Reeds acht jaar is DeWereldMorgen.be de alternatieve en kritische stem in de Vlaamse media.

Wij zijn volledig gratis en reclamevrij.

Maar dat kan enkel via uw steun.

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Boekrecensie

Wetten en reglementen? Een pamflet van Paul Claes

Eind 2014 publiceerde de veelzijdige auteur Paul Claes het pamflet Kinderen van Rousseau. Hij gaat daarin tekeer tegen de erfenis van de beroemde Franse pedagoog en filosoof, die zich zou uiten in twaalf actuele hangijzers – van simplisme over dilettantisme en moralisme tot populisme. Claes kant zich tegen de tijdsgeest. Zijn pamflet werd al hysterisch genoemd. Terecht?
woensdag 11 februari 2015

Wat is cultuurpessimisme? En is het erg? Volgens Van Dale gaat het om ‘pessimisme met betrekking tot de toekomst van de cultuur’, en is het tegengesteld aan cultuuroptimisme: ‘het geloof aan gestage vooruitgang van de cultuur’. In die zin kunnen analyses van het heden niet cultuurpessimistisch zijn als ze niet verbonden worden met de overtuiging dat het slechtste nog moet komen, en dat er van verbetering geen sprake kan zijn.

Eind 2014 werd van Paul Claes (1943) het boekje Kinderen van Rousseau. Een pamflet tegen de tijdsgeest gepubliceerd. Het maakt deel uit van ‘De horzel, een nieuwe reeks opruiende en spraakmakende pamfletten’, en het verscheen tegelijkertijd met De blauwe muze. Waarom de beste literatuur op tv te zien is van de Nederlandse schrijfster Manon Uphoff. Het is een van de vele boeken die Claes – romancier, dichter, essayist, bloemlezer en vertaler – schreef sinds de publicatie in 2011 van zijn honderdste titel, Honderd notities van een alleslezer.

Kinderen van Rousseau is door Arjen Fortuin ‘een meesterproef van hysterisch cultuurpessimisme’ genoemd. De ‘dolle haat’ van Claes ‘tegen de “tijdsgeest”’ komt volgens Fortuin ‘uiteindelijk neer op een weigering om mee te doen, een weigering om te denken’. Het is ‘de hoog opgeleide variant van precies het soort kroegpraat dat Claes beweert te verfoeien’. Het besluit van Fortuin: ‘Geef mij Heleen van Royen maar’ – de publiciste die in Nederland bekendheid verwierf toen ze erg onthullende selfies mocht tentoonstellen in het Haagse Letterkundig Museum.

Denktraditie

Is Claes werkelijk zo cultuurpessimistisch als Fortuin beweert? Of wordt dat etiket opgekleefd om ongemakkelijke kritiek niet onder ogen te hoeven zien? In Kinderen van Rousseau ontbreken uitwegen of toekomstperspectieven niet per definitie. De laatste zin is veelzeggend: ‘Hopelijk zijn de kleinkinderen van Rousseau wijzer.’

Zoals in elk pamflet is de boodschap eenduidig: de hedendaagse mens is in alles schatplichtig aan de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1788) die, aldus Claes aan het begin van zijn tekst, ‘tegenover de rede van de verlichte filosofen het romantische sentiment stelde. Het anarchistisch antirationalisme van zijn levensbeschouwing verklaart zijn immense succes tot heden toe.’ In Kinderen van Rousseau worden twaalf fenomenen in evenveel hoofdstukken in de denktraditie van Rousseau geplaatst: simplisme, primitivisme, sentimentalisme, obscurantisme, anarchisme, dilettantisme, moralisme, analfabetisme, irrationalisme, jeunisme, populisme en – samenvattend – rousseauïsme. Bijna altijd staat een citaat uit het verzameld werk van de filosoof voorop.

Veralgemeningen

Het probleem met het genre van het pamflet is dat het om tegenspraak smeekt, en kritiek saboteert. Elke dialectiek lijkt eruit verdreven; geen enkele these wordt door een antithese tegengesproken – daar moet de lezer zelf voor zorgen, net als de voor de concluderende synthese. Er is op dit boek voornamelijk met ergernis gereageerd – de recensie van Fortuin is maar één voorbeeld. Net dat lijkt echter de bedoeling van Claes: zin na zin de vraag oproepen of hij gelijk heeft, of eerder nog de redenen provoceren waarom hij ongelijk heeft.

Om te beginnen is zijn interpretatie van leven en werk van Rousseau onrechtvaardig. Er zijn prachtige boeken geschreven over diens teksten, zoals La transparence et l’obstacle  van Jean Starobinski, waarin wordt aangegeven hoe de Franse filosoof naar de doorzichtigheid van de eigen emoties verlangde, maar daarin steeds door de maatschappij werd gehinderd. Daarin is hij exemplarisch en universeler op een minder laakbare wijze dan Claes suggereert: Rousseau is de ‘uitvinder van de burgerlijke gemoedsaandoeningen’, zoals W.G. Sebald het treffend samenvatte in de bundel schrijversportretten Logies in een landhuis. Het verlangen een ‘vlammend’ pamflet te schrijven tegen de tijdsgeest is trouwens een zeer rousseauiaanse karaktertrek.

Vervolgens vraagt de pamflettaire toon onophoudelijk om veralgemeningen, zoals het begrip ‘tijdsgeest’ zelf: het steunt op de eenvoud en de samenvatbaarheid van de actuele maatschappij, en op de aanname dat alle mensen precies in hun maatschappelijkheid op elkaar lijken. Soms volstaat het tijdens het lezen om aan te nemen dat een inderdaad zichtbare, om niet te zeggen kolkende grondstroom wordt geviseerd. Als Claes schrijft: ‘Ook tolerantie is zo’n oneindig rekbaar begrip. Hoe ver verdraagzaamheid moet gaan, kan niemand zeggen’, hebben recente gebeurtenissen hem gelijk gegeven. Vaak klopt de gemeenschappelijke noemer echter niet, en dat verklaart de ergernis tijdens de lectuur van Kinderen van Rousseau.

Staatsbemoeienis

Claes schrijft bijvoorbeeld deze twee zinnen: ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid, revolte en revolutie zijn per definitie goed. Terwijl elke autoriteit wordt gehaat, wordt de blinde tirannie van de vrije markt omhelsd.’ Contradictorische zinnen: wie de vrije markt omhelst, is allesbehalve een liefhebber van revolte en revolutie, maar wenst integendeel het behoud van het status quo. Of zoals hier, uit een passage over de teloorgang van het onderwijs: ‘Het internet, deze stortplaats van stommiteiten, wordt ingeschakeld als leerschool.’ Het internet per definitie een stortplaats van stommiteiten? Was het maar waar – hoeveel makkelijker zou het zijn om het links te laten liggen!

De meest luie bewering in deze reeks overstijgt het gebazel van ‘critici van de culturele sector’ nauwelijks: ‘Het huidige establishment geeft theatermakers alleen subsidies als ze anti-establishment zijn.’ Waar zit dat establishment? Gaat het om minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon, een grote fan van Cecilia Bartoli? Om mensen als de vorig jaar overleden Eric Antonis? Of – heel direct – om de leden van de advies- en beoordelingscommissies?

Nog een laatste voorbeeld: ‘Alles wat de vrijheid beknot is uit den boze. Autonomie (zelfbeschikking) en emancipatie (bevrijding) zijn elementaire rechten van de mens. Alle onderdrukten moeten hun ketens afwerpen in hun streven naar gelijkheid. (…) Alom klinken tegenwoordig liberale klachten over staatsbemoeienis en regelneverij. Moet ik echt alle wetten en reglementen respecteren?’

Het zijn beweringen over de tijdsgeest die voorbijgaan aan moderner vormen van staatsbemoeienis en biopolitiek: het is niet omdat de overheid wordt afgebouwd vanuit de overtuiging dat iedereen alles beter zelf kan, dat de macht die over het dagelijkse leven wordt uitgeoefend, ook kleiner wordt – integendeel. Wanneer voetstoots wordt aangenomen dat de staat de burgers niets verplicht is, komt er een loodzware druk op die burgers te liggen om helemaal op hun eentje iets van hun leven te maken.

Vrijheidsdenken

Het is een besef dat zich vaker manifesteert tijdens de lectuur van dit pamflet: richt Claes zich op de huidige tijdsgeest? Meer dan eens blijkt dat wij in zijn ogen niet alleen kinderen van Rousseau zijn, maar ook nakomelingen van mei ’68. ‘Het protest van de jaren zestig tegen het establishment was duidelijk opgezet door kinderen van Rousseau. De roep om vrijheid zwol algauw aan tot een schreeuw om absolute anarchie. Elk gezag was per definitie verkeerd, elke ordehandhaving was onderdrukking, zelfs tolerantie was repressief. Politiemensen waren SS’ers, functionarissen lakeien, de staat was het absolute kwaad.’

Claes is zich bewust van de perverse gevolgen van dit vrijheidsdenken: het is een revolutie geweest die door een contrarevolutie is opgevolgd, waarna alles nog erger dan voorheen is geworden: ‘Naar verluidt riep de Franse psychiater Jacques Lacan ooit tegen de opstandige studenten van mei ’68: “Willen jullie misschien nog strengere meesters?’ Hij heeft gelijk gekregen: revolte roept om repressie, liberalisme voert tot despotisme, tolerantie leidt tot intolerantie.’

Tegelijkertijd ontpopt Claes zich nu en dan ook als contrarevolutionair, bijvoorbeeld door ‘postmoderne’ kunstbeschouwers als Hanneke Grootenboer en Daniel Arasse de les te lezen omdat die schilderijen associatief willen bekijken, eerder dan vanuit een strikt iconografisch leesrooster: ‘Ze leest een oud schilderij aan de hand van modieuze denkers, ze veronachtzaamt alle details die de situatie verhelderen en ze brengt zo inderdaad het denken tot stilstand.’ Dat laatste is niet waar: het is een soort denken die een halt wordt toegeroepen: een denken dat enerzijds steunt op traditionele symboliek, en anderzijds op biografische bewijslast.

Het is een denken dat ook tot uiting kwam in Claes’ gecontesteerde en beperkende interpretatie van The Waste Land van T.S. Eliot – als dat gedicht werkelijk een hoogstpersoonlijke, om niet te zeggen rousseauiaanse klaagzang was over impotentie, dan zou het nu niet meer gelezen of vertaald worden.

Verlicht ideaal

Een dergelijk autoritaire houding heeft ook gevolgen voor de politieke opvattingen van Claes. Uit een verhullend interview met Joël De Ceulaer, gepubliceerd in Knack van 26 november 2014, wordt dat duidelijk. De Ceulaer heeft tijdens het gesprek, en na lezing van Kinderen van Rousseau, het gevoel dat Bart De Wever en Paul Claes het op vele manieren eens zijn: dezelfde licht nostalgische cultuurkritiek, dezelfde hang naar burgerlijke gehoorzaamheid en decorum, en naar een ingetogen publiek leven.

Bart De Wever, zo zegt De Ceulaer, ‘zal uw pamflet met instemming lezen.’ ‘Onmogelijk,’ repliceert Claes. ‘Ik pleit voor een evenwicht, voor het midden.’ Even later dringt De Ceulaer opnieuw aan: ‘Als Bart De Wever dit interview aan het lezen is, zal hij het tot dusver wellicht in hoge mate met u eens zijn. Uw analyse ruikt een beetje naar het conservatisme.’ En opnieuw: ‘Nee, hoor. De Wever staat als nationalist ook in de traditie van Rousseau.’

In Kinderen van Rousseau schrijft Claes: ‘Politiek is niet gebouwd op populistisch simplisme, maar op een ingewikkeld systeem van machtsevenwichten. Die komen niet tot stand door straatgeweld, maar door moeizame onderhandelingen tussen belangengroepen. Het politieke bedrijf is het reguliere kader waarin het debat op een fatsoenlijke wijze gevoerd kan worden.’ Het is een bij uitstek verlicht ideaal, dat een conflict- door een consensusmodel wil vervangen. Onder meer tegen die rationele beheersing van de politiek heeft Rousseau zich in de achttiende eeuw verzet, terwijl zo’n goed geregelde maatschappelijke orde vandaag niet meer bestaat.

Langs de ene kant wordt de historische situatie van Rousseau als verlichtingscriticus dus miskend; langs de andere kant blijft Claes een verdediger van een verlichtingsideaal dat ook historisch genoemd moet worden. Alles is daarom altijd minstens een beetje ingewikkelder dan het in Kinderen van Rousseau wordt voorgesteld. Als een pamflet zichzelf al niet saboteert, dan wordt het wel tegengewerkt door de sluwe en gemaskerde complexiteit van de dingen – een complexiteit die het pamflet onthult, maar waar het ook door aan de kant wordt gezet. De conclusie kan alleen maar zijn dat Claes niet cultuurpessimistisch genoeg is.

Paul Claes: Kinderen van Rousseau. Een pamflet tegen de tijdsgeest. De Bezige Bij. Amsterdam. ISBN: 9789023486787.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.