Fuck bottom-up
RektoVerso

Fuck bottom-up

Ik heb goesting om eens goed in uw soep te spuwen. Ik heb goesting om eens tegen uw kloten te stampen. Ik heb goesting om eens stevig te vloeken in uw heilige kerk. Ik geloof niet in uw celebratie van participatie. Fuck bottom-up! Het is een alibi voor een gebrek aan beleidsvisie. En daarbij: participatie? My ass. Er moet iemand zijn die mij representeert. En er is niemand meer. Ik ben alleen nog alleen.

woensdag 14 januari 2015 09:37

Schone dingen heb ik gezien. Mensen die samenkwamen in bomvolle zalen
om het onrecht aan te klagen dat hun te beurt viel en te beslissen wat
er kon gebeuren. Ideeën werden gespuid, eerst in kleine groepen,
vervolgens en public. Er werd gegromd, in de handen geklapt,
geantwoord en gelachen. Beslist werd er niet. De beste voorstellen
werden meegenomen naar de volgende vergadering. Die er dan uiteindelijk
niet kwam. Of er werd een solidaire maatregel voorgesteld die iets te
concreet werd: we leveren allemaal vijf procent in. ‘Ja maar,’ riep
iemand, ‘dat betekent iets anders voor x dan voor y. Het ontbreekt ons
daarvoor aan exacte informatie. En daarbij, we kunnen de mensen toch
niet dwingen tot solidariteit? Voor x zullen ze nu wel willen inleveren,
maar voor y allicht niet, want die is minder sympathiek. En als de
mensen niet willen, dan willen ze ook niet. Dat is het principe van de
democratie.’

Van geen kanten. Het principe van de democratie is niet zomaar
klakkeloos meerderheid versus minderheid, de macht van het getal of het
gelijk van de massa. De dominantie van een meerderheid over een
minderheid is in de democratie gestoeld op het heilige principe van de
representatie, de verhoudingsgewijze vertegenwoordiging: het feit dat
diegene die mag spreken, niet namens zichzelf spreekt, maar namens
degenen die hem of haar gekozen hebben om voor hen te spreken. Dat
klinkt als een omweg, omslachtig, indirect, theater met slechte acteurs.
Het strookt niet met onze drang naar onmiddellijkheid, naar hier en nu. Het
heeft allerlei salonintellectuelen en andere tafelspringers ertoe
aangezet om de representatieve aard van onze democratie overhaast te
vervangen door een participatieve, die beter op de maat zou zijn van
onze tijd vol internet en mondige burgers. Alsof representatie een
belediging was voor hun welopgevoede narcisme. Alsof representatie,
bijvoorbeeld in het parlement, de wijsheid van het participerende
volk(je) in de weg staat.

Representatie is de enige garantie die we hebben dat het in onze democratie niet om personen, maar om principes gaat

Het is een schande! Niemand verdedigt nog het principe van de
representatie. En ik zeg wel degelijk ‘het principe’, want ik herken me
ook niet in de meestal marionetachtige creaturen van de particratie die
bij elke verkiezing naar de volksgunst dingen. Alleen: het omslachtige
principe van de representatie, dat ‘afstand’ inhoudt tussen de mens die
spreekt en zijn persoontje (dat immers plaats moet maken voor de mensen
die hij representeert), is meer dan de perverse invulling die er vaak
aan wordt gegeven. Ik noem het niet toevallig een heilig principe. Het
is de enige garantie die we hebben dat het in onze democratie niet om
personen, maar om principes gaat. Niet om de toevalligheid van een of
ander ego of een persoonlijke ‘mening’, maar om een onpersoonlijk idee.
Representatie, de ingebouwde afstand tussen een stem en zij die ervoor
gestemd hebben, vormt de waarborg dat de meerderheid verzameld kán (!)
worden rond een idee, in plaats van rond taal, ras of ander eigenlijk
toeval. Of nog: dat er zich meerderheden kunnen vormen rond andere
principes dan zogenaamd ‘natuurlijke’.

Vele ikken, geen ons

Hoezo? Waarom kunnen burgers die een participatief overleg creëren,
zich niet achter een idee scharen dat hun persoonlijke belang
overstijgt? Dat is toch juist het hoopvolle dat in een aantal
burgeracties gebeurt, en wel precies omdat de traditionele
representatiepolitiek het laat afweten? Inderdaad, het is niet
onmogelijk. Ringland is een mooi voorbeeld, zoals wel meer organisaties
met politieke impact gegroeid zijn uit principiële lotsverbintenissen en
bewegingen van onderuit. Maar ik heb het over iets anders, iets waar al
die frisse hoop de ogen voor dreigt te sluiten. In een participatief
model kan iedereen feitelijk alleen zichzelf representeren. Niemand
heeft het recht te spreken namens ‘ons’, of in een wij-vorm. Er is geen
principe van vertegenwoordiging dat uitstijgt boven de diverse
individuen, er is alleen het onderliggende principe dat iedereen het
recht heeft om deel te nemen zolang men akkoord is met het centrale
idee. In het beste geval levert dat de verbindende energie op van een
actie zoals Hart boven Hard, en het geloof dat die verbinding duurzaam is omdat ze gedragen wordt door vrijwillige deelname van onderuit – bottom-up. Maar wat als er concreet gesproken moet worden, politiek dus? Zitten we dan lekker met z’n allen aan tafel?



Thomas Huyghe

Ik hoor jullie roepen: ‘Daarvoor hebben wij dan woordvoerders,
mijnheer!’ Pardon? Woordvoerders? En wie zijn dat, in godsnaam? De
mensen die verklanken wat leeft, die de verdienste hebben het overleg te
hebben opgestart en te organiseren. Zeer goed, dat zijn helden. Men zou
ze uit dankbaarheid nu al een verzekerd pensioen moeten geven. Maar
waar staan die mensen voor? Wat vertegenwoordigen ze? De meerderheid,
zichzelf, het juiste principe? Geen idee! Een beweging als Hart boven hard
is geweldig: spontaan, noodzakelijk en horizontaal. Maar ze staat
mijlenver van politieke actie. Daarvoor klinkt de strijdkreet te veel
als een moraal die onderhuidse conflicten verbloemt. En dat lijkt wel
een sterkte voor wie erachter staat, maar het verzwakt de stem van wie
namens ‘ons’ zal moeten spreken. Ik ben pro, hoor, en ik steun. Maar een
participatief overleg dat zweert bij haar bottom-up-karakter
zonder dat ooit te vertalen naar een systeem van representatie, is in
het beste geval een recept voor ontgoocheling en in het slechtste geval
voor misbruik.

Ga ik nu te ver? Ik ben nog niet begonnen. De ontgoocheling die op de
loer ligt in een participatieve benadering die volhardt in de boosheid
van onderuit, is dat de mobiliserende kracht van symbolische macht nooit
vertaald wordt in politieke macht. Het geloof in de ‘radicale’
democratie – van ‘radix’ (oorsprong, wortel), zoals in ‘grassroots’ –
dreigt dan om te slaan in een woekerend cynisme over de democratie, of
zelfs in antidemocratische reflexen. Het volledig gerechtvaardigde idee
dat een emancipatie van de burger de enige manier is om de status quo
van onze traditionele democratie duurzaam te doorbreken, dreigt dan de
overtuiging te betonneren dat echte verandering finaal onmogelijk is,
omdat ‘onze’ democratie tot in haar wortels verziekt is. Precies het
geloof dat reële en diepgaande veranderingen slechts mogelijk zijn als
de burgers veranderen van stom en gedwee stemvee in de actieve
architecten van hun eigen samenleving, veroorzaakt dan een gelatenheid
waarmee burgers zichzelf uitsluiten, gedegouteerd door hun eigen
onmacht. Of wat er is geworden van de symbolische 99% ten tijde van
Occupy – nochtans geen krappe meerderheid? Ach meneer, wat maakt het
allemaal uit?

De truc van de knieval

Ziedaar hoe een koninklijke weg naar misbruik open komt te liggen. Je ziet immers niet alleen hoe bottom-up-bewegingen
als de Amerikaanse Tea Party en andere spontane lobbygroepen simpelweg
grof geld gebruiken om hun symbolische macht in politieke invloed te
verzilveren – wat een buitenparlementaire, niet-representatieve en
ondemocratische vorm van participatie inhoudt. Je ziet het ook dichter
bij huis: voor eender welke leiding, ceo of overheidsinstantie is het niet zo moeilijk om de participatie van de basis – burgers,
personeelsleden of andere directe betrokkenen – als kracht tegen
zichzelf te gebruiken. Het recept is simpel, ik heb het al zo vaak
gehoord en gezien. Je betrekt de individuele leden maximaal en neemt hun
participatie ogenschijnlijk ernstig, maar je geeft er geen gehoor aan,
of slechts voor zover het netjes in je kraam past. Uiteindelijk
representeren die leden immers alleen zichzelf. ‘Divide et impera’,
heette dat bij de Romeinen. Wanneer het van overheidswege wordt
uitgespeeld, is het participatiemodel – de participatiemaatschappij,
lult Nederland, Big Society, dwaalt Cameron – gewoon de moderne naam
daarvoor. Ooit – in de jaren 1960 – werd in alle organisaties inspraak
geëist, volgens representatie – men sprak altijd over
‘vertegenwoordigers’. Participatie is het gesofisticeerde antwoord dat
de gevestigde macht heeft bedacht om die eis in te willigen en te
neutraliseren. Laat iedereen participeren. Het ‘volk’ zal zijn macht
kwijt zijn. De verdeelde basis als nieuwe troon! Ha!

Laat iedereen participeren. Het ‘volk’ zal zijn macht kwijt zijn. De verdeelde basis als nieuwe troon! Ha!

Lelijke dingen heb ik gezien. En ze beginnen altijd bij een knieval
van de macht – die het omgekeerde verbergt. Neem leidinggevenden die
afzien van hun plicht om hun visie op het bedrijf te geven en te
verdedigen, omdat ze schijnbaar radicaal-democratisch vinden dat de
visie van onderuit, van de mensen zelf, dient te komen. Er moet hervormd
worden, dat staat vast, dat zeggen de cijfers, dat wijst onderzoek uit, et cetera. Maar hoe? Dat zullen de directe betrokkenen toch wel het
beste weten, niet? Het discours is vertrouwd, het klinkt haast
sympathiek. We houden ervan als van onszelf, van dat
participatievertoog. Maar het is rampzalig. Hoezo dan? Weten de
betrokkenen, de experts aan de basis, de ervaringsdeskundigen het dan
toch niet beter? Dat geperverteerde besluit is inderdaad de suggestie,
maar het is de uitkomst van een ‘managerieel’ systeem. Werkgroepen
worden opgezet, personeelsleden worden uitgenodigd om eraan deel te
nemen. Maar bij gebrek aan leidinggevend principe om de discussie te
sturen, én bij gebrek aan representativiteit, eindigt elke bijdrage, elk
overleg in een maat voor niets. Bedankt voor de inzet. En heeft
iedereen nu gesproken? Uiteindelijk zijn economische principes
beslissend.

Elk verzet is monddood. Een leider met visie om zich tegen te
verzetten, is er niet. Alle betrokkenen hebben de kans gehad om te
spreken en de kans dat ze zich in de toekomst nog met het beleid zullen
inlaten, is nihil. Het heet bottom-up, maar terwijl je je bukt om participatief mee te denken, word je eigenlijk in je kont genaaid.

Stem vertrouwen



Thomas Huyghe

Fuck bottom-up! Waar zijn we mee bezig als we dat soort
misbruik faciliteren door al te gewillig te participeren? Want dat is
wat we doen, als we de oude eis tot representatie offeren op het altaar
van de participatie, die we goedbedoelend – en vaak met juiste ideeën –
vereren. Zoals we ooit de evidentie van het top-downbeleid hebben gebroken, moeten we nu de vanzelfsprekendheid van het bottom-up
in vraag durven te stellen. Niet omdat we de idee van radicale
democratie moeten opgeven, maar omdat we moeten zoeken naar een manier
om haar te redden, voor we allemaal de moed verloren zijn. Dat betekent
dat we een manier moeten vinden om de kracht van de participatie in
representatie om te zetten, of ze er minstens mee gepaard te laten gaan.
Via een partij? Een partij van partijlozen en met participerende
burgers? Dat is allicht een te oud recept. Binnen de kortste keren krijg
je dan politici die meer hun partij dan haar oorspronkelijke principes
vertegenwoordigen. En dat vertrouw ik niet! Kust mijn gat.

We moeten een manier vinden om mensen opnieuw onze stem toe te vertrouwen en een mandaat te geven

Maar vertrouwen is wel het antwoord. We moeten een manier vinden om
mensen opnieuw onze stem toe te vertrouwen en een mandaat te geven – van
mandare’, toevertrouwen, dat zelf weer afstamt van ‘manus’ (hand) en
dare’ (geven). Niet alleen in het parlement, maar ook in onze
participatieve bewegingen van onderuit. En dat betekent dat we het
heilige principe van de representatie moeten herstellen, moeten herijken
en wat mij betreft op klassieke wijze moeten heruitvinden in het hart
van onze democratie. Dat principe komt neer op begrijpen, aanvaarden en
vertrouwen dat degene die mij vertegenwoordigt, niet altijd zegt wat ik
denk, maar wel spreekt namens ons, die hem of haar daartoe het mandaat
hebben gegeven, juist op basis van zijn of haar vermogen om onze
onvermijdelijke meerstemmigheid in zijn of haar eigen stem te verzoenen.
‘Tiens, zoals je toelaat dat een personage in theater, film of
literatuur iets over jou zegt zonder dat jij het zelf bent? Omdat het
namens “ons” spreekt?’ Ja, zoals sommige personages in theater, film of
literatuur. Dat heb jij goed gesnopen, kontlikker! Daar leer je
hoe het werkt.

O. Van de Slagboom is intellectueel op rust en aftredend
voorzitter van de Vereniging voor Innerlijke Punkers. Voor het schrijven
van deze tekst kreeg hij het mandaat van Tom Van Imschoot, die het niet
overal mee eens is.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!