Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Analyse

Andreas Vesalius en het lef van Leuven

Leuven herdenkt Andreas Vesalius, grondlegger van de wetenschap der menselijke anatomie. Dat is niet terecht, vindt Brusselaar Lucas Catherine. Leuven stond immers niet erg open voor de man en zijn werk toen hij nog leefde, Brussel daarentegen...
donderdag 9 oktober 2014

De stad Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website VesaliusLeuven lees ik: “De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie”. Dat is een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was immers een Brusselaar en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt, vertel ik zo dadelijk – maar het is zeker niet in Leuven.

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd, want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. In Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten valt aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Herschrijven ze in Leuven de geschiedenis om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme. Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

Andries Wijtinck

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel, omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd. Het Hellestroatje bestaat niet meer. Het was een verbinding tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat

Zijn vader liet Andries vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort in de wijk Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de rooms-katholieke clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd.

Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 ging hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, de School aan de Borcht, een middelbare school die afhing van de universiteit daar. Hij vervolmaakte zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College.

Wierook en verbrand vlees in Leuven

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er te veel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna de zwavel van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg.

Karel ondertekende daarop in september 1520 zijn eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseerde de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gingen in de vlammen op. Het mocht niet baten. Nog dat jaar verschenen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 werden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privéleraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, werd er tot kardinaal gekroond. Karel promoveerde hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia.

In 1519 overleed Karels grootvader Maximiliaan en vertrok hij naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelde hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee kwam heel de Spaanse Inquisitie onder ‘Leuvens’ bevel.

Op 23 april 1522 werd in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant werd door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren. En Adriaan Boeyens die ondertussen, dankzij politieke druk van Karel, tot paus was gekroond, bekrachtigde dit. Hij gaf Van der Hulst de titel “universalem et generalem inquisitorem”.

De Leuvense inquisitie

Kort daarna werd hij opgevolgd door drie klerikale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hadden ze nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen van de 'Spaanse Inquisitie' kwamen van hier.

Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek. “Zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Daartegenover was Parijs toleranter. Vesalius ging dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden, was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

Terug naar Brussel

In 1536 brak oorlog uit tussen de Franse koning François I en Keizer Karel. Als onderdaan van een vijandige natie moest Vesalius dus Parijs verlaten en keerde hij terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar korset te strak was dichtgesnoerd.

Hij zette zijn studies een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem (Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur).

Eer het jaar om was, kreeg hij ruzie met zijn professor en daarom trok hij naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld werd als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceerde hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen. Die droeg hij op aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel.

In 1543 volgde dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem (Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk van 7 kilogram met 663 pagina’s van elk bijna een halve meter hoog, droeg hij op aan Keizer Karel.

Standbeeld van Andreas Vesalius op het Barricadenplein in Brussel (foto Lucas Catherine)

Die voelde zich daarmee erg gevleid en stelde hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel had Vesalius meer dan zijn handen vol. Omwille van de slechte eetgewoonten van de keizer – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was.

De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schreef hij zijn Chinawortelbrief Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans (Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd).

Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg, ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesalius. Hij benoemt hem wel tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis. Dit levert hem een aardige lijfrente op.

Spaanse kortzichtigheid

Daarop trad onze Brusselaar in dienst van diens zoon en opvolger Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelde er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon dus zijn anatomisch onderzoek niet verderzetten.

In 1564 vertrok hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète bij Montpellier, nam hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant.

In Palestina bezocht hij de heilige plaatsen Jericho en de Jordaanvallei. Op de terugreis kwam zijn schip in een storm terecht en ze leden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar stierf hij aan tyfus op 15 oktober 1564.

Hij kreeg op het eiland twee monumenten en er is een straat naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt een gedenkplaat op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds.

Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat de beruchte inquisiteur Jan Grouwels er woonde. Zijn bijnaam 'Spellekens' kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken.

Die was dus ook een 'anatoom', maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd, vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen, want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

Dit artikel is gebaseerd op het hoofdstuk over Vesalius in het boek 'Brussel van Renaissance tot Republiek' van Luc Catherine, waarin ook de voornaamste bronnen worden vermeld:

  • Eugène Baie, Le Siècle des Gueux (6 delen), Brussel, 1947
  • Moritz Roth, Andreas Vesalius Bruxellensis, Berlin, 1892, herdruk Amsterdam 1965
  • A.Burggraeve, Etudes sur Vésale, Gent, 1841

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.