Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

|VERKIEZINGSINTERVIEW| Staren naar een rolwagen

Najoie Larabi is een jonge vrouw en bediende bij een vzw. Ze rijdt in een rolstoel door Brussel en botst daar op de vreemdste obstakels.
dinsdag 22 april 2014

In de aanloop naar de verkiezingen van 25 mei draaien we bij DeWereldMorgen.be de rollen om. We passen voor de grote interviews met politici en leggen ons oor te luister bij de burgers van dit land. Waar liggen zij van wakker? Wat zijn hun zorgen en wensen? Wat verwachten zij van de politici die meedingen naar een zitje in één van de parlementen? Daarna is het de beurt aan de politici om te reageren op deze reeks portretten van bijzondere mensen.

Ik zie haar soms voorbijsnorren in de Dansaertstraat of de Anspachlaan. Met grote stuurmanskunst laveert ze haar elektrische rolwagen door het verkeer. Gezwind wipt ze de stoep af en weer op. Twee benen en twee handen die niet helemaal mee willen, houden Najoie niet tegen.

Een tijd geleden reed ze op dezelfde manier door New York. “Brussel en New York. Dat is water en vuur. Alles is daar aangepast aan mensen met een handicap. In vergelijking met New York leven we in Brussel nog altijd in de middeleeuwen. De metro's daar bijvoorbeeld. Je krijgt meteen een wegwijzer te zien die je toont waar een lift is. En die lift werkt.”

“De mensen doen daar ook gewoon. Ze kijken niet vreemd op als ze iemand in een rolwagen ontmoeten. Hier zetten mensen grote ogen op als ze mij zien. 'Wat? Ga jij helemaal alleen de straat op?' Ja, ik doe alleen boodschappen, ik ga naar de post, naar de mutualiteiten. Dat is niet zo bijzonder en dat zou het ook in de ogen van andere mensen niet mogen zijn. Na al die jaren ben ik zelf doof en blind voor die reacties, maar ga eens met mij op stap en je zal zien hoe we nagestaard worden en hoe vreemd sommige mensen reageren.”

Ruimtetuig

“Ik ben onlangs getrouwd en mijn man had het in het begin zeer moeilijk met die starende blikken. Wat een verschil met New York. Een buschauffeur zag daar dat ik stond te wachten en er verscheen meteen een glimlach op zijn gezicht van zijn ene oor naar zijn andere. Hij stopte en deed de deur open, maar ik wist echt niet hoe ik op die bus moest geraken. Plots schoof automatisch een platform uit de treden en kon ik vlot naar binnen rijden. Ik dacht dat ik een ruimtetuig zag. De buschauffeur maakte me vast en vroeg me waar ik wou afstappen en al die tijd bleef hij glimlachen. Ik zal eerlijk zijn: in Brussel zijn er misschien vier chauffeurs op tien die mij zien staan.”

“Ik woon in Nederoverheembeek, in een wijk die misschien nog geen vier jaar geleden gebouwd werd. Er zijn daar appartementen die speciaal ontworpen werden voor personen met een handicap. Maar de bus die er naartoe rijdt kan ik niet nemen omdat de nieuwe troittors niet de juiste hoogte hebben. Dat in de oude wijken van Molenbeek niet alles bereikbaar is, kan ik begrijpen. Maar een gloednieuwe wijk naast het militair hospitaal? Ca me tue.”

“Dat zou toch iets van het verleden moeten zijn? Het kan niet dat ik daar nog altijd over moeten zeuren. Toch niet in 2014. Pas op, ik trek mijn plan. Ik leef mijn leven, maar ik denk aan de andere mensen die zich laten afschrikken door die hindernissen en die zich dan maar opsluiten.”

“Kom je in Brussel-Centraal aan, dan vuren ze meteen vragen op je af: heb je wel gereserveerd? Gebeurde dat op de juiste manier? Mijn antwoord is altijd nee. Ik ben een onafhankelijke vrouw en wil reizen wanneer ik wil.”

Sleutel

“Brussel denkt meer aan de esthetiek dan aan de ethiek. Het moet er mooi uitzien. Of het makkelijk bereikbaar is, is niet belangrijk. Een voorbeeld. De Zara in de Nieuwstraat heeft drie grote treden voor de ingang. Dat is mooi, de winkel ziet eruit als een kasteel, maar ik geraak er niet in. Ik moet langs achter naar binnen. Als de verantwoordelijke er is en als hij de juiste sleutel bij heeft, kan ik binnen. Als ik winkel lijk ik nog altijd op die tiener van twintig jaar geleden: 'Mama, mama, gaan we hier binnen'. Ik ben nu dertig en ik moet het nog altijd vragen.”

“In veel winkels geraak ik ook niet binnen omdat de deuren te smal zijn. Dat kan je toch makkelijk oplossen? Voer een regel in die zegt dat deuren van winkels minstens één meter breed moeten zijn.”

“Het zijn kleine hindernissen, maar dat maakt het zo vermoeiend. Ik begrijp dat jij dat niet eens beseft. Ik speel vaak met de gedachte om eens wat vrienden mee te nemen. We huren enkele rolwagens en we gaan op stap. Daarna kunnen we eens babbelen over onze ervaringen. Ik ben niet boos op de mensen die niet beseffen hoe weinig toegankelijk Brussel is. Dat is hun fout niet.”

“Theaters, bioscopen, nog zo iets. De UGC op het Brouckèreplein. Van de twaalf zalen zijn er vier die bereikbaar zijn. Bereikbaar tussen aanhalingstekens. In één zaal geraak ik zonder hulp en krijg ik een mooie plaats. In twee andere zalen moet ik wat aan de kant zitten. In een vierde zaal: gooi je op de grond en kruip naar je zitplaats. Is dat normaal?”

Overwinning

“Ik zie mezelf niet als Najoie in de rolstoel. Jij denkt toch ook niet de hele dag aan de schoenen rond je voeten? Je trekt 's ochtends je schoenen aan en je gaat op stap. Zo gaat dat ook bij mij. Ik weiger immobiel te zijn. Ik doe er wat langer over, maar ik geraak er wel. Op mijn manier.”

“Ik vertrek altijd een uur te vroeg. Omdat de lift kapot is. Omdat de metro niet toegankelijk is. Maar dat houdt me niet tegen. Veel mensen laten zich wel tegenhouden. Niet omdat de moed hun ontbreekt. Ik heb het geluk gehad dat ik ouders heb die me altijd aangemoedigd hebben. Naar New York reizen was een overwinning. Mijn ouders hebben er meteen in geloofd.”

“Toiletten nog zoiets. Binnengeraken in een café en iets drinken. Fantastisch maar o wee als je naar het toilet moet. Ik heb ontdekt dat hotels personen in een rolwagen toegang geven tot hun toiletten. Nu weet ik in het centrum een paar hotels die vlot bereikbaar zijn en daardoor kan ik zonder zorgen op café. Zie je, wij moeten altijd alles berekenen. Daar iets gaan eten? Oké, maar waar is dan het dichtstbijzijnde toilet en hoe geraak ik daar snel?”

“Openbare plaatsen moeten gewoon verplicht aangepast zijn. Scholen bijvoorbeeld. Stel dat ik ooit kinderen heb. Veel kans dat ik nooit binnengeraak in hun school.”

Oudercontact

“Mijn grote broer en kleine zus zijn doof. Ik spreek doventaal. Wat een moed hebben mijn ouders gehad. Mijn leraars waren ooit eens zeer verbaasd toen mijn dove broer mij vergezelde op een oudercontact. Ik kan zijn oren en mond zijn en hij is mijn benen en armen, zei ik hun. Ik zat nochtans op een gespecialiseerde school. Maar ook daar reageerden ze nog verbaasd op de komst van een persoon met een handicap.”

“Ja, ik had wel op een normale school willen zitten. Maar fysiek was ik er heel slecht aan toe in mijn kindertijd. Op mijn negende dag hier op aarde had ik al zeven operaties achter de rug. Een goede gezondheid was prioriteit voor mijn ouders. Onderwijs was bijkomstig. Ik had altijd enkele jaren achterstand op mijn leeftijdsgenoten. In mijn eerste school beschouwden ze me als mentaal gehandicapt. Mijn ouders begrepen dat niet. Zij hadden door dat ik enkel gestimuleerd moest worden. Mijn moeder heeft doorgezet en mij tegen alle advies in naar een andere school gestuurd. In één jaar heb ik twee jaar achterstand opgehaald.”

“Als ik terugkijk, ben ik fier. Ik heb toch iets bereikt in mijn leven. Ik had universiteit willen doen, maar de leraars hebben mij daar niet op voorbereid. Nota's nemen bijvoorbeeld. Dat hebben ze ons niet geleerd. Dat zijn kleine dingen die het mogelijk gemaakt zouden hebben om hogere studies te doen. Op school geloven ze niet in ons. Ze staan niet voor de klas alsof ik of mijn klasgenootjes op een dag minister of astronaut kunnen worden. Daar heb ik spijt van.”

Panne

“Een ouder van een intelligent kind met een motorische handicap moet vechten om dat kind in een goede school te krijgen. Dat zou vanzelfsprekend moeten zijn.”

En een woning? Najoie begint luid te lachen. “Ik heb mijn eerste appartement net verkocht. Met mijn ouders leefden we in een appartement met verschillende verdiepingen. Toen ik klein was, droegen mijn broers mij de trap op. Toen ik volwassen werd, nam ik samen met mijn broer een appartement op de vierde verdieping. Geen probleem want er is een lift. Maar wat als de lift in panne valt? Of als het brand? Wat doe ik dan?”

“Op de huurmarkt is het nog moeilijker. Zelfs appartementen op de benedenverdieping hebben tredes. Waarom staat dat er in immo-advertenties niet gewoon bij? Toegankelijk of niet toegankelijk. In de cultuuragenda zou dat ook gewoon vermeld moeten worden. Als ik een leuk concert of toneelstuk aangekondigd zie, moet ik altijd eerst bellen. Geraak ik binnen of niet? Vaak krijg ik dan ook nog de verkeerde uitleg, zodat ik de gewoonte gekregen heb om eerst op verkenning te gaan voor ik een ticket koop.”

“Espace Magh in Brussel is bijvoorbeeld perfect toegankelijk. Maak daar reclame mee, zeg ik altijd aan de uitbaters. We zijn in 2014! En toch moeten we nog wakker worden.”

“Ik huur nu een aangepast appartement op de benedenverdieping. Toevallig gevonden. Heel weinig mensen weten dat ze bestaan. Maar wacht, een aangepast appartement zoals ik zei, maar om de tuin te betreden, moet je ... voorbij een trap. No comment. Ja, daar hadden we bij het ontwerp niet aan gedacht, zeiden ze. Alsof men een autogarage op de tweede verdieping zou installeren.”

Uitstappen

“Ik zag op tv dat enkele ministers de metro getest hebben in een rolstoel. Weet je waar ze die test georganiseerd hebben? In de Louizalaan! Natuurlijk is daar een mooie lift en is het trottoir perfect hoog genoeg. Kom eens mee naar Graaf van Vlaanderen in Molenbeek. Mort de rire. Er is een lift maar die gaat enkel van de verdieping waar de metro's rijden naar de verdieping daar vlak boven. Wil je nog twee verdiepingen hoger naar de uitgang? Onmogelijk. Geloof je het niet? Ga kijken. Wat is het nut van een lift die tot halverwege gaat? Mijn ouders wonen daar in de buurt, maar ik kan er niet uitstappen. Als ik van A naar B wil, moet altijd langs een C.”

(stiller) “Ik zit daar nu mee te lachen, maar soms wordt het mij ook wel eens te veel en zit ik thuis te huilen. Maar 's anderendaags ben ik weer op stap. Il faut. Anders kan je mij meteen begraven.”

“Waar ik nu werk, heb ik ooit mijn stage gedaan en er later ook nog meegespeeld in een toneelstuk. Men kende mijn mogelijkheden. Het gebouw werd aan mij aangepast. Daardoor kunnen ze nu ook mensen met een handicap ontvangen. Ik hoor erbij en daar hou ik van. Het heeft wel een jaar geduurd voor de gemeente de toestemming gaf om een permanente oprijheuvel te installeren.”

Heb je er nooit aan gedacht om dat allemaal aan te klagen? “Ik heb geen zin om een militant van die zaak te worden. Als ik iemand wat raad kan geven, zal ik het doen. Maar mijn leven lang roepen en op tafel slaan, dat wil ik niet. Ik ben misschien een voorbeeld voor sommigen, maar ik wil geen model zijn. Ik heb mijn temperament trouwens te danken aan mijn handicap.”

Grens

“Ik weet niet of ik geluk heb gehad bij het zoeken van een woning of van een job. Ik steek het op mijn temperament. Mijn hele leven lang heb ik grenzen overwonnen. Trouwen was voor mij ooit ondenkbaar. Ik ben vorige week getrouwd met de man waar ik al twee jaar een relatie mee heb. Naar New York gaan, een onmogelijke droom. Ik heb hem gerealiseerd. Alleen wonen, kan niet. Ik doe het. Telkens ik over een grens geraak, leg ik de lat wat hoger.”

“Toen ik tiener was, heb ik vaak gehuild omdat ik nooit kinderen zou kunnen hebben. Ik kon een baby niet eens een pamper aandoen. Tot mijn schoonzus ooit eens haar baby bij mij liet. Als zij bij zijn oma was, ging zij altijd wild tekeer en moest ze hem met beide handen vastgrijpen. Bij mij lag hij roerloos. Alsof iemand het hem ingefluisterd had. Ik en de baby, daar zaten we allebei te huilen.”

“Ik moet altijd mijn grenzen kunnen verleggen. Toen ik in mijn nieuwe appartement ging wonen, heb ik beslist voor mezelf eten klaar te maken. Tot dan dacht ik dat ik het nooit zou kunnen. Het begon met een roerei. Daarna heb ik een tiramisu gemaakt. Mijn broer lepelde de hele pot uit als een bezetene en zei dan: 'Spijtig dat hij wat te lopend is'. Ik kwam niet meer bij van het lachen. Nu maak ik pasta's.”

“Ik wil ooit skiën. Zwemmen met dolfijnen. Diepzeeduiken. Niet in een zwembad, hé, maar tussen de vissen. Paardrijden. Het kan allemaal. Ik moet het alleen nog realiseren.”

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.