Thatcher aan de Schelde: de socioloog wint het van de politica
walterlotens

Thatcher aan de Schelde: de socioloog wint het van de politica

Socioloog Jan Vranken schreef een veelbesproken analyse van het sociale beleid van het vorige Antwerpse gemeentebestuur (2006-2012) onder burgemeester Patrick Janssens neer in 'Thatcher aan de Schelde'.

dinsdag 3 juni 2014 09:03

DeWereldMorgen.be

Jan
Vranken kennen we vooral van zijn Jaarrapporten over Armoede en Sociale Uitsluiting. Die thema’s zijn de rode draad in de academische carrière van deze
sinds 2009 gepensioneerde socioloog. Vanuit die achtergrond heeft hij ook de
vorige Antwerpse bestuurscoalitie geanalyseerd. Zijn conclusie? Thatcher is
dood, maar haar ideeën beginnen aan de Schelde een nieuw leven te leiden. 

Neen,
het gaat niet over een persoon, maar over een visie op mens en samenleving
(inclusief de stedelijke samenleving). Niet Thatcher, maar het Thatcherisme.
Dat zegt Jan Vranken uitdrukkelijk in zijn inleiding, maar zo had N-VA-schepen
van Sociale Zaken Liesbeth Homans het niet begrepen. Zij voelde zich
aangesproken.  

Seven
Up 

Terwijl
ik het boek las, moest ik denken aan de BBC-reportages van Michael Apted. Sinds 1964 volgt hij de levens van veertien kinderen uit verschillende sociale
lagen van de bevolking en doet daar elke zeven jaar verslag van. Het thema van de documentaire was: Give me a child
until he is seven and I will give you the man.
Volgens dit motto wordt een kind al gevormd op
zijn zevende en zal later niet veel veranderd zijn.

Apted vroeg die
kinderen wat en waar ze wilden studeren en naar hun toekomstverwachtingen
en dat bleek in de volgende Seven Up
meestal ook te kloppen. Het
merkwaardige is dat die sociologische gedetermineerdheid geminimaliseerd werd
door de betrokkenen die vooral hun persoonlijke kwaliteiten naar voren schoven.
De socioloog en de psycholoog kunnen blijkbaar niet altijd door dezelfde deur.  

Ook de
confrontatie op het VRT-programma Terzake van 22 april 2014 tussen Jan Vranken
en Liesbeth Homans werd een dovemansgesprek tussen een socioloog die met een
groothoeklens naar ontwikkelingen in de maatschappij kijkt en een politica die
vooral de persoon (met zijn individuele falen en/of successen) in het vizier
wil krijgen. De politica verweet de socioloog op de vrouw gespeeld te
hebben en een ideologisch pamflet te hebben afgeleverd.  

Wie het
boek van Vranken gelezen heeft, weet dat dit klinkklare nonsens is. Vranken en
Homans vertrekken inderdaad vanuit een tegengesteld mens- en maatschappijbeeld,
maar het grote verschil is dat de socioloog naar maatschappelijke ontwikkelingen kijkt. 

Boek tegen Homans én Janssens 

“Een maatschappij die voortdurend in ontwikkeling is, doet bovendien nieuwe vormen van uitsluiting ontstaan. Die kunnen via wetenschappelijk onderzoek tijdig worden geduid. De wetenschap moet ook instrumenten beschikbaar stellen om het gevoerde beleid te beoordelen en bij te sturen.” (p. 55)  

Dat
heeft de hoogleraar ook gedaan ten aanzien van het vorige Antwerpse
stadsbestuur dat volgens hem onder leiding van sp.a-burgemeester Patrick Janssens een serieuze ommezwaai in
het sociaal beleid in gang heeft gezet. Hij verwijst daarvoor naar Voor wat
hoort wat
, het laatste boek van Janssens.  

Het
kernthema van dit boek is de constatering dat de basis van het sociale beleid
in België almaar minder begrepen wordt door de gebruikers ervan. Dat beleid is
gebaseerd op het principe van ‘voor wat, hoort wat’. Dat is voor Janssens de
inhoud van het begrip ‘wederkerigheid’ en daaraan ontbreekt het
schromelijk:  “Langzaam
maar zeker zijn we de sociale uitkeringen en voorzieningen impliciet gaan
beschouwen als een pakket vanzelfsprekende garanties waarop men een vorm van
gratuit recht heeft.” (p. 14) Sociale rechten worden verbonden aan een
rechten-en-plichtendenken: je krijgt je rechten pas als je je plichten hebt
vervuld.

Jan
Vranken is het daar niet mee eens. Het snijdt de pas af voor een
emancipatorische invulling van activering en leidt volgens hem “tot
disciplineren, om te besparen, om te laten zien dat ook in de SP.A strenge
meesters en meesteressen zitten” (p. 28). Vranken heeft vanuit zijn onderzoek kritiek op beide besturen: “Aan het huidige
bestuur wordt, terecht, verweten dat zijn beleid wordt verblind door
ideologische vooringenomenheid. Het vorige had, daarentegen, een tekort aan
ideologische inspiratie en een teveel aan management, wat meestal de bestaande
machtsverhoudingen in stand houdt.” (p. 31). 

Beleidsbijziendheid 

Thatcher
aan de Schelde
is niet het zoveelste jaarboek over armoede geworden maar een
helder gesteld, goed leesbaar verhaal van een auteur die, gewapend met
empirische gegevens, veel ervaring en een goede pen, schrijft over armoede en
andere vormen van sociale uitsluiting, het sociaal beleid, het OCMW, de
arbeidsmarkt, de verdeel-en-heersstrategie, de angst voor het middenveld, de
angst voor ‘allochtonen’, senioren en jongeren, en het gezondheidsaspect.   

Om het geheel leesbaar te houden springt Vranken
zuinig om met cijfermateriaal. Toch is het goed om te weten dat in de
Scheldestad 20,8 procent van de totale bevolking in financiële armoede leeft
tegenover 12,7 procent in heel Vlaanderen. En dat ongeveer 59 procent van de
Antwerpenaren werk heeft en dat het voor Vlaanderen 66 procent is.  

Het werkloosheidspercentage in Antwerpen – de helft
ervan is van allochtone origine – bedraagt het dubbele van dat in Vlaanderen:
13,3 tegenover 6,5 procent in Vlaanderen. Het is met die gegevens in het achterhoofd dat Vranken naar het
sociaal beleid kijkt. Hij focust, zoals Homans, niet op individuele gevallen (blaming the victim) want dan ontstaat wat hij beleidsbijziendheid noemt.

Zindelijk denken

Thatcher aan de Schelde kan worden
gelezen als een oefening in sociologisch zindelijk denken. Ondanks de
niet-wetenschappelijke pretenties hecht Vranken zeer veel belang aan een heldere
begripsomschrijving. Dat is, naast de inbreng van empirische gegevens, een van
de meest waardevolle bijdragen van dit boek. Dat is heel wat anders dan de
ideologische cafépraat op stadhuisniveau van Homansen en co.  

Zo verduidelijkt hij dat er twee soorten
sociaal beleid zijn: een institutioneel en een residueel. Het institutioneel
sociaal beleid is ingebouwd in het beleid van de samenleving – de
welvaartsstaat is de uitdrukking van zo’n institutioneel model – terwijl
‘residueel’ staat voor het opruimen van de ravage die de vrije markt aanricht.
Al vanaf 1992 signaleert Vranken in de jaarboeken de trend om het sociale
beleid in een residuele richting te duwen. 

Heel wat taken die voorheen vanzelfsprekend
tot de opdracht van de stedelijke diensten behoorden, worden nu overgeleverd
aan commerciële bedrijven. Als recent voorbeeld vermeldt hij het afschaffen van
zee- en bosklassen die vervangen worden door vouchers waarmee scholen
uitstappen kunnen organiseren via privébedrijven. 

Vranken benadrukt dat hij
niet over ‘armen’ wenst te spreken, wat suggereert dat het om een
persoonlijkheidskenmerk zou gaan, maar over ‘mensen in armoede’. Dat is een
structurele benadering om aan te geven dat het om mensen gaat die gevangen
zitten in een netwerk van sociale uitsluitingen en dat het om een kloof gaat die
ze niet op eigen kracht kunnen overbruggen.  

Zo vermeldt hij kinderpsychiater Peter
Adriaenssens die aangeeft dat het hersenpatroon bij kinderen die weinig
positieve stimulansen ervaren tijdens hun eerste levensjaar, dramatisch
afwijken van dat van het gemiddelde kind. Adriaenssens’ conclusie is duidelijk: “Niet handelen tegen armoede is een vorm van institutionele
kindermishandeling.” Vranken voegt eraan toe: “Elk direct armoedebeleid is tot
mislukken gedoemd, wanneer het indirecte armoedebeleid wordt verwaarloosd.” (p.61)  

Takken rapen in het park

Ook over het zogenaamde activeringsbeleid is
Vranken niet te spreken. Volgens hem vallen twee op de drie personen die in
armoede leven niet te activeren en bovendien “activeren waartoe?”, vraagt hij
zich af, als je weet dat er einde 2013 in Antwerpen 4.000 vacatures openstaan
voor bijna 50.000 mensen die werk
zoeken. “Een verhouding van 1 op 12, je zou van minder moedeloos worden.” (p.
111)  

Vranken vermeldt ook de “stedelijke
arbeidsmarktparadox”: de aangeboden jobs zijn doorgaans voor hooggeschoolde
werknemers. Naar ongeschoolde of lagergeschoolde arbeid is er veel minder vraag, terwijl juist deze
arbeidsbevolking in de stad rijkelijk voorhanden is.  

Verplichte reactivering door het leveren van
tegenprestaties, zoals in Nederland, kan volgens Vranken geen soelaas
brengen. “Gelukkig is het, ook in Antwerpen, nog niet zo vergekomen dat takken
rapen in een park of schoenen poetsen (zoals in Amsterdam) aan de orde zijn, maar
– zoals de uitspraken van Homans doen vermoeden – wordt er toch in die richting
gedacht.” (p.109)

Middenveld

Zoals Luc Huyse in zijn boek
De democratie voorbij, pleit Vranken voor een sterk maatschappelijk
middenveld. In een thatcheriaanse benadering – ook aanwezig bij de jonge
Verhofstadt – zijn er maar twee niveaus in de samenleving: de overheid en de
individuele burger. Daartussen gaapt er een zwart gat.

Waar het middenveld verdwijnt, staat de democratie onder druk. Dat is nu juist wat in Antwerpen gebeurt:
middenveldorganisaties krijgen minder in plaats van meer steun. Vranken geeft hiervan
een lange lijst van voorbeelden. Organisaties uit het middenveld kunnen mensen “in de rafelrand” de intensieve begeleiding geven die ze in de stad nodig
hebben om in de stad te kunnen functioneren.

Hij noemt in dat verband het niet
langer subsidiëren van straathoekwerkers een regelrechte schande. Zij vormden
immers de enige overblijvende leeflijn met de samenleving voor mensen die op
geen enkele solidariteit of zelfs gewoon maar op medeleven kunnen rekenen
vanwege de modale burger. 

Stadssocioloog 

Jan Vranken schrijft niet alleen over
armoede en sociale uitsluiting. Hij is ook een stadssocioloog die positief naar het maatschappelijke potentieel van de stad en van stadsontwikkeling
kijkt. Steden zijn niet uitsluitend verzamelplaatsen van problemen zoals
verloedering, onveiligheid en criminaliteit.

De stad kan ook bekeken worden als een
laboratorium voor individuele en collectieve vormen van dynamiek en
creativiteit op vlak van wetenschap en technologie, van nieuwe vormen van
samenleven en van tolerantie en wederzijds respect. In de lijn van Eric Corijn,
Jan Blommaert, Benjamin Barber, Rem Koolhaas en Leo Hollis en anderen ziet hij
steden als het belangrijkste platform voor democratie, culturele dialoog en
diversiteit.  

“Nieuwe vormen van structurele solidariteit
en cohesie moeten worden ontwikkeld, voorbij de uitersten van buurtfeesten en van controlerende en
sanctionerende initiatieven zoals bewakingscamera’s en GAS-boetes.” (p. 141) In
de Scheldestad is de leerlinge van Thatcher met een zwaar Antwerps accent
ijverig bezig met alleen maar het laatste te doen.  

Als je daar dan nog de uitschuiver van Jan
Jambon bijrekent (“werklozen die na drie jaar geen baan vinden moeten eerst hun
spaarcenten aanspreken of hun huis verkopen voor ze aanspraak kunnen maken op
een leefloon”), dan zitten we heel dicht bij het gedachtegoed van de Iron
lady
in Londen.

Net als Luc Huyse is Jan Vranken dan wel gepensioneerd, maar nog steeds zeer actief. Zij doen wat je van verantwoordelijke
intellectuelen mag verwachten: het maatschappelijk debat verrijken met hun
sociologische inzichten. Na lectuur van Thatcher aan de Schelde is
het voor mij duidelijk: de socioloog wint het van de politica met een
straatlengte. Het is alleen jammer dat die intellectuele voorsprong zich
vooralsnog niet vertaalt in het stemgedrag van de burger.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!