Progressieve poppenkast
Robrecht Vanderbeeken

Progressieve poppenkast

In verkiezingstijd zou je van minder euforisch worden: plots trekken opvallend veel politici ten strijde tegen ‘ongelijkheid’ en voor ‘vrijheid’, springen ze op de barricaden voor milieu en mensenrechten.

maandag 21 april 2014 16:03

DeWereldMorgen.be

Zelfs N-VA beweert nu stellig de enige echte ‘sociale’ partij te zijn. Groter dan het spagaat tussen wat nu wordt gezegd en na de verkiezingen zal worden gedaan, is die tussen de gebruikte woorden uit de verkiezingspropaganda en wat ermee wordt bedoeld.

Het
electoraal misbruik van progressieve waarden is helaas een oud verschijnsel. De
beste verdedigingsstrategie tegen een authentieke progressieve oppositie is nu
eenmaal die van de camouflage of het trompe-l’oeil: doen alsof je progressief
bent om zo een gematigd of zelfs reactionair programma aan de man te brengen.

Het
is daarom niet overbodig om een analyse over postprogressiviteit van de
Nederlandse socioloog Merijn Oudenampsen nog eens onder de aandacht te brengen.

Postprogressief

Oudenampsen
hanteert de term ‘postprogressief’ om er op te wijzen dat conservatisme van
oudsher een stroming is die het intellectuele gedachtegoed van de tegenstander
plundert om de eigen slagkracht te versterken. Tevens schept de militante toon
van conservatieven verwarring: de retoriek van strijd en vijandelijkheid, de
utopische vergezichten, het lijkt allemaal weinig te maken te hebben met de
gezapigheid die we gewend zijn onder ‘conservatisme’ te verstaan.

In
zijn artikel De revolte van nieuwrechts.
Neoconservatisme en postprogressieve politiek
[1] legt Oudenampsen uit waar het over gaat aan de hand
van het voorbeeld van Pim Fortuyn. Bij een conservatief partijprogramma denken
we normaal aan een pleidooi voor de terugkeer naar de religieuze
moraal en de zeden van de dominante blanke klasse. Neocons in de VS contesteren zelfs antiracisme, secularisme,
milieubescherming en ontwikkelingshulp.

Hiermee vergeleken lijken heel wat andere
reactionaire politici heel gematigd, zelfs progressief. Pim Fortuyn werd
populair door handig op deze ambiguïteit in te spelen: hij ijverde immers niet
voor een terugkeer naar de tijd van de dominee, toch het was mooi tijd om eens
‘orde op zaken’ te stellen.

De postprogressieve
truc die politici als Fortuyn toepassen, bestaat er dus uit slechts enkele
progressieve waarden te recupereren die intussen reeds als verworven worden
beschouwd, zelfs eigen aan de volksaard. Alleen deze algemeen geaccepteerde
waarden, zoals abortus of het homohuwelijk, worden geaffirmeerd om vervolgens
des te effectiever een verdere emancipatie te kunnen afblokken met een conservatieve
tegenbeweging.

De ingeburgerde waarden worden daarbij tevens ontdaan van hun
universalistisch karakter: ze worden niet omarmd omdat ze als
verlichtingsidealen intrinsiek waardevol zijn, maar wel omdat ze doorheen de
geschiedenis een deel van ‘onze cultuur’ en dus een deel van de nationale
traditie uitmaken.

Van Nederland naar Vlaanderen

Deze
postprogressieve maskerade is nodig omdat in een land als Nederland, waar een
breed publiek van zichzelf de menig is toegedaan ruimdenkend te zijn, een
partijprogramma dat de klok meteen ver wil terugdraaien simpelweg geen
meerderheid achter zich krijgt.

Merk op dat in Nederland een figuur als Fortuyn
de extremist Geert Wilders vooraf ging en de weg vrijmaakte voor zijn ‘politiek-incorrect’
denken. Vlaanderen legde de omgekeerde weg af: eerst ondergingen we de
extreemrechtse shocktherapie van Vlaams Blok, waarmee vergeleken het
radicalisme van N-VA gematigd, fatsoenlijk en welopgevoed lijkt.

Een
postprogressief kan overigens een soepel en dynamisch denker zijn, die weet te
improviseren op een thema en zich rijkelijk bedient van het
gelegenheidsargument. In een recent interview (9 april, Knack) ontdekken we bijvoorbeeld
hoe Bart De Wever zoal postprogressieve retoriek hanteert: “ik ben een absolute anti-Marxist. Niet de economische onderbouw
bepaalt de geschiedenis, maar wat wij er van maken, hoe wij er naar kijken.”

Iedereen die ooit een introductie op Marx las, weet dat hij als grondlegger van
het socialisme en het communisme de maakbaarheid van de samenleving als
uitgangspunt nam. Het historisch materialisme waar De Wever naar verwijst, onderzoekt
bijgevolg in hoeverre de mogelijkheidsvoorwaarden aanwezig zijn voor een omwenteling.

De
Wever draait het op zijn kop: Marxisten zouden deterministen zijn, juist niet
in de maakbaarheid van de mens geloven. Via deze spin zijn zij de ware ‘conservatieven’. Het is opmerkelijk dat De
Wever hier wel zo de nadruk op maakbaarheid legt, want het is precies dat
maakbaarheidsdenken van mei ’68 dat door hem als de oorzaak van alle miserie
wordt aangewezen, een ontsporing die ongedaan moeten worden gemaakt.

In de
uiteenzetting van zijn ideologie in Reyers Politiek,
(VRT, 7 april) verkondigt De Wever wel een deterministisch standpunt: “Voel de historische evolutie aan, speel daar
op in, en je hebt een succesverhaal. Dat is de N-VA.”

Progressieve dekmantel

N-VA
illustreert treffend dat het conservatisme eigenlijk een filosofie van strijd
is, een reactie op emancipatiebewegingen van onderop, een verweer tegen alles
wat progressief en links is. De conservatief mobiliseert via een kritiek op het
bestaande regime dat zou falen in het handhaven van haar gezag, en gaat vervolgens
via een tunnelvisie over tot een herstelpoging van de gezagsverhoudingen. De postprogressieve dekmantel die de verrechtsing toedekt kaapt zo het
progressieve elan weg voor de eigenlijke emancipatiestrijd.

De
drijfveer van het conservatisme is niet zozeer de status quo maar de
verdediging van de ongelijkheid, zowel in de publieke als private sfeer. Want
dat is waar conservatisme in wezen voor staat. Conservatieven zijn dus niet
tegen verandering als zodanig, dat illustreert de lege betekenaar ‘verandering
voor vooruitgang’.

Dikwijls ijveren ze, zoals N-VA, juist voor een radicale, veelomvattende aanpak
om mensen weer ‘op hun plaats’ te krijgen. De redenering is dan: wanneer
ongelijkheid, als gevolg van menselijk handelen, ongedaan gemaakt kan worden
door menselijk handelen, dan kan het evengoed weer ingevoerd worden door
menselijk handelen. Om dat te doen, is wel heel wat postprogressieve woordendraaierij
nodig.

De-universalisering

Kortom,
de ‘postprogressief’ culturaliseert
maatschappelijke problemen, ontdoet ze zo van hun ware sociaal-economische
dimensie en maakt vervolgens van confederalisme versus separatisme de inzet van
de verkiezingen. Terwijl de eigenlijke macht al lang bij de EU ligt. Zo zit de
inzet van verkiezingen niet alleen vast onder een glazen stolp.

Tevens worden
progressieve waarden van de emancipatiebewegingen die ze hebben verdedigd losgekoppeld
en voorgesteld als een product van een afgerond proces, als de wezenskenmerken
van onze superieure westerse cultuur. Die moeten gekoesterd worden en beschermd
tegen bedreigingen van buitenaf, in de eerste plaats tegen de achterlijk
voorgestelde islam.

Heel
wat sociaaldemocraten en liberalen komen hierdoor met conservatieven op gelijke
postprogressieve voet te staan. Ze zorgen er samen voor dat progressieve
verworvenheden hun universeel karakter verliezen, dat juist kenmerkend is voor
het Verlichtingsdenken waaruit ze voortkwamen.

Zo geraken deze waarden hun
samenhang kwijt met de aanhoudende emanciperende strijd op weg naar steeds meer
gelijkheid en vrijheid. Erger nog, nadat ze als trofeeën in de prijzenkast van
onze culturele eigenheid zijn geplaatst, wat dat ook mag zijn, worden ze een
hinderpaal voor de verdere emancipatie.


[1]
Merijn Oudenampsen
(2013), ‘De revolte van nieuwrechts. Neoconservatisme en postprogressieve politiek’,
in: Krisis, 2013, Issue 1, pp. 72-87,
www.krisis.eu

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!