de Velde in hun boekje Neoliberalisme. Een politieke fictie: “Wij komen tot de conclusie dat het ‘neoliberalisme’ als hedendaags verschijnsel niet bestaat. (…) Omdat velen wakker lijken te liggen van het neoliberale spook, achtten wij het nuttig uit te leggen dat dit spook een geestverschijning is die in werkelijkheid niet bestaat.”

Iemand die er duidelijk wél van wakker ligt en voor wie het neoliberalisme wel degelijk een tastbare realiteit vormt, is Rik Pinxten in zijn boek Schoon protest. Want er is wel een alternatief. Hij geeft er een niet mis te verstane definitie van: “Neoliberalisme is een ideologie waarmee een nieuwe elite van kapitaalkrachtigen de volledige vrijheid opeist om, wars van traditie, ecologische context, of zelfs de mensheid, haar project van een volkomen vrije mens (of tenminste hun deel daarvan) te realiseren. De ideologie hanteert religieus-economische begrippen zoals vrije markt, wetten van de vrije markt, de onzichtbare hand die de markt stuurt, de autonome realiteit van kapitaal, enzovoort.”

Terwijl Van Hees c.s.. het neoliberalisme “beschouwen als een verschijnsel dat slechts in de verbeelding bestaat” – zij wijzen naar het belang van de romans van Rand in de beeldvorming, dus een fictie bedacht door politieke tegenstanders – is het voor Pinxten precies datgene waartegen het verzet georganiseerd moet worden.

Niet meer dan een vijandbeeld?

De opzet van de twee boeken zou niet verder uit elkaar kunnen liggen. Neoliberalisme. Een politieke fictie maakt samen met Sociaal-liberalisme (2014) en Eigenzinnige liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland (2014) deel uit van een drieluik, geschreven door medewerkers van de Teldersstichting, een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksbureau ten behoeve van het liberalisme, gelieerd aan de VVD (de Nederlandse liberale partij).

Sociaal-liberalisme en Eigenzinnige liberalen vullen elkaar aan. Het eerste boek is een helder geschreven en goed gedocumenteerde studie van het ontstaan, de geschiedenis en de hedendaagse doorwerking van het sociaal-liberalisme, een stroming die aan het einde van de negentiende eeuw het liberalisme vernieuwde en corrigeerde door niet alleen de individuele vrijheid en de zelfontplooiing te verdedigen maar ook het belang van de sociale interactie en de maatschappelijke instellingen te benadrukken. Zoals Ortega Y Gasset het formuleerde: “Ik ben mijzelf en mijn omgeving, en als ik haar niet red, red ik ook mezelf niet.” Hij plaatste deze ‘co-existentie’ tegenover het klassiek liberale geloof in een ‘abstract’ individu dat zijn betekenis heeft los van zijn omgeving en van zijn relaties met de gemeenschap. Het sociaal-liberalisme werd theoretisch in hoofdzaak in Engeland uitgewerkt en verspreidde zich daarna over de rest van Europa.

Eigenzinnige liberalen schetst een tiental portretten van negentiende-eeuwse rechts liberalen in Nederland die volgens de schrijvers door de politieke geschiedenis ten onrechte werden vergeten. De lovenswaardige opzet van de auteurs is om de historische veelheid van stromingen binnen het liberalisme in kaart te brengen: het klassiek liberalisme, het ontplooiingsliberalisme, het sociaal-liberalisme, het neoliberalisme. Doordat de auteurs nadrukkelijk verwijzen naar de Nederlandse context wordt ook een deel van de politieke geschiedenis van onze Noorderburen historisch inzichtelijk gemaakt.

Provocatie

Het is het dunste van de drie boekjes, Neoliberalisme. Een politieke fictie, dat het meest provoceert, meteen al door zijn titel. Het sterkste punt ervan is dat het de lezer de geschiedenis van het woord neoliberalisme opnieuw in de herinnering brengt, al doet het dat tot op een bepaald punt en zeer schematisch. Die genealogie is noodzakelijk om de actuele discussie over de term en waar hij voor staat beter te begrijpen. Aan het begin van hun boekje citeren Van Hees c.s. een onderzoek naar een 150-tal artikels die tussen 1990 en 2004 in wetenschappelijke tijdschriften verschenen en waarin de term neoliberalisme wordt gebruikt. De onderzoekers concludeerden dat de term in die artikels niet of nauwelijks wordt gedefinieerd en “has become a conceptual trash heap capable of accommodating multiple distasteful phenomena without much argument as to whether one or the other component really belongs.” (1)

Van Hees c.s. beweren dat het predicaat neo door ‘gefrustreerd (oud) links’ is toegevoegd om afbreuk te doen aan de inherent gunstige klank die liberalisme (vrijheid, zelfontwikkeling) heeft. En dit uit frustratie omdat ‘socialistisch’ een bezoedelde klank heeft gekregen. Voor Van Hees c.s. bewijst net het feit dat vandaag haast niemand zich neoliberaal noemt dat het neoliberalisme geen onderscheiden en samenhangende politiek-economische visie met een bijbehorend programma is. Indien dat wel het geval was, dan zou het neoliberalisme ook voorstanders en verdedigers hebben. Neoliberalisme is met andere woorden in de eerste plaats een vijandbeeld, zo stellen de schrijvers wel erg kort door de bocht.

Het Walter Lippmann Colloquium

Gelukkig schetsen de auteurs ook een objectievere genealogie van de term neoliberalisme, al slaan ze een cruciale schakel over. Als geboortejaar van de term wordt meestal 1938 genoemd. Plaats van geboorte is waarschijnlijk Parijs, en meer precies het Walter Lippmann Colloquium. Op uitnodiging van de Franse filosoof Louis Rougier kwamen liberale intellectuelen en economen bijeen om een alternatief te ontwikkelen voor het in populariteit sterk afgenomen klassiek-liberalisme enerzijds en voor de als bedreigend ervaren opkomst van het collectivisme en het socialisme anderzijds.

Volgens Van Hees c.s. zou de Duitse econoom en socioloog Alexander Rüstow (1885-1963) het vaderschap kunnen opeisen voor de term. Volgens andere bronnen introduceerde de Franse econoom Bernard Lavergne de term, maar werd hij door Rüstow gepopulariseerd. Wat er ook van zij, de opzet van het colloquium was een poging om het liberalisme te vernieuwen en te revitaliseren. Het vertrekpunt was het boek An Enquiry into the Principles of the Good Society (1937) van de Amerikaanse journalist Walter Lippmann (1889-1974). Deze stelde dat het liberalisme vanaf 1870 in een achterhoedegevecht terecht was gekomen met het collectivisme in zijn verschillende gedaantes: nationalisme, socialisme, fascisme en communisme. Een van de oorzaken van de neergang van het klassieke liberalisme was volgens Lippmann de doctrine van het liberale laissez-faire. Met andere woorden: zo min mogelijk staatsinmenging. Deze doctrine veroordeelde de liberalen tot nietsdoen in een tijd die juist om staatsingrijpen schreeuwde..

Er was niets in de geest van jaren twintig en dertig van de vorige eeuw dat positief stond tegenover het liberalisme en de vrije markt. De grote economische crisis en de daarmee samenhangende sociale en politieke onrust werden gezien als een bewijs voor de mislukking van het kapitalisme en het liberalisme. De tijd was aan het collectivisme en het staatsinterventionisme. Op de vijftiende verjaardag van de Sovjet-Unie in 1932 werd het einde van het kapitalisme uitgebreid gevierd. In Duitsland en Italië ontwikkelden zich nazisme en fascisme. In de Verenigde Staten introduceerde Roosevelt zijn New Deal en opende zo de deur voor een meer interventionistische politiek, en in Engeland ontvouwde John Maynard Keynes zijn General Theory waarin hij stelt dat de overheid moet investeren om de economie te stimuleren. In die context is het niet verwonderlijk dat het liberalisme, vooral in zijn klassieke laissez-faire-gedaante, door velen beschouwd werd als een ‘gefaalde ideologie’.

Vrije economie, sterke staat

Een kleine groep liberale intellectuelen bleef echter geloven in een nieuwe kans voor het liberalisme en zijn waarden. Een van hen was de genoemde Duitse econoom Alexander Rüstow. Zijn economische filosofie verschoof in de jaren twintig van socialisme naar liberalisme, maar tegelijk bleef hij trouw aan socialistische kernidealen zoals het reduceren van sociale en economische ongelijkheden. Rüstow heeft voor het eerst het neoliberale programma geformuleerd in zijn lezing Freie Wirtschaft, starker Staat (1932). Hij keerde zich tegen een staat die zich te veel inlaat met economische processen en pleitte voor een staat die de regels voor het economische gedrag uitschrijft en de naleving ervan oplegt.

Het is wellicht geen toeval dat het neoliberale gedachtegoed zijn wortels grotendeels in Duitsland heeft. Het was een duidelijke tegenreactie tegen de bureaucratische tradities, het uitgebreide administratieve apparaat, de corporatistische markteconomie, de kartelvorming, de staatsinmenging die gestalte kreeg tijdens het Keizerrijk en na de Eerste Wereldoorlog verder werd gezet tijdens de Republiek van Weimar. Het was een vorm van georganiseerd kapitalisme die het principe van de vrije markt grotendeels had verdrukt.

Het Walter Lippmann Colloquium bracht de belangrijkste liberale denkers van die tijd samen, onder wie de economen Friedrich von Hayek en Ludwig von Mises, de historicus Raymond Aron en de Duitser Wilhelm Röpke die al in 1933 Duitsland had verlaten omwille van de nazi’s. Volgens deze laatste was het een misverstand dat de markt een autonoom systeem is dat zichzelf kan handhaven zonder een wettelijk, ethisch en institutioneel raamwerk. Zonder dat raamwerk degenereert het kapitalisme en verpolitiekt de economie omdat de ondernemers zich niet langer op de consument, maar op de politiek en de ambtenaren gaan richten. Röpke had dat zien gebeuren in Duitsland, waar kartelvorming en monopolies een vorm van corporate capitalism hadden gecreëerd. Concurrentie zou het enige middel zijn waarmee ondernemers gedwongen kunnen worden om rekening te houden met de belangen van de consumenten. Het mededingingsbeleid heette een belangrijk instrument van de staat om monopolievorming tegen te gaan en de markt gezond te houden.

De Mont Pelerin Society

Er bestond geen volledige eensgezindheid onder de 26 intellectuelen die aan het colloquium deelnamen. Over de term ‘neoliberalisme’ was er weinig duidelijkheid. In Duitsland is de term ‘ordo-liberalisme’ lange tijd gebruikt. Röpke sprak over ‘De Derde Weg’, een derde stroming naast kapitalisme en collectivisme. Ook Rüstow schreef in 1949 een studie met als titel Zwischen Kapitalismus und Kommunismus. Dat idee van een derde weg werd door Von Hayek verworpen omdat voor hem tussen kapitalisme en communisme gewoonweg niets bestond. Met de jaren werden de ideologische scheidslijnen tussen de verschillende deelnemers scherper en duidelijker: voor Rüstow waren Von Hayek en Von Mises radicalen van de oude liberale school (‘paleo-liberalen’) en omgekeerd waren de neoliberalen voor Hayek totalitaire socialisten (‘ordo-interventionisten’).

Het idee om uit het colloquium een liberale denktank te laten ontstaan werd door de oorlog verijdeld. In 1947 vond onder leiding van Von Hayek in het Zwitserse Vevey de oprichtingsvergadering van de Mont Pelerin Society plaats. Von Mises en Von Hayek waren erbij, maar ook nieuwelingen als de Amerikaanse econoom Milton Friedman, de filosoof Karl Popper en de Duitse econoom Walter Eucken. Opzet van de Society was dezelfde als die van het colloquium in 1937: het overdenken van de uitgangspunten van het liberalisme en van de rol van de staat. Daarbij stond niet alleen de ontwikkeling van de economie centraal, maar ook de bezorgdheid over de wereldwijde bedreiging van de vrijheid van denken en expressie. Begin jaren zestig kwam het tot een breuk in de Society: figuren als Von Hayek en Friedman keerden terug naar de klassiek liberale standpunten en distantieerden zich van het neoliberale gedachtegoed. In hun boekje citeren Van Hees c.s. daarentegen uitspraken van Von Hayek waaruit moet blijken dat de verschillen tussen de denkers minder groot is.

Het Duitse economische wonder

Neoliberale ideeën werden voor het eerst geïmplementeerd tijdens de West-Duitse naoorlogse wederopbouw. Ludwig Erhard, lid van de Mont Pelerin Society, was minister van Economie onder Konrad Adenauer en later zelf Bondskanselier (1963-1966). In die functies lag hij mee aan de basis van het Wirtschaftswunder, de spectaculair snelle economische heropbouw van het stukgeschoten Duitsland. De term ‘neoliberalisme’ verdween naar de achtergrond en werd vervangen door ‘sociale markteconomie’.

Op dit punt maakt het historische overzicht van Van Hees c.s. een sprong naar het einde van de jaren zeventig en het aantreden van Margaret Thatcher en Ronald Reagan. Nochtans zit er tussen beide momenten een hoofdstuk dat een sleutel vormt tot het waarom van de extreem negatieve klank die de term ‘neoliberalisme’ vandaag heeft.

De Chicago-Boys en de coup van Pinochet

In de jaren zestig van de vorige eeuw raakte een groep Zuid-Amerikaanse (vooral Chileense) pro-vrije-markt-intellectuelen gefascineerd door het Duitse economische wonder en door de mogelijkheid om dergelijke snelle economische groei en effectieve inflatiecontrole ook in eigen land te implementeren. Op dat ogenblik betekende de term ‘neoliberalisme’ in Zuid-Amerika hetzelfde als in Duitsland: een economische filosofie die meer gematigd is dan het klassieke liberalisme en staatsinterventie bepleit om sociale ongelijkheid te temperen en de vorming van monopolies tegen te gaan. De ideeën van de Freiburgschool in Zuid-Amerika werden echter langzaam overschaduwd door de meer klassiek liberale ideeën van Von Hayek en Friedman.

In 1955 werd een groep Chileense economiestudenten uitgenodigd om in Chicago lessen te komen volgen bij onder andere Friedman. Terug in Chili begonnen zij de filosofie en de politieke aanbevelingen van de Chicago-school (Friedman) en van de Oostenrijkse school (Von Hayek) te verspreiden. Tegen 1973 was deze vorm van ‘neoliberalisme’ een van de dominante oriënteringen onder rechts intellectuelen in Chili. Dat jaar, 1973, is het jaar van de militaire staatsgreep van generaal Pinochet, maar ook het kantelmoment in de geschiedenis van de term ‘neoliberalisme’. Door zijn associatie met Pinochets radicale economische hervormingen verloor ‘neoliberalisme’ zijn positieve connotatie van sociale correctie op het klassieke liberalisme en werd steeds meer vertaald als ‘marktfundamentalisme’. De ‘Chicago Boys’ waren de architecten van die radicale hervormingen: snelle en uitgebreide privatisering, deregulering, reductie van handelsbarrières.

De hervormingen perkten de rol van de staat in en introduceerden competitie en individualisme in domeinen die normaal gezien onder de verantwoordelijkheid van de staat vallen.(pensioenen, ziekenzorg en onderwijs). ‘Neoliberalisme’ kreeg als een gevolg hiervan vanaf het einde van de jaren zeventig een nieuwe betekenis omdat de tegenstanders van Pinochets hervormingen de term gingen gebruiken als kritische beschrijving van een marktfundamentalisme dat economische vrijheid wil implementeren zonder politieke vrijheid – iets wat volledig ingaat tegen de essentie van het liberalisme. Eerst gebruikt door Spaanstalige critici van Pinochet, werd de term al snel overgenomen door Engelstalige critici van de economische politiek van Thatcher en Reagan.

Thatcherism and reaganomics

Van Hees c.s. slaan het Chili-verhaal in hun boek over. Een reden hiervoor kan hun poging zijn om de economische politiek van Thatcher zonder breuk in de lijn te plaatsen van het Duitse naoorlogse model. “Laissez faire wordt afgewezen: de overheid moet zorgen voor een framework of law (het is niet moeilijk hierin het Duitse Rechtsrahmen te herkennen); zij dient het misbruik van monopoliemacht door bedrijven, vakbonden en beroepsverenigingen te bestrijden, en zij zorgt voor de zwakken in de samenleving.”

Toch wijzen ook de auteurs op de radicale breuk van Thatcher en Reagan met de naoorlogse consensus “waarin de overheid werd gezien als de onmisbare grote sturende kracht in de economie en in de hele samenleving”. Het betekende meteen het begin van de afbouw van de Keynesiaanse economie die de westerse wereld sinds de Tweede Wereldoorlog domineerde en van de welvaartstaat.

Neoliberaal paradigma

Sindsdien wordt de term ‘neoliberalisme’ door tegenstanders gebruikt om een veelheid aan negatieve verschijnselen aan te duiden. Toch zijn die verschijnselen niet zo onoverzichtelijk, veelvuldig en toevallig als de auteurs van Neoliberalisme. Een politieke fictie graag zouden willen doen voorkomen. Neoliberalisme staat daarom in de ogen van veel van zijn critici minder voor een economische theorie dan wel voor een politiek-economisch paradigma dat de periode vanaf het midden van de jaren zeventig bestrijkt en gekenmerkt wordt door uiteenlopende, maar ook met elkaar verbonden fenomenen als privatisering, deregulering, monetarisme, besparingen, afbouw van de verzorgingsstaat, precarisering, economisering van het dagelijkse leven. Het ‘neoliberalisme’ is diep in de poriën van de samenleving en van ons persoonlijke leven doorgedrongen. Dat is misschien wellicht de meest schrikwekkende betekenis van de neoliberale (besparings)mantra ‘there is no alternative’! Of toch?

Het neoliberalisme wordt in deze omvattende betekenis bekritiseerd door Noam Chomsky (Profit over People. Neoliberalism and Global Order, 1998), Michel Foucault (Naissance de la biopolitique, 2004), Joseph Stiglitz (Globalization and Its Discontents, 2012), Loïc Wacqant (Straf de Armen. Het nieuwe beleid van sociale onzekerheid, 2006), Naomi Klein (De shockdoctrine. De opkomst van rampenkapitalisme, 2007), Noreena Hertz (De stille overname: De globalisering en het einde van de democratie, 2002), David Harvey (A Brief History of Neoliberalism, 2007) en in eigen land door Paul Verhaeghe, Lieven De Cauter, Peter Mertens, Jan Blommaert, Bleri Llhesi, Eric Corijn e.a.

Neobarbarisme en economisme

Ook het boek van Rik Pinxten situeert zich in deze lijn van kritiek. Als antropoloog, gevormd in de vergelijkende cultuurwetenschappen, heeft hij een bredere blik en zoekt hij naar grote en omvattende mentaliteitsstructuren die het menselijk handelen en het menselijk samenleven bepalen. Het neoliberalisme is voor hem een dergelijke mentaliteitsstructuur. Schoon protest. Want er is wel een alternatief is een essayistisch en militant geschreven boek dat oproept om belangrijke sectoren als opvoeding, cultuur, gezondheid, voeding, ouderenzorg aan de mechanismen van de marktwerking te onttrekken. En dit in een poging om opnieuw als burgers macht op te eisen.

Ofschoon hij geen historische analyse maakt zoals in de andere drie boeken het geval is, schetst Pinxten een soort van genealogie van het neoliberalisme. Hij gebruikt een hele set van termen om het neoliberalisme te duiden. Hij heeft het over neobarbarisme en economisme. Deze laatste term omschrijft Pinxten als “de ideologie die stelt dat alle keuzes, opties en verklaringen in het menselijk gedrag uiteindelijk te herleiden zijn tot economische factoren (belangen, verhoudingen, enzovoort).”

Aanval

Pinxten ziet in het neoliberalisme een aanval op de complexiteit van de ‘verlichtingstrits’ (vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid) met een exclusieve focus op de individuele vrijheid: “De hardvochtige antisolidariteit en het opheffen van het gelijkheidsbeginsel worden gerechtvaardigd door het geloof dat de vrije markt inherente wetten zou hebben, en door het al even ongefundeerde geloof in de ‘homo economicus’ als rationele kiezer.”

Dat economisme heeft voor Pinxten de structuur van een fundamentalistisch geloof. Hij geeft veel aandacht aan dit punt en volgt daarin de analyses van Max Weber in zijn beroemde boek Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905): “Deze ideologie duikt niet zomaar op in de westerse culturele traditie, vooral in de niet-geseculariseerde protestantse en Engelstalige wereld. De ideologie is diepgeworteld in een geloofshouding: de basismentaliteit van de boekgodsdiensten is onaangetast gebleven, en slechts een beperkt aantal thema’s zijn veranderd. In de eerste plaats lijkt de vernauwing – of misschien uitsluitend de verschuiving – van gelovige mens en standenmaatschappij naar economische mens en het nieuwe elitedenken van het neoliberalisme een hertaling van de godsdienstige mens en maatschappijvisie.”

Moderne samenleving

Pinxten maakt dit heel concreet: “Het is toch merkwaardig dat Amerikaanse protestantse economen de neoliberale visie doordrukken, en dat even protestantse politicologen zoals Samuel Huntington de wereld in godsdienstige blokken van goed en kwaad verdelen.” Hij ziet hierin een terugkeer naar een premoderne mentaliteitsstructuur die enerzijds de complexiteit van de werkelijkheid afwijst en anderzijds de privileges van een elite verdedigt. Om die reden noemt hij het neoliberalisme een ‘neobarbarisme’.

Pinxten gaat nog een stap verder. Hij ziet in het neoliberalisme zelfs een doorwerking van de fascistische, stalinistische en maoïstische ideologieën in die zin dat ze allen een aanval zijn op de complexiteit van de hoger vermelde verlichtingsidealen. De ‘relativering’ van het racisme door N-VA-politici (Liesbeth Homans en recent Bart De Wever), het onderscheid tussen de ‘goede’ en de ‘slechte’ immigranten, het voorstel van de Nederlandse VVD om geen asiel meer te verlenen aan niet-Europese vluchtelingen: het zijn slechts enkele voorbeelden van hoe ver de samenleving inmiddels van de idealen van gelijkheid en rechtvaardigheid is afgeweken.

Voorzichtigheid en afremmend respect

Pinxten stelt kritische vragen bij bepaalde vormen van theologisch of transcendentaal denken die onze westerse mentaliteitsstructuur tekenen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is daar een goed voorbeeld van. Pinxten stelt de waarde ervan niet vraag, maar pleit, met Amartya Sen, voor een meer pragmatische aanpak gebaseerd op onderhandelingen. Hier spreekt zonder enige twijfel de ervaring van de antropoloog die zich geconfronteerd ziet met andere denksystemen. Voorbeelden daarvan zijn de interculturele dialoog met respect voor verschillen, actief pluralisme en co-teaching rond levensbeschouwelijke thema’s.

Tegenover het reductionisme en het exclusivisme (neoliberalisme verstaat zich goed met neonationalisme en etnisch radicalisme!) verdedigt Pinxten een holistische mens en maatschappijvisie. Die wordt gekenmerkt door het besef van voorlopigheid en feilbaarheid in plaats van het zoeken naar universele, van iedere context onafhankelijke feiten. Hij laat zich inspireren door het humanisme van Sen en Martha Nussbaum en door “de voorzichtigheid en het afremmende respect” dat hij in andere culturen vindt.

Vampierenideologie

Er is nog een ander, beperkter tijdsframe waarbinnen Pinxten het neoliberalisme analyseert. Ook voor hem hebben Thatcher en Reagan radicaal gebroken met de periode die begon na de Tweede Wereldoorlog en die gekenmerkt werd door “een gecontroleerde marktsituatie”: “De staten traden regulerend op, lanceerden grote heropbouwprojecten, en veralgemeenden dankzij een bijna volledige werkgelegenheid de consumptie. Die periode werd meteen de enige periode in de geschiedenis van de voorbije drie eeuwen die de ongelijkheid in inkomen en vermogen zag afnemen.”

Andere verworvenheden van die periode zijn de democratisering, het algemene onderwijs, de sociale zekerheid, de ziekteverzekering, de gelijkberechtiging, etc. Kortom, een poging om de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid om te zetten in wetten, reguleringen en maatschappelijke structuren. De evidentie van al deze verworvenheden wordt vanaf het begin van de jaren tachtig – de Thatcher- en Reaganjaren – in vraag gesteld en zelfs bevochten door een “identitair gekleurd economisme”.

Het neoliberalisme is voor Pinxten geen spook, maar een ‘virus’ en een ‘leugen’. Het is een ‘vampierenideologie’: “de 1% heeft steeds meer bloed nodig en zuigt de levenskrachten van de 99% op. Deze elite zal ook de aarde vernietigen om excessief te kunnen consumeren.” Pinxten schrijft geen wetenschappelijk traktaat. Hij zoekt naar sterke en militante beelden om zijn bekommernis over de gang van zaken uit te drukken.

Vlees noch vis

Van Hees c.s. zijn in Neoliberalisme. Een politieke fictie natuurlijk niet blind voor wat er fout loopt in de wereld, ook ten gevolge van de (neo)liberale economie. Maar het antwoord van de auteurs is dat dit komt niet door een te marktgericht denken maar door een te weinig marktgericht denken: de liberalisering en de privatisering zijn volgens hen niet ver genoeg doorgevoerd waardoor we in een vis-noch-vlees-economie terechtgekomen zijn met alle gevolgen van dien.

“Niet doorgeschoten marktdenken, maar in de kiem gesmoorde marktwerking is er vaak de oorzaak van dat de resultaten achterblijven bij de gewekte verwachtingen. In Nederland werd pragmatisch geprivatiseerd, wat wil zeggen dat de politieke haalbaarheid vooropstond.” De auteurs hebben in bepaalde gevallen ongetwijfeld een punt, maar de laatste formulering is in elk geval een illustratie van het absolutistische en exclusieve denken dat Pinxten afwijst. Want wat de auteurs hier eigenlijk met zoveel woorden zeggen is: jammer dat er een democratie is, dat we moeten onderhandelen met andere opvattingen en dat we niet gewoon onze zin kunnen doen.

Burgerinitiatief

Enkele pagina’s voor het einde van Neoliberalisme komt het thema van de materiële ongelijkheid ter sprake. Ook die passage is revelerend: “Voor een liberaal zijn ongelijkheden niet per se een probleem. De liberaal zal juist hier zijn politieke tegenstanders verwijten een te groot belang aan materiële zaken te hechten. Een echte afwijzing van materialisme en consumentisme betekent immers niet alleen dat je je niet zo druk maakt over je eigen materiële middelen, maar ook dat je niet gepreoccupeerd bent met het bezit van anderen. Het liberalisme gaat niet uit van een ideaal van gelijke inkomens maar van gelijke kansen, en ziet materiële ongelijkheden als zodanig niet als een indicatie van onrechtvaardigheid.”

Het is moeilijk om deze passage niet als een extreem voorbeeld van cynisme te lezen. Hoe kan je een steeds groter wordende groep mensen die nauwelijks een basisinkomen hebben nu verwijten dat ze zich materialistisch opstellen en te veel bezig zijn met het bezit van anderen? En dan heb ik het nog niet over de obscene inkomensverschillen op wereldniveau.

Moeten we wakker liggen over de richting waarin onze samenleving evolueert? Absoluut! En we mogen ons vooral niet in slaap laten wiegen door het liedje dat zegt dat er geen alternatief is. En al evenmin door de naïeve verwachting dat het wel vanzelf zal veranderen. In die zin staan we op een keerpunt en is een omvattende mentaliteitswijziging de sleutel tot de toekomst. Die mentaliteitswijziging lijkt niet vanuit de bestaande politieke praktijk te voltrekken, integendeel zelfs. De zelforganisatie van burgerinitiatieven – een traag maar duurzaam project – zou wel eens de strategie van de toekomstige verandering kunnen zijn.


Rik Pinxten, Schoon protest. Want er is wel een alternatief, EPO, Berchem 2014, ISBN 978 94 6267 009 9

Martin Van Hees, Patrick Van Schie & Mark Van de Velde, Neoliberalisme. Een politieke fictie, Boom, Amsterdam, 2014, ISBN 978 90 8953 377 7

Fleur de Beaufort & Patrick van Schie, Sociaal-liberalisme, Boom, Amsterdam, 2014, ISBN 978 8953 376 0

Fleur de Beaufort, Joop Van den Berg & Patrick van Schie, Eigenzinnige liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland, Boom, Amsterdam, 2014, ISBN 978 90 8953 375 3


(1)

http://faculty.wcas.northwestern.edu/~jlg562/documents/BoasandGans-Morse--SCID.pdf

Lees ook:

http://www.ort.edu.uy/facs/boletininternacionales/contenidos/68/neoliberalism68.pdf

reacties

3 reacties

  • door Maud Bolstein op zaterdag 28 maart 2015

    Aan het lijstje van criticasters van neo liberalisme ontbreekt Erich Fromm: humanistisch tegenover technocratisch mensbeeld zijn sletelbegrippen in zijn boek: de revolutie van de hoop.

  • door ria aerts op zaterdag 28 maart 2015

    Zeer volledige analyse van de stroming die ons nu al decennia lang beheerst. Conclusie: welke naam men het beest ook geeft, het wordt altijd een monster.

  • door CyrelleFaile op woensdag 30 maart 2016

    Jammer dat Chantal Mouffe niet wordt genoemd, helemaal gezien zij veel schrijft over de rol van kunst in de neoliberale maatschappij!

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties