Economie, Samenleving -

De nuance in Hayek: tussen vrijheid en overheid

Maandag verscheen op dewereldmorgen.be een voorpublicatie uit het boek van Jan Blommaert en Karim Zahidi, De paradox van Hayek. Lode Cossaer reageert op de stellingen van Blommaert en Zahidi. Het werk van Hayek wordt misbegrepen door de auteurs, aldus Cossaer.

woensdag 9 april 2014 11:08

Ik beschouw mezelf als behorend
tot de brede liberale traditie zoals vormgegeven door John Locke, Adam Smith,
John Stuart Mill en modernere auteurs zoals Friedrich Hayek. Recentelijk
publiceerde Dewereldmorgen.be een hoofdstuk uit het nieuwe boek van Jan Blommaert
en Karim Zahidi, De paradox van Hayek.
Ik was al een tijdje op de hoogte van deze publicatie en keek er ook naar uit. Maar
de voorpublicatie van De paradox van Hayek op De Wereld Morgen baart me zorgen.
Ze doet het werk van Hayek oneer aan. Vandaar enkele rechtzettingen.

Wat is vrijheid?

Blommaert en Zahidi
beginnen met een kleine herhaling van het vorige hoofdstuk, waar ze (blijkbaar)
aangetoond hebben dat “Hayek een uiterst beperkte blik op vrijheid heeft. Hij
ziet vrijheid nagenoeg uitsluitend als negatieve vrijheid – de vrijheid van
beperkingen door derden – en binnen een zeer specifiek veld – de economische
activiteiten die gericht zijn op de accumulatie van private eigendommen.”

Uiteraard kan ik niet
nagaan op basis waarvan ze deze conclusie hebben gemaakt. Maar ze lijkt me
sowieso verkeerd. Het is waar dat Hayek vrijheid definieert in ‘negatieve’
termen. In The Constitution of Liberty
zegt hij bijvoorbeeld: “[vrijheid is] de situatie van mensen waarbij dwang door
anderen zo veel als mogelijk is gereduceerd”. Hij gaat verder: “het betekende
altijd de mogelijkheid waarbij een persoon handelt volgens zijn eigen
beslissingen en plannen, in tegenstelling tot een situatie waarin we
onvermijdelijk de wil van een ander moeten volgen, die door middel van
arbitraire beslissingen ons kan dwingen om wel of niet op een bepaalde manier
te handelen” En verderop verduidelijkt hij nog meer met: “Of iemand vrij is of
niet is niet afhankelijk van de hoeveelheid mogelijkheden die hij heeft, maar
of hij kan verwachten dat hij zijn eigen handelingen kan bepalen in
overeenstemming met zijn huidige intenties, of dat iemand anders de macht heeft
om de voorwaarden zodanig te manipuleren dat hij volgens de wil van iemand
anders moeten handelen, in tegenstelling tot die van zichzelf.”

Als we dan ook kijken
naar het tegengestelde van vrijheid, coercion (dwang), dan schrijft
Hayek: “Met ‘dwang’ bedoelen we een controle over de omgeving of omstandigheden
van een persoon door iemand anders dat, om groter kwaad te vermijden, hij
gedwongen is om niet te handelen volgens een coherent plan van zichzelf, maar
om de doelen van een ander te dienen. (…) Dwang is slecht precies omdat het
een individu elimineert als een denkend en waarderend persoon en hem reduceert
tot een middel in het bereiken van de doelen van een ander.”

Meer dan economische vrijheid

Blommaert en Zahidi
hebben gelijk wanneer ze stellen dat Hayek vrijheid in negatieve termen
definieert. Net zoals‘vrede’ de afwezigheid is van geweld en conflict, en stilte
de afwezigheid van lawaai, zo is vrijheid de afwezigheid van dwang. Om de lezer
te choqueren, zouden we kunnen opmerken dat Hayek zelf zei dat het perfect
mogelijk is om volledig vrij te zijn, maar nog steeds te sterven van de honger.
Uiteraard merkt hij wel op dat dit heel onwenselijk is.

Wie het derde deel van The
Constitution of Liberty
leest zal een auteur vinden die uitgebreide
overheidsinterventie (maar misschien niet zo uitgebreid als Blommaert en Zahidi
wenselijk vinden) mogelijk en compatibel acht met zijn vrijheidsideaal om te
voorkomen dat mensen in absolute armoede leven. Met andere woorden: Hayek
definieert vrijheid ‘negatief’, maar laat wel degelijk ruimte voor uitgebreide
overheidsinterventies om ‘positieve’ idealen na te streven.

Ik vraag me dan ook af
van waar Blommaert en Zahidi het idee halen dat Hayek vrijheid reduceert tot
economische vrijheid. Het is waar dat Hayek als econoom heel veel schreef over
economisch beleid en daardoor iets meer belang hechte aan ‘economische’
vrijheid verdedigde dan vandaag de dag gangbaar is, maar nergens lijkt hij te
zeggen dat hij uitsluitend voor
economische vrijheden pleit.

Integendeel, Hayeks idee
van vrijheid is nauw verbonden met zijn begrip van het recht en wetgeving
binnen in de samenleving. Mensen moeten vrij zijn van dwang: er is nergens een
kwalificatie te vinden dat dit alleen geldt
voor ‘economische’ activiteiten. Maar misschien begrijp ik niet goed waar
Blommaert en Zahidi hier naartoe willen,  gezien het  hoofdstuk waarop ze alluderen nog niet werd
gepubliceerd.

Stabiel juridisch kader

Wat
me echter nog meer verbaasde – en objectief verkeerd is – is volgende stelling
van Blommaert en Zahidi:

“Hayeks
concept van vrijheid komt er dus op neer dat er geen beperkingen mogen opgelegd
worden aan een individu in het proces van private eigendomsverwerving. Geld
verdienen voor zichzelf verdraagt geen beperkingen en limieten.”

Indien
dit waar zou zijn, dan zou Hayek in essentie een liberale anarchist zijn die
geen enkele vorm van belastingen of reguleringen aanvaardt. Dat is uiteraard
verkeerd, zoals we kunnen lezen in zowel The
Road to Serfdom
, The Constitution of
Liberty
als in het derde deel van Law,
Legislation & Liberty
. In alle drie de boeken beschrijft Hayek welke
overheidsinterventies compatibel zijn met zijn idee van vrijheid. Om een kleine
opsomming te geven: proportionele belastingen, monetair beleid,
onderwijsbeleid, verplichte verzekeringen, dienstplicht, subsidies,
gezondheidszorg, overheidsbedrijven, leeflonen, overheidstheaters,
overheidsmusea en verplichte werkloosheidsverzekeringen zijn volgens Hayek
allemaal mogelijk in een vrije samenleving.

Voor
iemand die  zogezegd geen overheidsbeperkingen
wil opleggen, was Hayek wel voorstander van een heel pak reguleringen die
zonder belastingsheffing niet uitvoerbaar zijn. Wat wel klopt is dat Hayek geen
voorstander was van het limiteren van kapitaalaccumulatie omwille van het limiteren. Maar mensen taxeren of reguleren om de
vrijheid van anderen te vergroten was volgens hem perfect mogelijk.

Onwetendheid

Vanuit
dit vertrekpunt kan Hayeks idee van vrijheid beter worden toegelicht. Dat idee
vindt zijn oorsprong in een specifieke visie op de sociale werkelijkheid. Voor
Hayek komt een (positieve) evolutie binnen de samenleving overeen met het beter
omgaan met onwetendheid. Niemand weet alles, maar we zijn wel afhankelijk van
de kennis van anderen om vooruitgang te bereiken.[i]

Vermits
er deze fundamentele ‘onwetendheid’ is, was Hayek geen fan van uitgebreide micro-controle. Mensen moeten volgens
Hayek over een zekere vrijheid beschikken, waarbinnen ze hun creatieve
mogelijkheden en hun gelimiteerde kennis kunnen aanwenden om zichzelf te
verbeteren. Dit geldt zowel voor de ondernemer die een nieuw project opstart
als voor de werknemer die een andere baan zoekt.

Dit
is meteen ook een argument voor een markteconomie. Een markteconomie wordt door
Hayek begrepen als een sociaal-coöperatief proces waarin mensen hun eigen
kennis gebruiken om samen te werken met anderen op basis van het eigendoms- en
contractrecht. Door onze eigendom en onze arbeid te ruilen met anderen op basis
van onze eigen voorwaarden, kunnen we
ook onze eigen kennis en inschattingen gebruiken om onszelf (binnen de regels
van de samenleving) te verbeteren. Hayek beweert hier helemaal niet dat mensen
feilloos zijn, integendeel. Eerder maakt jij het punt dat vele, decentrale
processen, binnen een stabiel juridisch
kader en stabiel beleid
, beter zijn dan 1 groot plan of politiek top-down
beslissingen over uitgebreide delen van de samenleving.

Spelregels

Hayeks
idee over de vrije samenleving is perfect compatibel met de oude praktijken van
de vakbonden en de mutualiteiten om hun eigen banken, winkels en
verzekeringsmechanismen op te richten. Het gaat immers om bottom-up
initiatieven die niet vanuit de overheid komen. Hoe meer decentrale processen
die niet via het ‘politieke’ gebeuren, hoe beter. Vermits meer kennis
gecommuniceerd wordt via vrijwillige interactie. (Maar, alweer, er blijft
uitgebreid ruimte voor overheidsinitiatief volgens Hayek)

Het
is de taak van het  recht – dat deels
door de overheid gecontroleerd wordt – om erover te waken dat de ‘spelregels’
(of ‘de wetten’) van de samenleving  van
die aard zijn dat de manier waarop mensen zichzelf trachten te verbeteren, ook
een verbetering voor de samenleving inhoudt (tot op zekere hoogte). Het doel
van de overheid is om een (1) stabiel, (2) zeker, (3) niet-arbitrair en (4)
eenvoudig te kennen juridisch kader te creëren, waarbinnen mensen in vrijheid
kunnen handelen èn waarbinnen overheidsbeleid kan uitgevoerd worden dat deze
stabiliteit niet onderuit haalt.

Nu
kunnen er interessante discussies ontstaan tussen ‘liberalen’ en ‘socialisten’
(en nog andere politieke meningen) over wat
deze spelregels en wetten behoren te
zijn. Maar op die manier komen we weer bij het oude spelletje van ‘hoe goed is
de markt relatief tegenover (uitgebreide) overheidsinterventie’; een discussie
die we hier niet zullen beslechten.

De waarschuwing van Hayek

Een
overheidsbeleid dat niet-arbitrair is en dat functioneert op basis van
algemene, voorspelbare richtlijnen, kan volgens Hayek gerechtvaardigd worden.
Bijvoorbeeld: als iedereen weet dat hij moet bijdragen aan een
werkloosheidsverzekering, waarvan de niet-arbitraire regels op voorhand
duidelijk zijn, dan kan dit
gerechtvaardigd worden volgens het vrijheidsidee van Hayek. Dit betekent echter
nog niet dat dit een intelligent idee is: er kunnen, binnen de richtlijnen die
Hayek formuleerde omtrent ‘gerechtvaardigd’ overheidsbeleid natuurlijk domme en
intelligentere beleidssuggesties gedaan worden.

Maar
hoe moeten we dan Hayek zijn ‘Road to Serfdom’ begrijpen? Het is duidelijk dat
Blommaert en Zahidi verkeerd zijn wanneer ze stellen:

“Wanneer
samenlevingen dit (beperkingen of limieten opleggen aan geld verzamelen) wel
doen, dan bevinden we ons op weg naar de ondergang, de tirannie en het
lijfeigenschap.”

Wat
Hayek wél zei was dat bepaalde vormen
van beperkingen, reguleringen en overheidsbeleid potentieel de weg naar slavernij openden. Maar Hayek was geen
fatalist: politieke samenlevingen kunnen zichzelf
hervormen. De Road to Serfdom is geen
historische profetie, maar een waarschuwing.

Om
samen te vatten: een vrije samenleving is een samenleving waarin mensen op
basis van hun eigen kennis en hun eigen middelen kunnen handelen en waar de
overheid als taak heeft om (1) een stabiel juridisch kader te voorzien, (2) een
samenleving waarin overheidsbeleid mogelijk is, dat aan enkele richtlijnen
onderhevig is.

Het
is uiteraard niet mogelijk om alle nuances van Hayek samen te vatten, maar het
is allemaal net dat beetje genuanceerder dan de karikaturale versie die Zahidi
en Blommaert presenteren.

Welk mensbeeld?

Het
is mij ook niet duidelijk waarom Blommaert en Zahidi stellen dat Hayeks opvatting
over vrijheid een hard en competitief mensbeeld impliceert. Het tegendeel is
waar: voor Hayek (en, bij uitbreiding, de andere Oostenrijkse economen) is het
hele marktproces (en de samenleving) een gigantisch proces van sociale
coöperatie. Een bedrijf – of het nu een VZW is of een Naamloze Venootschap – is
een coöperatief geheel van interacties. Uiteraard speelt er wel een competitief
element: mensen concurreren met
elkaar over de voorwaarden om samen te
werken.
De samenleving is dus zowel coöperatie als concurrentie, en beide
hebben een belangrijke rol in het omgaan met het voorgenoemde kennisprobleem.

Hayek
(en andere liberalen) vertrekken niet van geïdealiseerde opvattingen. In ‘een
vrije markt’ wordt niet geconcurreerd met anderen op een ‘perfect democratische
en egalitaire wijze’, zoals Blommaert en Zahidi beweren. Dit is op geen enkel
moment een assumptie of uitgangspunt van Hayek. De vraag die Hayek zich stelt
is: welk institutioneel proces van interactie 
kan het best met de bestaande onwetendheid omgaan? Welke spelregels
kunnen er het beste voor zorgen dat de samenleving voor iedereen wenselijk
is? 

Het
antwoord, alweer, is een samenleving met een rule of law,  een samenlevind
die een stabiel beleid voert dat het marktproces ondersteunt, zonder erop te
parasiteren. Nogmaals, dit laat uitgebreide herverdelingen toe zodat mensen
meer kansen hebben om deel te nemen aan het proces van sociale interactie.

Hayeks
gehele werk gaat over spontane processen die ontstaan door sociale coöperatie
binnen regels. Zijn hele normatieve zoektocht was dan: welke regels? Wat is de trade off tussen verschillende systemen?
Hoe kunnen we overheden hebben die de samenleving beter maken?

Het
is dus niet zo dat Etienne Davignon en een langdurig werkloze per assumptie
‘een gelijke kans’ hebben. (Een gelijke kans op wat?) De vraag is: welke
samenleving kan er het beste voor zorgen dat mensen van alle lagen van de
bevolking de beste kansen hebben om hun situatie te verbeteren. Het is perfect
mogelijk om niet akkoord te gaan met bepaalde conclusies en meningen die Hayek
heeft geformuleerd, maar dit is iets anders dan zijn uitgangspunten, zijn
redeneringen en zijn conclusies systematisch fout weergeven.

Meritocratie

Tevens
verbazingwekkend is dat Blommaert en Zahidi Hayeks ideeën gelijkstellen met het
meritocratisch principe, zonder te vermelden dat Hayek een heel hoofdstuk heeft
geschreven tegen de gelijkstelling van zijn ideeën met een meritocratische
opvatting (Hoofdstuk 6 in zijn ‘The Constitution of Liberty’). Hayek was geen
voorstander van de vrije markt (zoals hij die conceptualiseerde) omdat het
merite zou belonen. Een van zijn belangrijkste argumenten voor vrijheid was dat
we niet kunnen voorspellen (of weten) hoeveel iedereen zal kunnen bijdragen.

Ik
wil hier ook opmerken dat ik niemand ken binnen de intellectuele of academische
liberale traditie die iets zou schrijven genre:

“als
je maar zelf hard genoeg werkt lukt het je wel, en als het je lukt ben je een bijzonder
en buitengewoon iemand. Lukt het je niet dan ligt de verantwoordelijkheid
vooral bij jezelf, immers je bent niet in staat geweest om de (negatieve)
vrijheid te gebruiken om het te maken’)”

Integendeel:
‘hard werken’ (in de fysieke zin van het woord) is geen garantie op
‘welvaartscreatie’. Hayek was voorstander van het marktproces (alweer: binnen
een goed juridisch kader) omdat het,
grosso modo, mensen beloond wanneer ze welvaart produceren voor anderen.
Uiteraard speelt daar een factor van geluk, maar het is (aldus Hayek)
epistemologisch niet mogelijk om te weten hoe groot die factor is.

Ook
al kan geluk initieel een factor spelen, vermits mensen kunnen leren – en
vermits het ‘winst en verlies mechanisme’ zo centraal is in de markt – kunnen
anderen leren van deze vorm van initieel geluk. Het marktproces moet begrepen
worden als een proces van sociale coöperatie. Tijdens dat proces wordt er
continu bijgeleerd. Als de institutionele regels ‘slecht’ zijn, dan kunnen er
ook slechte gevolgen ontstaan. Als bijvoorbeeld banken indirect gesubsidieerd
worden om grote risico’s te nemen, zonder dat ze daar zelf de gevolgen van
zullen moeten dragen, dan ontneem je het winst en verlies principe; en dan
verminder je ook de mogelijkheden om bij te leren die de markt biedt.

Besluit

De
groteske misrepresentatie van Blommaert en Zahidi doet me, helaas, niet veel
goeds vermoeden over de rest van het boek. Ik ben uiteraard benieuwd naar het
boek en een definitief oordeel zal moeten wachten tot het uitkomt.

Dat
dit hoofdstuk een hutsepot is waarbij Hayek op één lijn gesteld wordt met
mensen als Wilders en dat ik eigenlijk geen enkele paragraaf zou interpreteren
als een charitable interpretation van
de traditie die Blommaert en Zahidi claimen te bespreken zijn maar enkele van
de redenen waardoor ik ongerust uitkijk naar De paradox van Hayek. Ik vrees dat dit boek een uitstekend boek wordt
voorhen die vooroordelen over het liberalisme – als een slavernij
rechtvaardigend, minderhedenonderdrukkend en armen uitbuitende ideologie –
willen bevestigd zien.

Een
zorgvuldige studie van het liberalisme, haar argumenten en haar problemen lijkt
het mij echter niet. Op geen enkel moment wordt er uitgebreid de aandacht
gespendeerd aan waarom bepaalde
redeneringen worden gemaakt en welke mogelijke nuances er binnen de liberale
traditie bestaan. Het wordt allemaal op een hoop gegooid en de slechtst
mogelijke representatie wordt eruit gehaald.

Een
boek van deze aard – dat het liberalisme bekritiseert door te focussen op enkele
van haar historische ambassadeurs en hun ambigue houding ten aanzien van
slavernij, hun verkeerde houding ten aanzien van de enclosure movement,
als wel als de moderne relatie tussen quasi-fascistische partijen zoals de
Partij van de Vrijheid in Nederland en de ideeën van vrijheid en andere, potentieel
problematische zaken – is zeker waardevol. Maar het zou geschreven moeten
worden door mensen die de traditie serieus nemen. Op basis van wat ik gelezen
heb, is het voor mij moeilijk in te beelden dat Blommaert en Zahidi dit hebben
gedaan.

Lode Cossaer

Lode Cossaer is voorzitter van het Murray Rothbard
Instituut, een onderzoekscentrum voor rechtsfilosofie en de Oostenrijkse
school. Hij heeft een mPhil in (politieke) filosofie van de KU Leuven.


[i] (Voor een uitgebreider, maar eenvoudig, argument om
waarom dit een argument is voor een markteconomie, lees hoofdstuk 11 in ‘Why
Liberty’, integraal te vinden hier: http://studentsforliberty.org/wp-content/uploads/2013/07/Why-Liberty-Final-Typeset-with-Cover.pdf

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!