Interview, Nieuws - Lode Vanoost

Bleri Lleshi: “We moeten dit systeem in vraag stellen”

Bleri Lleshi is al jaren actief in de Brusselse jongerenwerking. Vanuit die lokale ervaring schreef hij ‘De neoliberale strafstaat’ dat de lokale problemen in hun globale context plaatst. DeWereldMorgen.be had met hem een gesprek.

dinsdag 25 maart 2014 15:49

Hoe kwam jij in de Brusselse
jongerenwerking terecht?

“Reeds één week nadat ik was
afgestudeerd aan de VUB in 2008 kreeg ik een aanbod voor een project
rond identiteitsvorming en -beleving in de stad. Aanvankelijk
keek ik wel wat neer op het lokale. Academische studie brengt dat met
zich mee. Iedereen zei me ook dat ik met mijn studie en talenkennis
een mooie baan moest zien te krijgen bij de EU. Toen ik hier
afstudeerde had ik twee keuzes: doen alsof ik niets had gezien of
proberen mijn deel van de strijd te voeren. Ik ging voluit voor dat
tweede.”

“Hoe langer ik in Brussel woonde,
hoe meer ik de lokale problemen zag. Er is hier veel te doen. Een op
drie Brusselaars leeft in armoede. 20 procent van de Brusselaars heeft geen
werk. Bij jongeren onder 25 jaar is dat 30 procent. Brussel is één van de
jongste hoofdsteden van Europa, één derde is jonger dan 25.
Jongeren staan centraal in mijn werk. Ik wil samen met hen strijden
voor een betere toekomst.”

“Ik heb in het boek doelbewust
verder gekeken dan de Brusselse, de Vlaamse en de Belgische context.
Bovendien wilde ik niet in hokjes werken maar multidisciplinair. De
maatschappelijke problemen hebben complexe oorzaken die je alleen
vanuit een globale visie kan aanpakken.”

Dat was voor jou een vlotte overgang
van de universiteit naar werk…

“Toch niet, ik stelde vast dat ik
via de klassieke jeugdorganisaties geen geïnteresseerde jongeren kon
vinden. Jongeren blijken een degout te hebben ontwikkeld tegen die
organisaties. Die helpen niet om de situatie van de jongeren te
verbeteren.”

“Bovendien, die organisaties zijn
voor hen de overheid, die hen verwerpt, die er niet is voor hen. Het
voornaamste element van die staat is de politie. Racisme,
discriminatie in het onderwijs op de arbeidsmarkt is er ook wel, maar
discriminatie door de politie voelen ze elke dag opnieuw. In Brussel
is dat de grootste frustratie van jongeren.”

Je zegt in het boek: “het drama is
dat de organisaties die continu met de jongeren werken, net diegenen
zijn die geen projecten meer goedgekeurd krijgen omdat ze structureel
willen werken. Die verliezen stelselmatig subsidies. De beleidsmakers
die daar over beslissen zijn niet geïnteresseerd in
kwaliteit”.

“Als ik voorstel een jaar met vijftien
jongeren te werken of ik dien een projectaanvraag in om een jaar met
vijftig jongeren te werken, dan is het dat laatste project dat
subsidies krijgt. Het aantal telt, niet de kwaliteit.”

“Daar komt bij dat er steeds meer
druk is op die organisaties om ‘resultaten’ te halen, om
projectmatig te werken, niet structureel. Pas op, de overgrote
meerderheid van de mensen in die projecten heeft de beste
bedoelingen. Wat zeg je echter tegen die jongeren als het project
gedaan is? Er is geen continuïteit. Die jongeren haken dan af en
stappen niet mee in je volgende project.”

“In feite moet er terug een
politisering van het middenveld komen. Dat middenveld neemt nu geen
standpunten meer in. Projectsubsidie impliceert niet stilstaan bij de
diepere oorzaken. Je hebt nu de absurde situatie dat sociale
organisaties concurrenten van elkaar worden voor de
overheidssubsidies. De overheid gebruikt een ‘verdeel en
heers’-strategie om het middenveld politiek te neutraliseren en te
controleren.”

Je benadrukt ook het grote verschil
tussen de realiteit en de perceptie.

“Ik wil met dit boek de
mediaclichés over de stad weerleggen. In de media is de focus
uitsluitend gericht op excessen, op criminaliteit, terwijl verreweg
de meeste jongeren een gewoon leven leiden en er het beste proberen
van te maken in moeilijke omstandigheden. Dat neoliberale discours
weerleggen is niet eenvoudig, want het heeft overal de termen van het
debat veranderd.”

Dat zeg je ook in het boek: “het
neoliberalisme voert een politieke strijd”. Het is een ideologie
die zijn eigen naam en bestaan ontkent.

“Het probleem is ook dat veel
mensen denken dat het neoliberalisme een zaak is van conservatieve
partijen en leiders. Een groot deel van verantwoordelijkheid ligt
echter bij links en de sociaaldemocratie. Een deel van links blijft
ook denken dat het zijn tijd wel zou duren, dat na de crisis het
neoliberalisme zal afsterven.”

“Vergeet niet dat de grootste
neoliberale hervormingen zijn uitgevoerd door ‘progressieve’
leiders, door sociaaldemocraten. Tony Blair in Groot-Brittannië en
Democraat Bill Clinton gingen veel verder dan hun conservatieve
voorgangers Thatcher en Reagan en Bush senior. Niet Angela Merkel
maar de sociaaldemocraat Gerhard Schröder is de auteur van de
mini-jobs. Kijk ook naar de massale privatiseringen in Frankrijk
onder de socialistische president Mitterrand.”

Dat was de periode dat de term
‘besparingen’ werd ingevoerd als eufemisme voor de sociale
afbraak.

“Daarom ook dat ik de nadruk leg op
de miljarden besparingen ten koste van de sociale welvaartsstaat, dus
ook op de sociale organisaties van het middenveld, zoals de
jongerenwerking. Dit is niet zomaar een zoveelste economische
recessie maar een directe aanval op de sociale welvaartsstaat.”

“Dat is de ware strijd van het
neoliberalisme, de vestiging van hun neoliberale strafstaat ten koste
van de sociale welvaartsstaat. We evolueren naar een staat die
controleert, disciplineert en straft, maar voor al het overige de
bevolking aan zijn lot overlaat en de mensen de keuze laat om
werkloos of in een gevaarlijke baan te creperen.”

‘Crisis’ impliceert dat het
systeem het nu moeilijk heeft maar ten gronde goed is. Bovendien,
crisis voor wie? In ieder geval niet voor de rijke toplaag, de ‘one
percent’. Je wijst ook op het enorme verschil bij de publieke
opinie tussen de realiteit en de perceptie. Ook dat is een
overwinning van het neoliberalisme.

“De resultaten zien we in
Griekenland. De Griek is gemiddeld 40 procent armer geworden, de
postnatale kindersterfte en zelfmoordcijfers nemen er spectaculair
toe. In dezelfde periode 2008-2013 zijn de 500 rijkste Grieken 20
procent rijker geworden.”

Waarom steunen wij een dergelijk
catastrofaal besparingsbeleid? Waarom zou ik stemmen voor een partij
die zegt dat we nog meer moeten besparen?

“Het drama is dat een goed deel van
de middenklasse rechtser gaat stemmen, voor nationalistische
partijen, voor extreem-rechts. Waarom? Dat heeft alles met het
neoliberalisme te maken.”

“Stel het je maar eens voor. Je was
onlangs nog aan het afgeven op die luie armen. Je wil er dus alles
aan doen om niet tussen die verachtelijke armen terecht te komen,
terwijl je naar schuldbemiddeling moet en je elektriciteit niet meer
kan betalen. Allemaal omdat die ‘echte’ armen jouw belastinggeld
verspild hebben. Ondertussen kijk je niet naar die boven jou, die
rijker worden, die zijn immers wat jij zou willen zijn.”

“Dat mensen zo redeneren is het
succes van veertig jaar neoliberale propaganda. Als mensen dan een
extreem-rechts populist horen, die zegt dat niet jij de schuld bent
maar die anderen, die illegalen, die migranten en dat hij dat snel
zal oplossen, dan sluit je je daar bij aan.”

Hoe is het zover kunnen komen?

“Men moet goed beseffen dat het
neoliberalisme niet zomaar ontstaan is in 1980. Daar is veel denkwerk
aan voorafgegaan. De neoliberale denkers hadden hun ideeën al op
papier staan voor en na de Tweede Wereldoorlog. Hun denktanks werden
door de universiteiten genegeerd. Ondertussen vonden ze wel ruime
steun bij de grote bedrijven.”

“Deze denkers hadden bovendien één
grote kwaliteit, geduld! “Onze tijd komt nog en als die komt staan
we klaar”. De theoretische onderbouw was dus volledig klaar in de
jaren 1970. Thatcher liep rond met de boeken van Hayek, en Friedman
was economisch adviseur van Reagan.”

“De sociaaldemocratie was daar
totaal niet op voorbereid en doet in feite de voorbije dertig jaar
niets anders dan achterna hollen. Ondertussen werden de
dereguleringen, de privatiseringen, de vermindering van de
belastingen, de ontmanteling van de welvaartsstaat onafgebroken
doorgevoerd.”

Terug naar de minimale overheid,
‘small government’.

“Neen, dit gaat niet over het
terugdrijven van de rol van de staat. Dit gaat over de organisatie
van een andere sterke staat, de neoliberale strafstaat, een zeer
machtige overheid met andere objectieven dan de sociale
welvaartsstaat. Dat zie je aan de dalende budgetten voor onderwijs en
de stijgende cijfers voor gevangenissen in de VS. Dat zie je in
Antwerpen, waar wordt bespaard op sociale organisaties die basiswerk
doen, maar wel nieuwe GAS-ambtenaren en meer politie-agenten worden
aangeworven.”

“Toen er in Molenbeek die
zogenaamde rellen waren, werd er op 24 uur door politici en politie
een taskforce opgericht, die onmiddellijk maatregelen nam om een
nultolerantie af te kondigen. Dat lukte direct.”

“Er bestaat ook een taskforce voor
de rampzalige problemen in het Brussels onderwijs. Die is veel minder
succesvol. In het ene geval ging het over een kleine groep jongeren,
aangestuurd door criminelen die amper iets te maken heeft met
Brusselse jongeren. In het andere geval over een probleem waar
duizenden Brusselse jongeren onder lijden. De ongelijkheid binnen het
onderwijs blijft een van de hoogste op wereldvlak. Niet alleen
migrantenjongeren maar ook kansarme jongeren zijn hier slachtoffer
van. Het is een klassenprobleem, nog zo een woord dat neoliberalen
niet willen horen.”

“Dat is gewoon een feit. Aan
het eind van het middelbaar onderwijs heeft een leerling 95 procent
kans om in het ASO te zitten als de moeder een universitair diploma
heeft en 80 procent kans om in het BSO te zitten als de moeder laag
opgeleid is. Er is nood aan structurele hervormingen die de
ongelijkheid aanpakken. Bovendien is het hoog tijd dat we voor
meertalig onderwijs kiezen in een stad als Brussel.”

Je benadrukt ook de belangrijke rol
van de vakbonden.

“Terecht, zij waren de
voornaamste actoren voor de creatie van de welvaartsstaat. Het is
geen toeval dat ze al dertig jaar in de mainstream media worden
gedemoniseerd en gebashed door een elite van ondernemers en politici.
De vakbonden staan voor een maatschappelijke visie haaks op het
neoliberalisme.”

“Daarom ook dat stakingen zo
eenzijdig worden afgewezen in de berichtgeving. Alle sociale
verworvenheden die we vandaag vanzelfsprekend vinden, daar is hard
voor gevochten, onder meer dankzij de organisatiekracht van de
vakbonden. De neoliberale denkers weten dat.”

“Ik ben kritisch over hoe links en
de sociaaldemocratie meedraaien in het neoliberale discours maar
erken ook al het goede dat links heeft verwezenlijkt. Ik vind het
daarom ook zo erg dat ze nu panikeren en mee opschuiven naar rechts.
Links moet die jarenlange ervaring van de strijd tegen het
kapitalisme terug opdiepen. Het neoliberalisme is alleen maar de
recentste vorm van het kapitalisme, een zoveelste fase. De essentie
is dat we terug moeten naar een discours dat openlijk zegt dat
kapitalisme het probleem is, dat dit systeem in vraag moet worden
gesteld.”

“Dat moet ook lokaal gebeuren,
onder meer via onderwijs, lokale economie, zelfbeheer en
basisdemocratie. Ondertussen moet de strijd worden georganiseerd ook
op Europees niveau, waar de meeste wetten worden geschreven. De
vakbonden moeten zich dus ook Europees organiseren.”

“Een ander systeem is mogelijk. Het
neoliberalisme is geen natuurlijke gang van zaken. Mensen zijn
sociale wezens met gemeenschappelijke belangen. Die verdedig je met
gemeenschappelijke actie. Mijn boek zie ik als een aanzet om dat
debat te voeren.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!