about
Toon menu

Snoeien in planlast en regeltjes?

'Mensen zijn het kotsbeu enkel consument te zijn', de open brief van Oikos-coördinator Dirk Holemans, heeft diverse reacties opgeroepen. Hier volgen de indrukken van Wim Van Roy, van de organisatie voor maatschappelijk werk De Wakkere Burger.
vrijdag 30 januari 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Wat valt ons op in Dirk Holemans' essay wanneer we het bekijken vanuit een perspectief van de relatie burger-bestuur?

De transitiegedachte heeft een golf aan spontane burgerinitiatieven op gang gebracht: buurtcomités, stadstuinders, deelinitiatieven,… Op zich niets mis mee, integendeel. Deze initiatieven geven mensen greep op hun eigen leven en de kwaliteit van hun leefomgeving. De rol van de (lokale) overheid wordt daarbij vaak omschreven als ‘facilitator’. Het politieke bestuur moet die initiatieven mogelijk maken, bijvoorbeeld via financiële en/of logistieke ondersteuning. Alweer: niets mis mee. Maar de overheid in die rol fungeert, ons inziens, eerder als een eenrichtingsverkeer, waarin de burger niet zozeer een evenwaardige partner is.

Het essay van Dirk Holemans pleit daarom terecht voor herpolitisering en voor collectieve actie. Lokale transitie-initiatieven zoals een samenmoestuin, hoe waardevol ook, zullen de wereld niet écht veranderen. In een eigen bijdrage in hetzelfde Oikos-nummer (pg 30) verwezen we immers al naar een mogelijk risico van deze evolutie: raakt de politieke participatie – lees: beleidsinvloed – hierdoor niet op de achtergrond? Heel wat van die actieve burgers zouden immers leiden aan ‘goedgemutste machteloosheid’: ze zoeken actief naar een positief en duurzaam alternatief voor het huidige beleid en het mondiale kapitalisme, maar hebben tegelijk amper vertrouwen in de tegenkracht van burgers die verandering en hervorming zou kunnen afdwingen. Hoe deze (r)evolutie concreet op gang brengen is een even boeiende als moeilijke vraag?

De relatie tussen overheid en burgerinitiatieven is ook een samengaan van verschillende logica’s. Enerzijds zit de overheid in de logica van Nieuw Publiek Management waarin ze in ruil voor steun graag meetbare en controleerbare doelstellingen voorop stelt. Strookt dit met burgerinitiatieven die een maatschappelijke meerwaarde creëren, maar vaak en vooral wél spontaan en onvoorspelbaar werken? Is het niet aan die overheid om vertrouwen te schenken aan die actieve burgers? Zou die overheid – als facilitator – niet beter snoeien in planlast en regeltjes?

Het essay over het heroveren van autonomie wijst op het belang van ‘ontmarkting’ en ‘onthaasting’ binnen de nieuwe wenselijke identiteit. Misschien is ook ‘verrijking’ van belang binnen die identiteit: niet van de eigen bankrekening, maar van het maatschappelijke debat. Moeten overheden niet meer investeren in participatie en een breed maatschappelijk debat voor zij ambtenaren en studiebureau’s loslaten op een of ander dossier? Vaak levert dat een breder en rijker debat op.

Nog een slotbedenking: van P2P-netwerken wordt heel wat verwacht in deze context. Maar draagt deze P2P-logica geen risico’s op nieuwe ongelijkheden in zich mee? Is iedereen voldoende interessant om te participeren aan deze nieuwe creatieve processen? Welke garanties zijn daar nodig?