Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

Ha-Joon Chang: Hoe groeit je Tuin? De wereld van de productie

Recent interviewde DeWereldMorgen.be Ha-Joon Chang en recenseerde zijn nieuwste boek "Economie: de gebruiksaanwijzing". Opdat lezers zich een eigen oordeel kunnen vormen, volgt nu integraal het zevende hoofdstuk uit dit boek van deze spraakmakende Zuid-Koreaanse econoom.
vrijdag 18 juli 2014

Je zou kunnen zeggen dat Equatoriaal-Guinea is voorbestemd tot onbeduidendheid. Met net iets meer dan 700.000 zielen is het in termen van bevolkingsaantal het kleinste land van het Afrikaanse continent. Ook wat betreft oppervlakte stelt het niet veel voor: het op zes na kleinste van Afrika. Wie merkt zo’n klein landje nu op? En om het nog erger te maken zijn er maar liefst vijf andere landen met namen die er sterk op lijken: niet alleen Guinee en Guinee-Bissau, die in de buurt liggen, maar ook Papoea-Nieuw-Guinea in de Stille Oceaan en Frans-Guyana in Zuid-Amerika. 

Maar als Equatoriaal-Guinea een van de onopvallendste landen ter wereld blijft, is dat niet omdat het zijn best niet heeft gedaan. Het is het rijkste land van Afrika met een bbp per hoofd van 20.703 dollar in 2010. De afgelopen decennia is het een van de snelstgroeiende economieën ter wereld geworden. Tussen 1995 en 2010 is het bbp per hoofd met 18,6 procent per jaar gegroeid, meer dan twee keer zo snel als dat van China, het internationale groeiwonder, dat met ‘slechts’ 9,1 procent per jaar groeide.

Zeg nu zelf, wat moet een land nog meer doen om wat aandacht te krijgen? De VS binnenvallen? Scarlett Johansson tot president uitroepen? Het hele land roze schilderen? Er is een hoop onrecht in de wereld. 

Economische groei en economische ontwikkeling 

Economische ontwikkeling opgevat als ontwikkeling van productief vermogen

Als Equatoriaal-Guinea zo veel sneller groeit dan China, waarom hebben we dan niet gehoord van ‘het economische wonder van Equatoriaal-Guinea’, terwijl we met ‘het economische wonder van China’ om de oren worden geslagen?

Een van de redenen is het verschil in grootte: heel kleine landen kunnen over het hoofd worden gezien, ook al doen ze het erg goed. Maar de meeste mensen nemen de fenomenale inkomensgroei van Equatoriaal-Guinea niet serieus omdat die is toe te schrijven aan een schat aan natuurlijke hulpbronnen. Het enige wat aan de economie van het land is veranderd, is de vondst van een enorme oliereserve in 1996. Zonder olie zou het land weer terugvallen tot een van de armste landen ter wereld, wat het vroeger was, omdat het weinig anders produceert.

DeWereldMorgen.be

Daarmee wil ik niet zeggen dat alle groeiscenario’s die gebaseerd zijn op natuurlijke hulpbronnen zoals olie, mineralen en landbouwproducten, lijken op die van Equatoriaal-Guinea. De economische groei van de vs heeft in de negentiende eeuw enorm geprofiteerd van de overvloedige natuurlijke hulpbronnen als landbouwproducten en mineralen. Finland, een van de bosrijkste landen ter wereld, heeft tot ver in de twintigste eeuw voor zijn export zwaar geleund op de bosbouw. De groei van Australië staat of valt nog altijd met de export van mineralen.

Wat Equatoriaal-Guinea anders maakt dan deze voorbeelden is dat zijn groei niet is bereikt door een toename in het vermogen om te produceren. De vs vormen wat dat betreft het beste tegenvoorbeeld. Aan het eind van de negentiende eeuw groeiden de vs niet alleen uit tot de machtigste industriële natie ter wereld, maar was het land ook nog eens de grootste producent van bijna alle commercieel belangrijke mineralen. Die status hadden ze echter niet alleen bereikt omdat de vs over grote minerale voorraden beschikten, maar in de eerste plaats omdat het land toen indrukwekkende efficiënte technieken had ontwikkeld om die mineralen op te sporen, te winnen en te bewerken: tot halverwege de negentiende eeuw waren de vs van geen enkel mineraal wereldproducent. Equatoriaal-Guinea daarentegen kan niet alleen weinig meer produceren dan olie, het land beschikt ook niet over de vaardigheden om die olie zelf te produceren: de olie wordt omhoog gepompt door Amerikaanse oliemaatschappijen.

Hoewel het een extreem voorbeeld is, illustreert het scenario van Equatoriaal- Guinea duidelijk dat economische groei, dat wil zeggen de toename van de output (of inkomsten) van de economie, niet hetzelfde is als economische ontwikkeling.

Er is geen algemeen aanvaarde definitie van economische ontwikkeling, maar ik definieer het als een economisch groeiproces dat is gebaseerd op de toename van de productieve vermogens van een economie: het vermogen om haar productieactiviteiten te organiseren, en belangrijker nog, te transformeren.

Economieën met een laag productief vermogen zijn niet eens zeker van de waarde van hun product

Als een economie een laag productief vermogen heeft en afhankelijk is van natuurlijke hulpbronnen of van producten die met goedkope arbeid worden gemaakt (goedkope T-shirts bijvoorbeeld), zijn de inkomsten niet alleen laag, maar kan men er evenmin zeker van zijn dat op de lange termijn dat wat er wordt geproduceerd nog dezelfde waarde zal hebben als nu.

Machines die hele beroepsgroepen overbodig maken zijn zo’n terugkerend verschijnsel in de economische ontwikkeling dat we het daar niet meer over hoeven te hebben. Denk alleen maar eens aan de beroepen waarvan tegenwoordig alleen de naam nog bestaat, zoals wevers, smeden, wielmakers, enzovoort.

Bovendien kunnen landen met een superieur productief vermogen zelfs substituten voor natuurlijke hulpbronnen ontwikkelen, waardoor het inkomen van landen die op de export ervan drijven enorm kan dalen. Nadat Duitsland en Groot-Brittannië halverwege de negentiende eeuw de technologie hadden ontwikkeld om natuurlijke chemicaliën synthetisch te produceren, zag een aantal landen hun inkomen spectaculair dalen. Guatemala verdiende vroeger behoorlijk wat geld als producent van cochenille, de karmozijnrode kleurstof die bij de paus en de Europese vorsten zeer gewild was voor hun gewaden, tot de uitvinding van de kunstmatige kleurstof alizarine-rood. De Chileense economie raakte in een jarenlange crisis verzeild toen aan het begin van de twintigste eeuw het Haber-Bosch-proces werd ontwikkeld voor de productie van chemische vervangingsmiddelen voor salpeter (nitraat), destijds het belangrijkste exportartikel van het land.

Technologische veranderingen liggen aan de basis van economische ontwikkeling

Nog niet zo heel lang geleden zou iemand die duizend paarden tegelijk kon mennen, honderden boeken in zijn zak kon steken, enorme hitte kon opwekken zonder dat er een vlam aan te pas kwam, duizenden liters zeewater in zoet water kon omzetten of kleren kon maken uit steen, een tovenaar zijn genoemd. En dan hebben we het niet over het middeleeuwse Europa waar nog heksen werden verbrand. Nog aan het begin van de twintigste eeuw, toen de wereld niet zo heel veel verschilde van die van vandaag, zouden al die dingen voor onmogelijk zijn gehouden. Maar nu zijn die dingen in veel landen de gewoonste zaak van de wereld. De meesten van jullie weten wel wat ik bedoel, behalve misschien kleren maken uit steen, wat in Noord-Korea wordt gedaan, waar ze uit kalksteen een synthetische vezel vervaardigen die vinalon of vinylon heet.

Al die ‘magische’ ontwikkelingen waren alleen mogelijk omdat we voortdurend betere technologieën hebben uitgevonden, zoals betere machines en betere chemische processen. Sinds Abraham Darby aan het begin van de achttiende eeuw een procédé bedacht om met behulp van cokes ijzer uit erts te winnen en John Kay de schietspoel voor de textielindustrie uitvond, is er een eindeloze stroom technologieën op gang gekomen die de wereld heeft veranderd. Een aantal daarvan zijn in hoofdstuk 3 al ter sprake gekomen. De stoommachine, de verbrandingsmotor, elektriciteit, organische scheikunde, stalen schepen, telegrafie (via kabels en draadloos), vliegtuigen, computers, kernfusie, halfgeleiders en glasvezel zijn slechts de belangrijkste voorbeelden. Tegenwoordig staan gentechnologie, duurzame energie, ‘geavanceerde’ materialen (bijvoorbeeld grafeen) en nanotechnologie klaar om de wereld opnieuw te veranderen.

In de begindagen van de industriële revolutie werden nieuwe technologie- en vaak ontwikkeld door individuele visionairs. Daardoor zijn tot het begin van de twintigste eeuw veel technologieën bekend geworden onder de naam van hun uitvinders: Kays schietspoel, de stoommachine van Watt, het Haber-Bosch-proces, enzovoort.

Toen vanaf het eind van de negentiende eeuw de technologieën steeds ingewikkelder werden, waren steeds minder uitvindingen het idee van één enkel persoon. Bedrijven begonnen r&d-afdelingen op te richten om nieuwe technologieën te ontwikkelen in hun bedrijfslaboratoria. Rond die tijd begonnen ook overheden actief te investeren in de ontwikkeling van nieuwe technologieën door de oprichting van openbare onderzoeksinstellingen (vooral in de landbouw) of door subsidiëring van r&d-activiteiten in de private sector.

Tegenwoordig zijn technologische vernieuwingen eerder het resultaat van georganiseerde, collectieve inspanningen binnen en buiten productiebedrijven dan van de inspiratie van een enkel individu. Het feit dat er vandaag de dag nog maar weinig technologieën zijn die de naam van hun uitvinder dragen, getuigt van de collectivisering van het innovatieproces.  

Het draait niet alleen om technologie: het belang van arbeidsorganisatie

Niet elke verhoging van ons productieve vermogen is voortgekomen uit technologische ontwikkelingen in engere zin: machines en chemicaliën. Vaak is die verhoging ook toe te schrijven aan verbeteringen in organisatorische vaardigheden – managementtechnieken, zo je wilt.

In het begin van de negentiende eeuw werd de productiviteit in de fabriek verder verhoogd door de arbeiders op te stellen in de volgorde van hun taak in het productieproces. De assemblagelijn was geboren. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de assemblagelijn gecombineerd met een bewegende band. Door deze lopende band konden de kapitalisten het werktempo eenvoudig opschroeven door de snelheid van de lopende band te verhogen.

Buiten industrietakken als de auto-industrie, waarin een continu lopende band bepaalt wie wat doet en hoe snel, zijn verbeteringen in de organisatie van de arbeid een belangrijk instrument voor productiviteitsverhoging geweest, zoals de opstelling van verschillende machines, de selectieve toewijzing van taken aan bepaalde arbeiders, de opslagplaats van onderdelen en halfproducten, enzovoort. Voor economen zijn dit vanzelfsprekende zaken, maar nog steeds weet niet elke producent die dingen goed te regelen, met name in de ontwikkelingslanden.

De opkomst van het fordisme of de massaproductie

Behalve een efficiëntere organisatie van het arbeidsproces zijn er ook pogingen ondernomen om de werknemers zelf efficiënter te maken. In dat opzicht heeft het taylorisme een grote rol gespeeld, genoemd naar Frederick Winslow Taylor (1856-1915), de Amerikaanse ingenieur en latere managementgoeroe. Taylor betoogde dat het productieproces moest worden opgedeeld in zo eenvoudig mogelijke taken en dat wetenschappelijke analyse van het arbeidsproces moest vaststellen wat de meest effectieve methode was om die taken uit te voeren, die vervolgens aan de werknemers moest worden onderwezen. Om die reden spreekt men ook wel van wetenschappelijke bedrijfsvoering.

Door de lopende band met het principe van Taylor te combineren, ontstond aan het begin van de twintigste eeuw het systeem van massaproductie. Het wordt ook vaak het ‘fordisme’ genoemd omdat het in 1908 voor het eerst werd geperfectioneerd door Henry Ford – en niet ‘uitgevonden’, zoals de mythe wil – in zijn T-Ford-fabriek. Het idee is dat er op de productiekosten bezuinigd kan worden door een grote hoeveelheid gestandaardiseerde producten te produceren met standaardonderdelen, gespecialiseerde machines en een lopende band. Daardoor werd het ook makkelijker om arbeiders te vervangen en dus in toom te houden, omdat ze voor de uitvoering van hun gestandaardiseerde taken relatief weinig vaardigheden nodig hadden.

Ondanks het feit dat Ford zijn werknemers makkelijker vervangbaar maakte, betaalde hij ze goed, omdat hij zich realiseerde dat zijn productiemethode zinloos zou zijn zonder een ‘massamarkt’ van mensen met een behoorlijk inkomen die het zich konden permitteren de massale output te kopen. Toen het systeem van massaproductie na de Tweede Wereldoorlog in de VS en Europa op grote schaal werd ingevoerd, werden de markten dankzij de hogere lonen steeds groter, waardoor er in grotere volumes geproduceerd kon worden, en waardoor de productiviteit nog meer steeg doordat de vaste bedrijfskosten (de inrichting van productiefaciliteiten) over een groter volume gespreid konden worden.

Het systeem van massaproductie was zo efficiënt dat het zelfs in de Sovjet- Unie aansloeg. In het begin werd er een hoog oplopend debat gevoerd over de invoering ervan, omdat de implicaties overduidelijk tegen het belang van de arbeiders ingingen. Het systeem vernietigde de waarde van arbeid door die te versimpelen en repetitief te maken en de controle van de arbeider over het arbeidsproces enorm te verkleinen: gestandaardiseerde taken vergemakkelijken het toezicht op de arbeiders terwijl de werkdruk makkelijk kan worden opgevoerd door de snelheid van de lopende band te verhogen. Uiteindelijk bleek het systeem zo overweldigend efficiënt te zijn dat de Sovjet-planners besloten het in te voeren.

Aanpassingen aan het systeem van massaproductie: het systeem van lean production

Een eeuw na de uitvinding ervan vormt het massaproductiesysteem nog steeds de ruggegraat van onze productie. Maar vanaf de jaren tachtig is het naar een hoger plan getild door het systeem van slanke productie (lean production), dat in Japan is ontwikkeld.

In dat systeem, waarvan de toepassing door Toyota het bekendst is, worden onderdelen ‘just in time’ voor de productie geleverd, waardoor inventaris- kosten worden geëlimineerd. Verder wordt door samenwerking met de toeleveranciers de kwaliteit van de geleverde onderdelen verhoogd (de zogenoemde ‘zero defect-beweging’), waardoor de noodzaak van correcties en aanpassingen aan het eind van de productielijn waar fordistische fabrieken altijd mee te kampen hadden gehad, enorm afneemt. Er worden ook machines gebruikt die een snelle omschakeling tussen verschillende modellen mogelijk maken (bijvoorbeeld een snelle wisseling van kleur) waarmee een grotere verscheidenheid van producten kan worden aangeboden dan met het fordistische systeem.

Nog een verschil met het fordistische systeem is dat de arbeiders in het Toyota-systeem niet worden behandeld als vervangbare onderdelen. Bij Toyota beheersen de werknemers meerdere vaardigheden en krijgen ze ruimte voor initiatief en medezeggenschap in het productieproces en kunnen ze voorstellen voor kleine technische verbeteringen doen. Verbeteringen die op deze manier tot stand komen hebben een doorslaggevende rol gespeeld in de Japanse technologische superioriteit in industrietakken waarin kwaliteit vooropstaat.

Productieve vermogens die het bedrijfsniveau overstijgen zijn ook belangrijk

Ook al zijn ze nog zo belangrijk, verbeterde technologieën en organisatorische vaardigheden op bedrijfsniveau zijn niet de enige factoren die het productieve vermogen van een economie bepalen.

Het productieve vermogen van een economie wordt ook bepaald door het vermogen van actoren buiten het bedrijfsleven – zoals de overheid, universiteiten, onderzoeksinstellingen en opleidingsinstituten – om de productie te faciliteren en de productiviteit te verhogen. Dat doen ze door productieve inputs te leveren: infrastructuur (bijvoorbeeld wegen, een glasvezelnetwerk), nieuwe technologische ideeën en geschoolde werknemers.

Het productieve vermogen van een economie als geheel wordt ook bepaald door de effectiviteit van economische instituties. Instituties zoals bedrijfseigendom en financiële transacties zijn bepalend voor de stimulans om langetermijninvesteringen te doen in productiviteitsverhogende machines, opleiding van werknemers en r&d. Andere belangrijke instituties die de bereidheid van economische actoren stimuleren om risico’s te nemen en veranderingen te aanvaarden, zijn het faillissementsrecht en de verzorgingsstaat, zoals we in hoofdstuk 3 hebben gezien. Ook instituties die sociaal productieve samenwerking aanmoedigen spelen een rol: bijvoorbeeld brancheverenigingen die gezamenlijke exportmarketing bevorderen of onderzoeksinstituten van de overheid die r&d ter beschikking stellen aan kleine boeren of bedrijfjes.

Ook relevant zijn instituties die van invloed zijn op de effectiviteit van de dialoog tussen verschillende economische actoren: overheid, bedrijfsleven, vakbonden, maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor armoedebestrijding of consumentenbelangen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen. Voorbeelden hiervan zijn de formele en informele kanalen die een dialoog tussen overheid en bedrijfsleven mogelijk maken, consultatie van maatschappelijke organisaties door de overheid, onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden, en samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteiten.

Je perspectief raakt vertekend als je niet controleert of groeicijfers algemeen of per hoofd zijn

Als je met groeicijfers te maken krijgt, moet je altijd nagaan of je met algemene cijfers van doen hebt of met de groei per hoofd. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar als je dat nalaat, kan je kijk op de wereld er behoorlijk door worden vertekend.

Als je de groeicijfers van een enkele economie over een relatief korte periode wilt bijhouden, zeg enkele kwartalen of een paar jaar, is het misschien niet van doorslaggevend belang of je het algemene groeicijfer of het groeicijfer per hoofd gebruikt. Maar als je verschillende economieën over een relatief lange periode met elkaar vergelijkt, is het belangrijk dat je naar de groeicijfers per hoofd kijkt. Tussen 2000 en 2010 groeide het bbp van de VS met 1,6 procent en dat van Duitsland met 1,0 procent. Op basis van die cijfers zou je denken dat de VS het in die periode veel beter deden. Maar in diezelfde periode groeide de bevolking van de VS met 0,9 procent, en die daalde van Duitsland met -0,1 procent. Dat betekent dat Duitsland het in termen van groei per hoofd beter heeft gedaan: 1,1 procent tegen 0,7 procent in de VS.

Waarom een groei van 6 procent een ‘wonder’ is

In theorie is er geen bovengrens aan de groei van een economie. In de praktijk is het echter niet gemakkelijk om welke groei dan ook te realiseren.

In hoofdstuk 3 hebben we gezien dat de jaarlijkse groei van de productie per hoofd tot het eind van de achttiende eeuw in de hele wereld dicht bij de 0 procent lag. Tijdens de industriële revolutie steeg dat cijfer tot om en nabij de 1 procent per jaar, en in de ‘gouden eeuw van het kapitalisme’ zelfs tot 3 tot 4 procent per jaar. De Oost-Aziatische economieën hebben in dertig tot veertig jaar tijd een ‘miraculeuze’ groeispurt doorgemaakt van 8 tot 10 procent per jaar.

De vuistregel is dat een groei van de output per hoofd van meer dan 3 procent goed is en dat alles wat boven de 6 procent uitkomt miraculeus is. En cijfers die over een langere periode (zeg tien jaar) ruim boven de 10 procent uitkomen zijn alleen mogelijk door de vondst van natuurlijke bodemschatten, zoals in het hiervoor besproken geval van Equatoriaal-Guinea, of door wederopbouw na een oorlog, zoals de afgelopen vijftien jaar in Bosnië en Herzegovina.

De kracht van samengestelde cijfers

De groeicijfers die wij hanteren zijn samengestelde cijfers (of exponentiële cijfers), wat betekent dat de verhoogde output van elk jaar (of kwartaal of andere tijdseenheid) aan de bestaande output wordt toegevoegd. Als een economie van 100 miljard dollar tien jaar lang groeit met een gemiddeld tempo van 10 procent per jaar, betekent dat níét dat de output met 10 miljard per jaar toeneemt en dat de omvang van de economie na tien jaar is gegroeid tot 200 miljard dollar. Na één jaar van 10 procent groeit de economie tot 110 miljard, maar de groei in het tweede jaar wordt berekend over die 110 miljard, wat neerkomt op een resultaat van 121 miljard in plaats van 120 miljard. Als je op dezelfde manier verder rekent, is de omvang van de economie aan het eind van de tien jaar 259 miljard, en niet 200 miljard.

Het gebruik van samengestelde groeicijfers betekent dat wat een relatief klein verschil in groei kan lijken, tot een groot verschil kan leiden als het over een voldoende lange tijd wordt volgehouden. Als het ene land met 3 procent per jaar groeit en het andere maakt in één jaar een groei door van 6 procent, levert dat geen dramatisch verschil op. Maar als dat verschil veertig jaar lang gehandhaafd blijft, is de sneller groeiende economie 10,3 keer zo rijk geworden, terwijl het inkomen van de langzamer groeiende economie slechts 3,3 keer zo groot is geworden. Voordat ze het in de gaten hebben leven de inwoners van deze twee landen in totaal verschillende werelden met een totaal ander niveau van comfort en ontplooiingsmogelijkheden.

Het is handig om een vuistregel te hebben waarmee je op basis van huidige groeicijfers een projectie voor de toekomst kunt maken. Als je het groeicijfer van een land kent en je wilt weten hoelang het duurt voor de omvang van de economie is verdubbeld, deel je zeventig (70) door dat groeicijfer. In een land met een groei van 1 procent per jaar duurt het dus zeventig jaar voordat de output is verdubbeld. In een land dat met 6 procent per jaar groeit, duurt het tussen de elf en twaalf jaar voordat de omvang van de economie is verdubbeld.

In tegenstelling tot economische groei kan economische ontwikkeling niet met één indicator worden gemeten

In hoofdstuk 6 hebben we gezien dat zelfs het outputcijfer niet volkomen objectief hoeft te zijn. Maar omdat we nu eenmaal over productiestatistieken beschikken, kunnen we het groeicijfer eenvoudig berekenen. Economische ontwikkeling daarentegen, gedefinieerd als toename van het productieve vermogen, valt onmogelijk in één cijfer uit te drukken.

Er zijn veel verschillende indexen van productief vermogen (met verschillende namen) die door internationale organisaties worden gepubliceerd, waaronder de UNIDO, de OESO, de Wereldbank en het World Economic Forum. Deze indexen bestaan uit tientallen verschillende indicatoren waarvan men denkt dat ze een graadmeter zijn van een of meer aspecten van het productieve vermogen van een land. Meestal worden indicatoren opgenomen die iets zeggen over de productiestructuur (bijvoorbeeld het aandeel van hightechindustrieën in de totale productie), de infrastructuur (bijvoorbeeld het aantal breedbandverbindingen per hoofd), de deskundigheid (zoals het percentage werknemers met een universitaire opleiding) en innovatieactiviteiten (onder andere uitgaven aan r&d als aandeel in het bbp, of het aantal patenten per hoofd van de bevolking).

Omdat deze indexen uit zulke uiteenlopende elementen zijn opgebouwd, zijn ze echter moeilijk te interpreteren. Als je geen econoom bent, heb je daarom meer aan eenvoudiger indicatoren die makkelijker te interpreteren zijn. Ik bespreek er hier twee.

Het aandeel van investeringen in het bbp is de belangrijkste indicator voor de ontwikkeling van een land

Om te kunnen worden benut, moeten de meeste technologieën eerst worden omgezet in vast kapitaal, namelijk machines en bouwwerken (zoals gebouwen en spoorwegen). Dus zonder hoge investeringen in vast kapitaal, wat met een technische term bruto vaste kapitaalvorming (bvkv) wordt genoemd, kan een economie haar productieve potentieel niet sterk ontwikkelen. De investeringsratio (bvkv/bbp) is daarom een goede indicator van het ontwikkelingspotentieel. De positieve relatie tussen de investeringsratio van een land en de economische groei is zelfs een van de weinige relaties in de economie die niet ter discussie staan.  

Voor de wereld als geheel ligt de investeringsratio rond de 20-22 procent. Maar er is een enorme variatie tussen de landen onderling. In China staat de investeringsratio de laatste jaren op een recordhoogte van 45 procent. Aan de andere kant van het spectrum staan landen als de Centraal-Afrikaanse Republiek en de Democratische Republiek Congo, die in sommige jaren een investeringsratio van slechts 2 procent te zien geven, maar meestal zo rond de 10 procent weten te realiseren.

Er is geen enkele economie die gedurende een bepaalde periode een ‘miraculeuze’ groei heeft weten te realiseren (van 6 procent of meer per jaar per hoofd) zonder op zijn minst 25 procent van het bbp te investeren. Op het hoogtepunt van hun groei investeren die landen minstens 30 procent van het bbp. Eind jaren zestig en begin jaren zeventig steeg de investeringsratio in Japan tot boven de 35 procent. Tijdens de miraculeuze groeiperiode die China sinds de jaren tachtig heeft gerealiseerd, is de investeringsratio 30 procent en hoger geweest, en kwam die het afgelopen decennium zelfs boven de 40 procent uit.

Dit wil niet zeggen dat een hogere investeringsratio per se goed is. Investeren betekent per definitie dat je een deel van de huidige consumptie, en dus van de levensstandaard, opoffert in de hoop op een hogere consumptie in de toekomst. Er bestaat dus ook zoiets als te hoge investeringen, maar hoeveel te veel is, is afhankelijk van hoeveel waarde je hecht aan je toekomstige inkomen vergeleken bij je huidige inkomen (dit staat bekend als de tijdvoorkeur). Dat neemt niet weg dat de investeringsratio – en de ontwikkeling ervan in de loop der tijd – de beste enkelvoudige indicator is voor het productieve vermogen van een land en dus van zijn economie.

Het R&D-cijfer is een goede indicator voor de rijkere landen

Een andere eenvoudige maar nuttige indicator voor de economische ontwikkeling van een land, vooral voor landen met een hoger inkomen, zijn de uitgaven aan r&d als percentage van het bbp, en hoe dat percentage zich in de loop der tijd ontwikkelt.

Rijke landen geven een veel groter deel van hun bbp uit aan r&d dan arme landen. De oeso-landen besteden gemiddeld 2,3 procent, waarbij sommige landen meer dan 3 procent van hun bbp aan r&d uitgeven. Finland en Zuid-Korea voeren de lijst aan. Deze twee landen hebben de r&d/bbp-ratio de laatste decennia flink verhoogd en hebben een indrukwekkende vooruitgang geboekt in de hightechindustrie.

De meeste ontwikkelingslanden geven vrijwel niets uit aan r&d. In Indonesië is de ratio 0,1 procent, in Colombia 0,2 procent en in Kenia 0,5 procent. Die van China stond in 2009 op 1,5 procent, maar maakt sindsdien een snelle stijging door, wat aangeeft dat het land in rap tempo bezig is zijn vermogen op te bouwen om nieuwe technologieën te genereren.

Industrialisatie en de-industrialisatie

In theorie kunnen we ons economisch ontwikkelen door onze productieve vermogens in om het even welke economische sector te verbeteren, met inbegrip van landbouw en dienstverlening. In de praktijk wordt economische ontwikkeling in het overgrote deel van de gevallen bereikt door industrialisatie, of preciezer gezegd: de ontwikkeling van de industriële productie. Albert Einstein had zonder meer gelijk toen hij zei: ‘In theorie zijn theorie en praktijk gelijk. In de praktijk zijn ze dat niet.’

Mechanisatie en chemische processen vergemakkelijken de productiviteitsverhoging in de industrie

Het verhogen van de productiviteit in de productiesector is veel makkelijker dan in andere economische sectoren zoals de landbouw en de dienstverlening. Productieactiviteiten zijn veel minder gebonden aan de natuur en lenen zich veel makkelijker voor mechanisatie en chemische bewerking of verwerking.

Landbouwproductiviteit is sterk afhankelijk van de natuurlijke omgeving zoals de hoeveelheid grond, het klimaat en de bodemgesteldheid. Ze is ook uitgesproken tijdgebonden. Er zijn ingenieuze technieken uitgevonden om deze natuurlijke beperkingen te overwinnen, zoals irrigatie, veredeling en zelfs gentechnologie, maar die hebben allemaal hun grenzen. Niemand is er nog in geslaagd in zes minuten tarwe te kweken in plaats van in zes maanden, wat eigenlijk had moeten gebeuren als de productiviteit bij het verbouwen van tarwe gelijke tred had gehouden met de productiviteit in de speldenindustrie van de afgelopen tweeënhalve eeuw.

Veel activiteiten in de dienstverlening lenen zich juist door de aard ervan niet voor productiviteitsverhoging. In sommige gevallen zou een verhoging van de productiviteit het product zelfs onherroepelijk vernietigen: een strijkkwartet kan zijn productiviteit niet verdrievoudigen door een stuk van zevenentwintig minuten in negen minuten af te raffelen. Voor andere diensten leidt de ogenschijnlijk hogere productiviteit tot een achteruitgang van de kwaliteit van het product. Een groot deel van de productiviteitsverhoging in de detailhandel in landen als de VS en Groot-Brittannië was alleen maar mogelijk door verlaging van de kwaliteit van de dienstverlening zelf: minder winkelpersoneel, langere ritten naar de supermarkt, langer wachten op leveringen en noem maar op. De wereldwijde financiële crisis van 2008 heeft aan het licht gebracht dat de recente productiviteitsverhoging in de financiële sector voor een groot deel werd bereikt door de inferieure producten te leveren– dat wil zeggen door het creëren van uiterst complexe, riskantere en zelfs frauduleuze derivaten.

Het ‘onderwijscentrum’ van de economie

De industrie is het ‘onderwijscentrum’ geweest van het kapitalisme. Door kapitaalgoederen te leveren (bijvoorbeeld machines en transportmiddelen), heeft de industrie het hogere productievermogen naar andere sectoren van de economie overgebracht, of het nu gaat om productieactiviteiten die consumentengoederen vervaardigen (zoals wasmachines en ontbijtgranen) of om landbouwproducten of dienstverlening.

Veel organisatorische innovaties uit de industrie zijn overgenomen door andere sectoren, vooral door de dienstensector, en hebben daar de productiviteit verhoogd. Fastfoodrestaurants als McDonald’s gebruiken ‘fabricagetechnieken’ om de voedselbereiding tot lopendebandwerk te transformeren. Sommige leveren het eten zelfs af op een lopende band, zoals in kaiten-zushi-restaurants. Grote detailhandelketens – supermarkten, kledingzaken of internetwinkels – passen technieken voor voorraadbeheer toe die oorspronkelijk in de industrie zijn ontwikkeld.

In sommige landen is zelfs de productiviteit in de agrarische sector toegenomen, zoals in Nederland (de op twee na grootste exporteur van agrarische producten ter wereld, na de vs en Frankrijk), door de toepassing van in de fabriek ontwikkelde organisatorische kennis, zoals computergestuurd voederen.

De opkomst van de postindustriële samenleving?

Het is sinds enige tijd in de mode om te beweren dat de industrie er niet meer zo toe doet, omdat het tijdperk van de postindustriële samenleving is aangebroken.

In de begindagen van de industrialisatie gingen veel mensen ervan uit dat de industriële sector zou blijven groeien. En lange tijd zag het daar ook naar uit. Het aandeel van de industriële productie in zowel output als in werkgelegenheid vertoonde in de meeste landen een vrijwel constante groei. Vanaf de jaren zestig viel in sommige landen echter een de-industrialisatie waar te nemen: een krimp in het aandeel van de industriële productie en een daarmee gepaard gaande stijging van het aandeel van de dienstverlening in zowel output als werkgelegenheid. Die tendens heeft de bespiegelingen over een postindustriële samenleving in gang gezet. Veel economen betogen dat we met ons stijgende inkomen relatief meer diensten vragen – zoals uit eten gaan en vakanties in het buitenland – dan industriële producten. De relatieve daling in de vraag naar die producten leidt tot een krimp van de industrie, die wordt weerspiegeld in een lager aandeel in de output en de werkgelegenheid.

Deze zienswijze kreeg in de jaren negentig een opleving met de uitvinding van internet en de veronderstelde opkomst van de ‘kenniseconomie’. Velen beweerden dat het vermogen om kennis te produceren in plaats van dingen nu doorslaggevend was en dat hoogwaardige op kennis gebaseerde diensten, zoals financiële dienstverlening en managementadvisering, de voornaamste sectoren zouden worden in de rijke landen waar zich de-industrialisatie voordeed. De industriële productie – de industrie van de tastbare producten – werd beschouwd als een tweederangsactiviteit die naar lagelonenlanden zoals China kon worden verplaatst.

Meer recent hebben ook ontwikkelingslanden zich in de discussie over de postindustriële economie gemengd. Zij zijn gaan geloven dat ze met de opkomst van de postindustriële economie de industrialisatiefase kunnen overslaan en rijk kunnen worden door dienstverlening. Ze kijken naar India, waarvan men zegt dat het door de succesvolle export van diensten als softwareontwikkeling, accountancy en het interpreteren van medische scans ‘het kantoor van de wereld’ is geworden, vergeleken bij China, dat de ‘werkplaats van de wereld’ is geworden (een titel die aanvankelijk aan Groot-Brittannië was toegekend na de industriële revolutie).

De-industrialisatie wil niet zeggen dat we minder industriële producten maken

Hoewel veel mensen, onder wie belangrijke beleidsmakers, van het idee van de postindustriële samenleving zijn gecharmeerd, is het buitengewoon misleidend. De meeste rijke landen zijn inderdaad ‘postindustrieel’ of ‘gede-industrialiseerd’ in termen van werkgelegenheid: een afnemend deel van de beroepsbevolking in die landen werkt in fabrieken en een toenemend deel in winkels en kantoren. In de meeste van die landen, maar niet overal, ging dit gepaard met een afname van het aandeel van de industrie in de output.

Maar dat hoeft nog niet te betekenen dat die landen in absolute termen minder industriële goederen produceren. Een groot deel van die ogenschijnlijke daling is toe te schrijven aan de prijsdaling van industriële producten vergeleken bij de prijs van diensten. En dat is weer te danken aan de snellere productiviteitsverhoging in de industrie. Ga maar na dat computers en mobieltjes goedkoper zijn geworden (bij gelijkblijvende kwaliteit) vergeleken bij de prijs van de kapper of een avondje uit eten. Wanneer dit relatieve prijseffect wordt meegewogen en het aandeel van de verschillende sectoren opnieuw wordt berekend met constante prijzen (dat wil zeggen: toepassing van de prijzen van het basisjaar op de hoeveelheden die in de daaropvolgende jaren worden geproduceerd) in plaats van met lopende prijzen (actuele prijzen), is het aandeel van de industrie in de meeste rijke landen niet veel gedaald. In een aantal landen is dat zelfs gestegen, zoals ik zal laten zien.

De-industrialisatie kan deels worden toegeschreven aan ‘optische illusie’

De omvang van de de-industrialisatie wordt ook overdreven door de ‘optische illusie’ die ontstaat door de manier waarop de statistieken worden samengesteld. Veel diensten die vroeger binnen de industriële bedrijven zelf werden geleverd (bijvoorbeeld kantinebeheer, beveiliging, ontwerp- en constructieactiviteiten) worden nu uitbesteed, dat wil zeggen geleverd door onafhankelijke bedrijven (in het binnen- of buitenland; in het laatste geval wordt het ook wel offshoring genoemd). Daarmee wordt de indruk gewekt dat de dienstensector belangrijker is geworden dan feitelijk het geval is. Die uitbestede diensten zijn nog steeds dezelfde activiteiten. Maar nu worden ze in plaats van als output van de industrie meegeteld als output van de dienstensector.

Bovendien hebben bedrijven in de industrie die het aandeel van hun productie zagen teruglopen verzocht om een herclassificatie als dienstverlenend bedrijf, hoewel ze nog wel degelijk dingen produceren. Volgens een schatting van een Brits overheidsrapport is tot wel 10 procent van de teruggang in werkgelegenheid in de productiesector tussen 1998 en 2006 toe te schrijven aan dit ‘herclassificatie-effect’.

Dingen maken is nog steeds van belang

De opvatting dat de wereld thans het nieuwe tijdperk van de ‘kenniseconomie’ betreden heeft waarin het maken van dingen niet veel waarde oplevert, is gebaseerd op een fundamentele misinterpretatie van de geschiedenis. We hebben altijd al in een kenniseconomie geleefd. Het is altijd al te danken geweest aan het hoge kennisniveau, en niet aan de fysieke aard van de dingen die ze produceerden (of dat nu tastbare spullen zijn of immateriële diensten) dat de geïndustrialiseerde landen zo veel rijker zijn geworden. Dat wordt geïllustreerd door de wolindustrie, die tot de achttiende eeuw als een van de hightechsectoren gold, maar nu tot de laagtechnologische sectoren behoort. In dit opzicht kunnen we ons de fraaie uitspraak van een Franse minister van Industrie in herinnering roepen: ‘Er bestaan geen verouderde sectoren; er bestaan alleen verouderde technologieën.’

De laatste jaren hebben bepaalde dienstensectoren zoals financiële dienstverlening en transport een hoge productiviteitsgroei doorgemaakt die veel mensen hebben verleid tot de uitspraak dat landen economische ontwikkeling kunnen genereren op basis van dergelijke diensten. Net als Groot-Brittannië heeft gedaan, kunnen ze hoogwaardige diensten exporteren en de inkomsten daarvan gebruiken om de benodigde industriële producten uit het buitenland te importeren. Die strategie kan misschien een tijdlang worden volgehouden. In het decennium voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 is Groot-Brittannië er ondanks een snelle de-industrialisatie inderdaad in geslaagd een redelijke mate van groei te realiseren dankzij de bloeiende financiële sector. Maar de crisis van 2008 heeft ons nog eens goed ingepeperd dat het vertrouwen in dienstverlening als de nieuwe groeimotor van de economie voor een groot deel op een illusie was gebaseerd.

Bovendien zijn veel van die hoogwaardige diensten, zoals engineering, ontwerpen en managementadvies, gericht op de industrie, en zijn industriële bedrijven de voornaamste afnemers ervan. Een verzwakking van de industrie leidt dus uiteindelijk tot een afnemende kwaliteit van die diensten, waardoor ze minder makkelijk te exporteren zijn.

De agrarische sector is nog steeds verrassend belangrijk

Tot het eind van de negentiende eeuw was de agrarische sector in vrijwel alle landen de steunpilaar van de economie. Zelfs in wat tegenwoordig de rijke landen zijn, werkte tot een paar generaties geleden nog bijna driekwart van de beroepsbevolking in de landbouw. In 1870 werkte 72 procent van de Zweedse beroepsbevolking in de landbouw. In Japan bedroeg dat cijfer 73 procent in 1885.

Omdat de agrarische sector een lagere productiviteit heeft dan de industriële of de dienstensector heeft hij zelden meer dan de helft van de output voor zijn rekening genomen, ook niet toen de meeste mensen daarin werkzaam waren. In 1870 bedroeg het aandeel van de agrarische sector in de Deense output 50 procent en in die van Zweden 47 procent. In Zuid-Korea was dat zelfs in 1953 nog 47 procent.

Wat output en werkgelegenheid betreft speelt de agrarische sector in de rijke landen tegenwoordig een zeer kleine rol. Slechts 1-2 procent van hun bbp wordt in de landbouw geproduceerd, terwijl slechts 2-3 procent van de mensen daarin werkzaam is. Dat is mogelijk geworden doordat de agrarische productiviteit in die landen de afgelopen eeuw een enorme groei heeft doorgemaakt. Het feit dat de vs, Frankrijk en Nederland – en niet de grote opkomende economieën van ontwikkelingslanden als India en Indonesië – de drie grootste exporteurs van landbouwproducten ter wereld zijn, getuigt wel van de hoge agrarische productiviteit in de rijke landen.

In veel arme ontwikkelingslanden speelt de landbouw nog een heel belangrijke rol. In de allerarmste landen wordt meer dan de helft van de output nog steeds door de agrarische sector geproduceerd. En zelfs in de rijkere ontwikkelingslanden neemt de landbouw nog tussen de 20 en 40 procent van de output voor zijn rekening.

Als het om werkgelegenheid gaat, is de agrarische sector zelfs nog veel belangrijker. In de armste landen werkt 80 tot 90 procent van de mensen in de landbouw. Voorbeelden zijn Burundi (92 procent), Burkina Faso (85 procent) en Ethiopië (79 procent). En ondanks de indrukwekkende industrialisatie van China in de afgelopen drie decennia, is nog steeds 37 procent van de mensen daar werkzaam in de agrarische sector.  

In de rijke landen is de industriële productie minder belangrijk dan vroeger...

Op het hoogtepunt (tussen 1950 en 1970, afhankelijk van het land) werkte bijna 40 procent van de beroepsbevolking van de toen geïndustrialiseerde West-Europese landen en de VS in de industrie. Dat cijfer kwam uit op bijna 50 procent voor de industrie in zijn geheel.

Op dit moment werkt in de rijke landen slechts 15 procent van de beroepsbevolking in de productiesector. Uitzonderingen zijn landen als Taiwan, Slovenië en Duitsland, waar nog 20 procent of meer in de productiesector werkzaam is. In sommige landen, zoals Groot-Brittannië, Nederland, de VS en Canada, bedraagt dat cijfer slechts 9 tot 10 procent.

De krimpende werkgelegenheid in de productiesector ging samen met een daling van het aandeel in de output. In sommige landen, zoals Oostenrijk, Finland en Japan, schommelde het aandeel van de productiesector in het bbp tot de jaren zeventig rond de 25 procent. Tegenwoordig bedraagt het in geen van de rijkste landen meer dan 20 procent.

...maar ze is nog steeds veel belangrijker dan wordt gedacht

Ik heb hierboven uitgelegd dat de schijnbare terugval van het aandeel van de productiesector in het bbp met name veroorzaakt is door de snellere groei van de productiviteit in de industriële productie, waardoor industriële producten relatief goedkoper zijn geworden dan andere dingen (diensten en landbouwproducten). Dat betekent dat het aandeel van de productiesector enorm kan fluctueren, afhankelijk van hoe het wordt berekend: met constante prijzen (de prijzen aan het begin van de periode die we bekijken) of met lopende prijzen.

De afgelopen twintig jaar is in sommige rijke landen als Duitsland, Italië en Frankrijk de krimp in het aandeel van de productiesector in het bbp tamelijk groot geweest, berekend tegen lopende prijzen (20 procent in Duitsland, 30 procent in Italië en 40 procent in Frankrijk), maar veel minder groot als we uitgaan van constante prijzen (minder dan 10 procent in alle drie). In een aantal rijke landen is het aandeel van de productiesector zelfs gestegen als we uitgaan van constante prijzen: in de vs en Zwitserland is het aandeel de afgelopen decennia 5 procent gestegen; in Finland en Zweden is het in die periode zelfs met 50 procent gestegen.  

Een belangrijke uitzondering hierop is Groot-Brittannië, waar het aandeel van de productiesector de afgelopen decennia spectaculair is gedaald, zelfs als je constante prijzen hanteert.14 Dat wijst erop dat de de-industrialisatie in Groot-Brittannië grotendeels moet worden toegeschreven aan de absolute krimp van de productiesector door verlies van concurrentiekracht, en niet aan het relatieve prijseffect dat wordt veroorzaakt door de snellere productiviteitsstijging in de productiesector.

Vroegtijdige de-industrialisatie in ontwikkelingslanden

De afgelopen dertig jaar hebben veel ontwikkelingslanden een ‘vroegtijdige’ de-industrialisatie doorgemaakt. Daarmee bedoel ik dat het aandeel van de productie (en de industrie als geheel) in de output en de werkgelegenheid in een veel vroeger stadium van economische ontwikkeling begon te krimpen dan in de rijke landen.

In Latijns-Amerika steeg het aandeel van de productie in het bbp van 25 procent halverwege de jaren zestig tot 27 procent aan het eind van de jaren tachtig, maar is het sindsdien spectaculair gedaald. Nu bedraagt het nog slechts 17 procent. In Brazilië, de industriële motor van het continent, verliep de de-industrialisatie zelfs nog dramatischer. Daar is het aandeel van de productie in het bbp zelfs gedaald van 34 procent halverwege de jaren tachtig tot 15 procent ten tijde van het schrijven van dit boek. In Afrika bezuiden de Sahara daalde het aandeel van 17-18 procent in de jaren zeventig en een groot deel van de jaren tachtig, tot 12 procent in de eenentwintigste eeuw.

Deze vroegtijdige de-industrialisatie is grotendeels het gevolg van het neoliberale economische beleid dat sinds de jaren tachtig in die landen is geïmplementeerd (zie hoofdstuk 3). De plotselinge liberalisering van de handel heeft flink huisgehouden in de industriële sector van die landen. Dankzij de financiële liberalisering konden de banken hun leningen verleggen naar de (lucratievere) consument, en de industrie links laten liggen. Beleidsmaatregelen om inflatie tegen te gaan, zoals hoge rentetarieven en overwaardering van valuta, hebben de misère van de industrie nog vergroot door leningen duur te maken en de export te bemoeilijken.

Succes gebaseerd op de dienstensector?: Zwitserland, Singapore en India

In de discussie over de postindustriële economie worden Zwitserland en Singapore vaak aangehaald als voorbeelden van landen die zeer succesvol zijn geworden met hun dienstverlening. Hebben die twee landen niet laten zien, zo wordt gezegd, dat je buitengewoon rijk kunt worden van financiële dienstverlening, toerisme en handel?

In feite laten deze twee landen precies het tegenovergestelde zien. Volgens de gegevens van de United Nations Industrial Development Organization (UNIDO) uit 2002, had Zwitserland de hoogste mva ter wereld (mva: manufacturing value added, de industriële toegevoegde waarde per hoofd, een maatstaf voor de mate van industrialisering van een land), 24 procent meer dan die van Japan. In 2005 stond het land op de tweede plaats, na Japan. Singapore stond dat jaar op de derde plaats. In 2010 stond Singapore eerste, met een mva per hoofd die 48 procent hoger was dan die van de vs. Zwitserland stond toen derde, na Japan. In dat jaar produceerde Zwitserland 30 procent meer mva dan de VS.

De bewering dat India heeft laten zien dat landen de industrialisatiefase kunnen overslaan en welvaart kunnen creëren met dienstverlening is schromelijk overdreven. Vóór 2004 had India een handelstekort in de dienstensector (het importeerde meer diensten dan het exporteerde). Tussen 2004 en 2011 realiseerde het een handelsoverschot (het tegenovergestelde van een handelstekort) in de dienstensector, maar dat bedroeg slechts 0,9 procent van het bbp en dekte slechts 17 procent van het handelstekort op goederen (5,1 procent van het bbp). Dan kun je toch nauwelijks spreken van een succesverhaal van de dienstensector.

Raakt de planeet op? Een pleidooi voor duurzame oplossingen

We moeten serieus rekening houden met milieueisen

Voordat we de wereld van de productie achter ons laten, moeten we ons serieus buigen over de grenzen die het milieu aan de economische groei stelt. Het lijdt geen twijfel dat de klimaatverandering, die voornamelijk wordt veroorzaakt door de productie en consumptie van materiële zaken, de mensheid bedreigt. Bovendien beginnen veel eindige hulpbronnen (zoals olie en mineralen) in een snel tempo op te raken. Zelfs het vermogen van de aarde om hernieuwbare hulpbronnen, zoals agrarische en bosbouwproducten, voort te brengen kan in de toekomst worden ingehaald door de toegenomen vraag ernaar. Met andere woorden, straks is de planeet op, om het zo maar te zeggen, als we geen oplossingen bedenken om het effect van onze economische activiteiten op het milieu in te dammen.

Maar betekent dat niet dat we een halt moeten toeroepen aan de economische ontwikkeling, die ik juist heb gedefinieerd als de toename van ons vermogen om te produceren? Als dat zo is, haalt dat dan niet een hoop dingen onderuit die ik tot nu toe in dit hoofdstuk heb beweerd?

Technologische ontwikkelingen kunnen de oorzaak zijn van milieuproblemen, maar ook de oplossing...

Het moet 1975 of 1976 zijn geweest, want ik was geloof ik een jaar of twaalf. Ik stuitte toevallig op het boek De grenzen aan de groei (1972) van een auteur met de merkwaardige naam ‘de Club van Rome’. Al bladerend raakte ik bijzonder gedeprimeerd, hoewel ik het niet helemaal begreep. Er stond in dat rond 1992 de olie zou opraken. Dus nog voordat ik dertig ben, bedacht ik, moet ik in een ossenwagen rondrijden en moet ik op hout stoken om het warm te krijgen. Dat leek me buitengewoon onrechtvaardig, temeer omdat mijn familie nog maar zes jaar daarvoor was verhuisd naar een woning met oliegestookte centrale verwarming.

De voorspelling van de Club van Rome bleek juist. De olie raakte ook op – dat wil zeggen, de olie die met de technologie van 1970 te winnen was. Maar we verbruiken nog steeds enorme hoeveelheden olie omdat we veel efficiënter zijn geworden in het opsporen en oppompen van olie op plaatsen die veertig jaar geleden nog niet binnen ons bereik lagen, met name in de diepzee.

De technologie maakt het niet alleen mogelijk om hulpbronnen te ontsluiten die voorheen onbereikbaar waren, maar verbreedt ook de definitie van wat hulpbronnen zijn. Golfslag, vroeger slechts een destructieve kracht die we moesten weerstaan, kon dankzij technologische ontwikkelingen uitgroeien tot een belangrijke energiebron. Coltan was tot de jaren tachtig een zeldzaam mineraal van relatief weinig waarde. Nu is het een van de meest waardevolle mineralen ter wereld, zelfs in die mate dat wordt gezegd dat rebellengroepen in de Democratische Republiek Congo hun oorlog financieren met slavenarbeid in de coltanmijnen. Tantalum, een van de componenten van coltan, is een onmisbare grondstof bij de fabricage van onderdelen voor mobiele telefoons en andere elektronica.

Iets minder spectaculair is dat technologische ontwikkelingen ons in staat stellen hernieuwbare hulpbronnen efficiënter te produceren. Zoals ik eerder in dit hoofdstuk heb opgemerkt is de afgelopen eeuw het vermogen van de mensheid om voedsel en andere grondstoffen (bijvoorbeeld katoen) te produceren enorm toegenomen door mechanisatie, het gebruik van chemicaliën, veredeling en gentechnologie. Ook gebruiken we de bestaande energiebronnen efficiënter. Auto- en vliegtuigmotoren en elektrische centrales gebruiken tegenwoordig minder olie en brandstof om dezelfde hoeveelheid energie te produceren. We recyclen ook een steeds groter deel van ons materiaal.

...maar technologische oplossingen hebben hun grenzen

Hoe snel de technologie zich ook ontwikkelt, er is toch een absolute grens aan de beschikbaarheid van eindige hulpbronnen, met inbegrip van die natuurlijke substanties die nog als hulpbron moeten worden ontdekt.

In de nabije toekomst zullen de belangrijkste hulpbronnen niet direct opraken. Maar de beperkte beschikbaarheid ervan kan ze wel onbetaalbaar maken voor armere mensen, waardoor hun welzijn of zelfs hun bestaan wordt bedreigd. Arme mensen hebben al te lijden van het feit dat water steeds duurder wordt: ze drinken noodgedwongen smerig water waar ze ziek van worden en omdat ze nauwelijks toegang hebben tot water, valt hun oogst tegen. Hogere voedselprijzen leiden op hun beurt weer tot honger en ondervoeding. Duurdere brandstof veroorzaakt ’s winters extra sterfte onder arme bejaarden, zelfs in de rijke landen. Net als in de wereld van de sciencefictionroman The Diamond Age (in het Nederlands vertaald als De alchemist) van Neal Stephenson, moeten armen zich misschien wel tevredenstellen met ondeugdelijke synthetische substituten die met nanotechnologie zijn gemaakt en niet van natuurlijke materialen. Maar de veel urgentere uitdaging waarvoor wij ons gesteld zien, is die van klimaatverandering, waarvan de gevolgen nu al merkbaar zijn en binnen een of twee generaties zeer ernstig, zo niet catastrofaal zullen worden. Om die reden is het hoogst onwaarschijnlijk en logisch gezien zelfs onmogelijk dat de mensheid erin slaagt op tijd een puur technologische oplossing voor de klimaatverandering te bedenken zonder dat we onze leefwijze ingrijpend hoeven te veranderen.

Ontwikkelingslanden hebben nog steeds méér economische ontwikkeling nodig om hun levensstandaard te verhogen en zich beter aan te kunnen passen aan de klimaatverandering

Dit alles betekent niet dat we de economische ontwikkeling een halt moeten toeroepen, en dat geldt zeker niet voor de ontwikkelingslanden. Om te beginnen hebben ontwikkelingslanden meer productie nodig – dat wil zeggen, meer economische groei –, vooropgesteld dat die niet volledig wordt toegeëigend door een kleine minderheid. Een hoger inkomen betekent in deze landen niet de aankoop van een tweede tv, maar minder slopend werk onder minder gevaarlijke omstandigheden, je kinderen niet als baby zien sterven, een langer leven, minder vaak ziek zijn, enzovoort. Dergelijke veranderingen hebben een blijvender effect als ze het gevolg zijn van economische ontwikkeling (door een verhoging van het productieve vermogen) en niet alleen van groei, maar zelfs groei veroorzaakt door de vondst van rijke natuurlijke hulpbronnen zou voor deze landen al waardevol zijn.

Ontwikkelingslanden zullen hun productieve vermogens ook moeten verhogen om de gevolgen van de klimaatverandering te kunnen opvangen (klimaatadaptatie is de technische term). Vanwege hun klimaat, ligging en geografie krijgen de ontwikkelingslanden het met de opwarming van de aarde het zwaarst te verduren, hoewel ze slechts in geringe mate verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken ervan. Toch zijn dit precies de landen die het minst zijn toegerust om de gevolgen daarvan op te vangen. Om de gevolgen van de klimaatverandering te kunnen opvangen moeten de ontwikkelingslanden over betere technologieën en organisatorische vermogens kunnen beschikken, en dat kan alleen maar door middel van economische ontwikkeling.

De argumenten die pleiten voor meer economische groei en ontwikkeling in de minst ontwikkelde landen zijn overweldigend, omdat inkomensgroei tot een zeker niveau (laten we zeggen tot dat van het hedendaagse China) op z’n hoogst een marginaal verschil voor de klimaatverandering zou uitmaken, zoals is betoogd in het voorstel van Greenhouse Development Rights, een concept dat door twee denktanks is ontwikkeld: Eco-Equity en het Stockholm Environmental Institute.

Rijke landen moeten hun economieën blijven ontwikkelen, maar moeten hun prioriteiten op gebied van productie en consumptie radicaal wijzigen

Aangezien ze al het leeuwendeel van de hulpbronnen van de wereld consumeren en ze veel minder behoefte hebben om de consumptie te verhogen, zullen de rijke landen hun consumptie moeten verlagen als we de gevolgen van de klimaatverandering willen inperken. Maar een lagere consumptie op macroniveau hoeft niet ten koste van het menselijk welzijn te gaan. In landen met een zeer ongelijke inkomensverdeling, zoals de vs, Groot-Brittannië en Portugal, betekent minder ongelijkheid meer consumptie voor meer mensen. Ook in landen met een relatief gelijke inkomensverdeling kan het welzijn toenemen zonder stijging van de consumptie, maar door anders te consumeren in plaats van meer. Een stijging in de consumptie van collectieve diensten, in het bijzonder het openbaar vervoer en vrijetijdsvoorzieningen, kan het algemeen welzijn verhogen doordat er minder hulpbronnen worden verspild aan gefragmenteerde individualistische consumptie: de tijd die je verspilt door in je eigen auto in de file te zitten of kleine privé-bibliotheken (populair in landen als Zuid-Korea) die allemaal dezelfde diensten leveren.

Naast vermindering van de hoeveelheid consumptie kan ook de belasting voor het milieu worden teruggedrongen. Er moeten strengere regels voor energiegebruik van gebouwen, auto’s en elektrische apparaten worden opgelegd. De bouw van winkelcentra buiten de stad en nieuwbouwprojecten in voorsteden zou ontmoedigd moeten worden, en er zou meer geïnvesteerd moeten worden in openbaar vervoer, zodat mensen minder snel de auto pakken. Er is ook een cultuuromslag nodig voordat mensen meer gaan genieten van kwaliteitscontact met familie en vrienden dan van spullen kopen. Er moet worden nagedacht over de continuering of zelfs uitbreiding van kerncentrales buiten gebieden die gevoelig zijn voor aardbevingen (zoals Japan, delen van de VS en Chili) als overgangsmaatregel voordat we volledig kunnen overschakelen op duurzame energiebronnen.

Maar dit alles betekent niet dat de rijke landen hun economische ontwikkeling moeten stopzetten, althans in de zin zoals ik economische ontwikkeling in dit hoofdstuk heb gedefinieerd. Ze kunnen hun productieve vermogens wel degelijk opvoeren, alleen moeten ze die niet gebruiken om de materiële consumptie nog verder te laten toenemen, maar om met minder arbeidstijd dezelfde hoeveelheid of zelfs meer te produceren dan daarvoor. Ze kunnen hun productieve vermogens bijvoorbeeld aanwenden om de klimaatverandering en andere milieuproblemen te bestrijden door technologieën te ontwikkelen voor duurzame energieopwekking, een efficiëntere, maar milieuvriendelijke landbouw en goedkopere ontziltingsinstallaties. Die technologieën zouden zij dan tegen betaalbare prijzen aan ontwikkelingslanden kunnen overdragen.

Slotopmerkingen: waarom we meer aandacht aan de productie moeten schenken

De productie is ernstig veronachtzaamd door de mainstream van de heersende neoklassieke economische school. Voor de meeste economen houdt de economie bij wijze van spreken op bij de fabriekspoort of, wat steeds vaker het geval is, bij de ingang van een kantoorcomplex. Het productieproces wordt gezien als een voorspelbaar proces, vooraf bepaald door een ‘productiefunctie’, waarin precies is vastgelegd welke hoeveelheden kapitaal en arbeid moeten worden gecombineerd om een bepaald product te produceren.

Voor zover er belangstelling is voor de productie, richt die zich op het meest algemene niveau: dat van de groei van de economie. De beroemdste uitspraak in dit verband, afkomstig uit het debat over de Amerikaanse concurrentiekracht in de jaren tachtig, is dat het niet uitmaakt of een land nu aardappel- chips of microchips produceert. Men beseft veel te weinig dat verschillend. 

© 2014 Nieuw Amsterdam. Overname van deze tekst enkel na toestemming van de uitgever.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.