about
Toon menu
Opinie

Links en Vlaams: de tang en het varken?

Met Johan Van Overtveldt heeft een nieuwe neoliberale hardliner zich bij de N-VA rangen gevoegd. Naar aanloop van de verkiezingen meet de grootste partij van Vlaanderen zich een steeds duidelijker, uitgesproken neoliberaal profiel aan. Tegelijk verschijnen er op de webstek van ondermeer de Gravensteengroep oproepen voor een Vlaams en links engagement, al dan niet aan de zijde van de N-VA.
donderdag 21 november 2013

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

In deze tekst wordt op zoek gegaan naar de mogelijkheid van een dergelijk links en Vlaams project binnen de huidige constellatie. Dat zal gebeuren door middel van een analyse van de verschillende ideologische voedingsbodems van de N-VA: conservatisme, nationalisme en neoliberalisme.

De onbegrensdheid van het neoliberalisme

Vlaanderens grootste partij wordt gedomineerd door drie grote ideologieën: conservatisme, nationalisme en neoliberalisme. Het blijft een vreemde combinatie omdat neoliberalisme botst met zowel het nationalisme als het conservatisme. De warme, organische samenleving waar de conservatief bijvoorbeeld van droomt wordt voortdurend ondergraven door de ontwrichtende krachten die een doorgedreven neoliberaal beleid op de samenleving loslaat.

Men hoeft Marx niet gelezen te hebben om er zich van te vergewissen dat het laten zegevieren van een ongebonden marktlogica leidt tot maatschappelijke ontworteling. Wanneer conservatieven à la De Wever of Dalrymple het gebrek aan sociale cohesie of de toenemende individualisering aan de kaak stellen, dan lijken ze compleet voorbij te gaan aan het feit dat deze fenomenen het rechtstreekse gevolg zijn van een veranderende, meer veeleisende arbeidsorganisatie, de afbouw van sociale vangnetten en de aanval op solidariteitsmechanismen. Wanneer men huilt over een verlies aan authenticiteit, dan lijken conservatieven niet te beseffen dat een steeds verdere commodificatie cruciaal bijdraagt tot de ‘ontwaarding van alle waarden’. Vandaar dat conservatisme en neoliberalisme elkaar feitelijk uitsluiten.

Dat geldt misschien zelfs nog meer voor wat de core-business en reden van bestaan is voor de N-VA: het nationalisme. Als we neoliberalisme nemen voor wat het is, namelijk een dogmatisch geloof dat de vrije markt het beste organisatieprincipe is voor de economie en de samenleving als geheel, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat een dergelijk geloof strijdig is met een nationalisme.

Een geliberaliseerde markt verdraagt immers geen landsgrenzen, springt over taalgrenzen heen en walst vrolijk over culturele verschillen. De ultieme neoliberale droom is in wezen een kosmopolitische droom die de natie als een categorie uit een vervlogen tijd beschouwt. Deze neoliberale utopie wordt misschien nog het best verwoord door het personage Arthur Jensen in de film Network (1976). Jensen tikt een kritische medewerker (Howard Beal) op de vingers omdat die zogenaamd niet zou snappen hoe de wereld in elkaar zit:

De Arabieren hebben miljarden dollars uit dit land getrokken, en nu moeten ze die die dollars hier herinvesteren. Het is eb en vloed, een getijdenwerking. Het is een ecologisch evenwicht. Jij bent een oude man die denkt in termen van naties en volkeren. Wel, er zijn geen volkeren. Er zijn geen Russen. Er zijn geen Arabieren. Er is geen Derde Wereld. Er is geen Westen. Er is enkel één holistisch system der systemen, een robuust en immens, interreagerend, multi-gevarieerd en multinationale hegemonie van dollars. Petro-dollars, elektro-dollars, multidollars, Reichmarks, roebels, ponden en sheikels. Het zijn de internationale wisselkoersen die de totaliteit van het leven op deze planeet bepalen. Dat is de natuurlijke orde der dingen vandaag.”[i]

Ik denk dat deze fictieve speech redelijk goed de ideologie uitdrukt die leeft in middens van traders, bankiers, groot-industriëlen en miljardairs. Nu de markt geglobaliseerd is, lijken naties, volkeren, religies, ideologieën en grenzen er inderdaad niet meer toe te doen. De wereld is één geworden door middel van een gigantisch handelsnetwerk waarin kapitaal in minder dan een seconde van de ene kant van de wereld naar de andere kant kan geflitst worden.

Het neoliberalisme valt dus samen met een soort kosmopolitisme. Niet het soort kosmopolitisme dat Immanuel Kant in Over de Eeuwige Vrede voor ogen had, niet het kosmopolitisme van het wereldburgerschap maar dat van het wereldondernemerschap en wereldconsumentenschap.

Het neoliberale kosmopolitisme is geen politiek kosmopolitisme dat ijvert voor een wereldstaat, een wereldgemeenschap, de wereldwijde herverdeling van rijkdom of de globalisering van mensenrechten. Nee, het is in de eerste plaats een economisch kosmopolitisme dat uitgaat van het idee dat de globalisering van de markt leidt tot een globaal netwerk dat de politiek, grenzen en volkeren zelf volledig overbodig maakt. Het is een kosmopolitisme dat vertrekt van het naïeve idee dat iedereen de taal van het geld spreekt en dat waar handel floreert de kans op oorlog wordt gedecimeerd. Bovendien gaat men ervan uit dat deze geglobaliseerde orde van staatsloze consumenten en ondernemers op termijn de beste garantie is op een wereldwijde, eerlijke en efficiënte verdeling van rijkdom en goederen.

In de film Network eindigt de speech van Arthur Jensen dan ook als volgt:

De wereld is een verzameling van ondernemingen, Meneer Beal, volledig bepaald door de onveranderlijke wetten van de economie. De wereld is een onderneming, meneer Beal! […] En onze kinderen zullen deze perfecte wereld eindelijk zien, een wereld waarin er geen oorlog meer is en geen hongersnood, geen onderdrukking en geen wreedheid. Wat zal overblijven is één enorm gemeenschappelijk bedrijf, waarvoor alle mensen zullen werken om een gezamenlijke winst na te jagen, een bedrijf waarin iedere mens een aandeel zal hebben. In alle behoeften zal voorzien worden, alle angsten zullen verdoofd worden, alle verveling geëntertaind.[ii]

Neoliberalisme en conservatisme: een gemeenschappelijke vijand

Het grootkapitaal waarmee de N-VA graag handjes schudt, heeft eigenlijk geen enkele boodschap aan het nationalisme. Vanuit de wereldeconomie bekeken is het Vlaams-nationalisme een grap. Bovendien leven neoliberalisme, conservatisme en nationalisme, theoretisch en ideologisch gezien, op gespannen voet met elkaar (zie bv. het debat over het vermeende conservatisme van Hayek en Hayek’s apologie ‘Why I am not a conservative’). Toch moeten we ons de vraag stellen waarom conservatisme, nationalisme en neoliberalisme in de politieke praktijk vaak samengaan. Immers, niet enkel de N-VA mixte deze drie schijnbaar tegenstrijdige ideologieën. Ook de twee neoliberale iconen, Reagan en Tatcher, lieten conservatisme, nationalisme en neoliberalisme op pragmatische wijze in elkaar overvloeien. Hoe is dit mogelijk?

Ik zie twee grote redenen hiervoor. Ten eerste kunnen het conservatisme en het nationalisme beschouwd worden als nuttige en misschien ook een nodige aanvullingen op het neoliberalisme. Het conservatisme en het nationalisme zijn manieren waarop de dislocaties van de vrije markt kunnen opgevangen en gearticuleerd worden, maar ook gecamoufleerd worden. Wanneer naties en gemeenschappen aan ontbinding onderhevig zijn is het erg handig om een nationalistisch of conservatief verhaal op te hangen dat schijnbaar verklaart waarom er ontbindende krachten aan het werk zijn.

‘Vreemdelingen’, ‘onaangepasten’, ‘onproductieven’, ‘linkse’ en ‘volksvreemde’ ‘intellectuelen’, de ‘multiculturele’ politiek van een ‘linkse elite’, etc. worden dan als oorzaken aangeduid. Een verhaal waarmee gescoord wordt en waarmee de ware ontbindende krachten onderbelicht blijven. Conservatisme en nationalisme als verkeerde diagnosen en een verkeerde remedies dus. Maar wel remedies die tijdelijk soelaas brengen en waarmee men electoraal makkelijk kan scoren.

Ten tweede is het zo dat conservatisme en neoliberalisme een bepaald ideologisch belang delen. Beide stromingen weten zich verenigd in hun anti-socialisme. Het neoliberalisme kan gelezen worden als een historische reactie op de welvaartstaten van na de tweede wereldoorlog, terwijl het conservatisme zich verzet tegen iedere vorm van radicale en revolutionaire politiek; of die nu door de overheid wordt opgelegd of niet.

Beide ideologieën vinden zichzelf in een gemeenschappelijke vijand: de revolutionaire staat die hetzij een radicale emancipatorische politiek voert die indruist tegen het gesundes Volksempfinden, hetzij ingrijpt in het economische gebeuren door het eigendomsrecht te politiseren en de marktwerking te verstoren. Met andere woorden, de gemeenschappelijke vijand is het socialisme in de ruimste zin van het woord. Vandaar ook dat libertariërs en nationalistische conservatieven elkaar perfect vinden in de VS: ze delen hun aversie tegen de ‘socialist’ Obama. In zeker zin zien we eenzelfde mechanisme terugkeren in België: neoliberalen en conservatieve nationalisten weten zich verenigd hun gemeenschappelijke aversie tegenover de zogenaamde ‘PS-dominantie’, de ‘linkse kerk’ en de ‘linkse intellectuelen’.

Het pad naar onafhankelijkheid

Maar België zou België niet zijn als het niet allemaal iets complexer was dan hierboven wordt voorgesteld. De omarming van het neoliberalisme door een in wezen conservatieve en nationalistische partij heeft niet enkel te maken met bovengenoemde redenen, maar ook en vooral met de verwezenlijking van de Vlaams-nationalistische agenda. In mijn ogen heeft een deel van links een al te eenvoudige verklaring van de neoliberale agenda van de N-VA. Volgens hen is het Vlaams-nationalisme een ideologisch glijmiddel om de neoliberale staat te realiseren. Volgens mij is het net omgekeerd.

Het hoofddoel van de N-VA is en blijft de realisering van een onafhankelijk Vlaanderen. Men onderschat de ideologische verbetenheid van de kopstukken in deze partij. Velen van hen  zouden meteen hun politieke carrière opgeven de dag dat Vlaanderen onafhankelijk wordt. De enige, fundamentele reden waarom men aan politiek doet is het najagen van die droom van een onafhankelijk Vlaanderen. De omarming van het neoliberalisme is slechts een middel ter realisering van dat doel. Maar, binnen de huidige constellatie, wel een noodzakelijk middel.

De uitleg hiervoor ligt eigenlijk voor de hand. De N-VA beseft maar al te goed dat een Vlaamse onafhankelijkheid niet binnen handbereik ligt wanneer het grotendeels federaal georganiseerde sociale stelsel en de machten die het in stand houden niet worden gebroken. Vandaar ook dat de N-VA in de eerste plaats wil inzetten op wat ze noemt een ‘sociaal-economische herstelregering’.

Die sociaal-economische herstelregering is niets anders dan een noodzakelijk en onmisbare stap in de realisering van het confederale model. De rechtse ‘herstelregering’ zou dan idealiter bestaan uit een coalitie tussen Open-VLD/MR, de rechtervleugel van CD&V/MR en N-VA. Een gelijkaardige coalitie is eventueel mogelijk op Vlaams niveau (Open VLD, CD&V en N-VA). Dit betekent, heel concreet, dat er een coalitie in het leven wordt geroepen waarin links niet vertegenwoordigd is en die een rechtstreekse aanval op de vakbonden zou kunnen inzetten. Dit is een eerste en belangrijke stap in de ontmanteling van het sociale stelsel en dus van België.

Het punt is dus dat de realisering van een neoliberale agenda en de ontmanteling van België objectief samenvallen. Vandaar dat nuttige idioten zoals een Siegfried Bracke en een Johan Van Overtveldt naar voren worden geschoven om de Vlaamse strijdpunten schijnbaar ondergeschikt te maken aan de realisering van een economisch programma. Hiermee lokt de N-VA de sociaal-economisch rechterzijde in haar kamp en realiseert ze tegelijk de ontmanteling van België door middel van de komende ontmanteling van het sociale stelsel. Het directe doel van de N-VA is dan ook de vorming van een hegemonie tussen (neo)liberalen, conservatieven, extreem-rechts en nationalisten. In belangrijke mate is men reeds geslaagd in het vormen van een dergelijke hegemonie. Het komt er eigenlijk enkel nog op aan om deze finaal electoraal te verzilveren.

Failliet van het links-flamingantisme

Als we ervan uitgaan dat een onafhankelijk en ontvoogd Vlaanderen niet kan gerealiseerd worden zonder ontmanteling van het Belgische sociale stelsel met behulp van de rechterzijde, dan heeft dat zware consequenties voor het zogenaamde links-flamingantisme. Mijn stelling is dat binnen de huidige machtsconstellatie een links-flamingante onmogelijk is geworden. Onmogelijk, in die zin dat een Vlaamse positionering bijdraagt tot de realisering van een rechtse en asociale agenda. Want de realisering van Vlaamse autonomie onder de huidige constellatie, valt nu eenmaal objectief samen met de realisering van die agenda.

De oproep tot een links flamingantisme betekent niets anders dan een feitelijk versterking van de bestaande, rechtse hegemonie. Het betekent dat men binnen de huidige constellatie een keuze moet maken tussen prioriteiten: of het linkse engagement boven het Vlaamse engagement stellen of het Vlaamse engagement boven het linkse stellen en meehelpen met de feitelijke realisatie van een rechtse agenda. Met andere woorden: men hoort niet anti-flamingant te zijn omdat men Belgisch gezind is (of omgekeerd), maar omdat men links is.

Links-flamingante argumenten die tegen deze stelling indruisen lijken alvast niet veel hout te snijden. Over de mogelijkheid van een links en tegelijk Vlaams engagement schrijft Ludo Abicht:

[…] centrale figuren als de socialisten Emiel Moyson en August Vermeylen, communisten als Jef Van Extergem en linkse rebellen als de alom vereerde Paul van Ostaijen, overtuigde flaminganten die men op geen enkele manier met rechts of het rechtse gedachtegoed kan verbinden. Voor hen, net als voor priester Daens, vormde de strijd voor de sociale emancipatie van de Vlaamse arbeider als het ware vanzelfsprekend één front met die voor de culturele ontvoogding. Het is dus in het verleden wél mogelijk geweest, tegelijkertijd actief militant te zijn in een linkse, zelfs marxistische organisatie of partij en zich te engageren voor de défense et illustration van de Nederlandse cultuur waar deze arbeiders wellicht onbewust erfrecht op hadden.”[iii]

In strikt historische zin heeft Abicht hier natuurlijk gelijk. Uiteraard is het zo dat een Vlaams engagement en een links engagement elkaar niet hoeven uit te sluiten. In het verleden zijn er zeker figuren geweest die de Vlaamse strijd met een linkse strijd hebben verenigd. Verre van onlogisch natuurlijk, omdat de Vlaamse strijd aanvankelijk een emancipatorische strijd was die zich perfect binnen een links discours liet articuleren. Maar de manier waarop een strijd gestalte krijgt of gearticuleerd wordt, kan nooit losgekoppeld worden van de concrete historische context waarin deze strijd zich ontwikkelt.

Hoewel er ooit een potentieel bestaan heeft om de Vlaamse strijd door middel van links discours verder te ontwikkelen, is dat potentieel heden ten dage zo goed als onbestaande. De verklaring is eenvoudig: de historische context is radicaal gewijzigd omdat de hegemoniale machtsconfiguraties, die een dergelijke context scheppen, radicaal veranderd zijn. Binnen de huidige machtsconfiguratie is niet langer plaats voor een verbinding tussen een linkse en een Vlaamse strijd. Iedere poging daartoe werkt in het voordeel van rechts op dit moment. Abicht zou beter moeten weten: een recept uit het verleden kan je niet zomaar gebruiken om de toekomst vorm te geven. Iedere tijd vraagt zijn eigen, specifieke positioneringen.

Exact hetzelfde argument kan ingebracht worden tegen de stelling dat men er in het buitenland wel in slaagt om een progressieve en linkse strijd te verbinden met het nationalisme. Uiteraard is zoiets mogelijk, maar dat wil niet zeggen dat het automatisch van de ene op de andere context kan toegepast worden. Dat een nationalistische strijd in andere Europese landen nog steeds samenvalt met een links-progressief project impliceert op geen enkele wijze dat dat ook in Vlaanderen zo is of zelfs zo zou kunnen zijn. Wel integendeel, net omdat rechts en het Vlaamse nationalisme een agenda delen, kan een consequent linkse positie er op dit moment enkel in bestaan om de Vlaamse zaak volledig onder te schikken aan de linkse strijd.

Dialectische schizofrenie

Jef Turf gooit het in zijn memoires over een andere boeg dan Abicht. Volgens hem missen de niet-nationalistische linksen de trein der geschiedenis door zich achter het Belgische establishment te schragen. Ik citeer:

Ik heb in 2010 voor N-VA gestemd, en zal dat nog doen wanneer de huidige chaos uitloopt op nieuwe verkiezingen. Maar eens in een zelfstandig Vlaanderen zal ik, zoals altijd, de strijd helpen voeren voor een sociaal, democratisch Vlaanderen, en wellicht tegen de N-VA. Het is het onbegrip voor deze dialectiek die vele linksen in Vlaanderen hindert en hen belet de rol te spelen die eigen zou moeten zijn aan de linkerzijde, en die hen linkt aan de oude, rechtse belgicistische belangen.”[iv]

Bemerk hoe in de visie van Turf de niet-flamingante linkerzijde automatisch wordt ondergebracht in het kamp van de oude, rechtse belgicistische belangen. Alsof er binnen de Belgische politieke ruimte geen linkse frontvorming mogelijk is die zich richt tegen die vermeende Belgische elite. Vreemd ook dat Turf de grootste rechtse kracht in België steunt om het zogenaamde rechtse België omver te werpen. Een kracht die bovendien het omgekeerde beweert van wat Turf stelt, namelijk dat rechts Vlaanderen gekoloniseerd wordt door een links Wallonië.

In feite maakt Turf een essentiële inschattingsfout. Hij lijkt te veronderstellen dat het vehikel waarmee de onafhankelijkheid wordt nagestreefd, volledig losstaat van de realisatie van de onafhankelijkheid. Alsof de kracht die tot onafhankelijkheid leidt geen enkele stempel zal drukken op wat voor soort onafhankelijk Vlaanderen we zullen krijgen onder N-VA bewind. Middel en doel kunnen niet op zuivere wijze van elkaar gescheiden worden in het politieke handelen. Een rechtse kracht steunen om een onafhankelijk Vlaanderen te realiseren, zal onvermijdelijk leiden tot het tot stand komen van een rechts en onafhankelijk Vlaanderen en niet tot een neutraal politiek speelveld, genaamd Vlaanderen.

Denken dat men opnieuw de linkse strijdbijl kan opgraven na jaren van rechtse hegemonie is bijzonder naïef. Men onderschat het effect dat een hegemonie heeft op het individuele en collectieve bewustzijn, op het middenveld en op de bestaande instellingen. Een hegemonie laat zijn sporen na, beïnvloedt op cruciale wijze de manier waarop burgers hun relatie tot elkaar en tot de samenleving als geheel begrijpen en verandert op definitief de spelregels van het politieke speelveld.

Het tot stand komen van een onafhankelijk Vlaanderen onder rechtse hegemonie zal in die zin een speelveld creëren waarin links de allerzwakste positie heeft. Het zal jaren en misschien zelfs decennia van strijd en engagement vragen om opnieuw een linkse tegenkracht op te bouwen. In tussentijd zal de maatschappelijke schade van een rechtse hegemonie zich verder opstapelen: ongelijkheid zal toenemen en de toegang tot de democratische besluitvorming zal voor de laagste klassen bemoeilijkt worden. Die schade zal reëel zijn en onomkeerbaar.

Maar blijkbaar is het voor links-flaminganten zoals Turf geen enkel probleem om historische overwinningen van de arbeidersklasse te offeren op het altaar van de Vlaamse onafhankelijkheid. Het zegt veel over hoe links die zogenaamde Vlaamse linksen zijn en hoe groot de offerbereidheid is om toch maar tot dat onafhankelijkheid Vlaanderen te komen. Ook vandaag verblindt het licht van overwinning het zicht op eigen schaduw die steeds groter en donkerder wordt.

De geschiedenis herhaalt zich. Maar nooit op dezelfde manier.

Thomas Decreus is politiek filosoof verbonden aan de KU-Leuven. 

Noten

i Voor het filmfragment, zie: https://www.youtube.com/watch?v=g9_aYLPSlbE

ii Ibidem

iii Zie http://www.gravensteengroep.org/bijdragen/bent-u-nu-marxist-flamingant-%E2%80%93-ja-ludo-abicht

iv Turf, Memoires, 243

reacties

13 reacties

  • door AnonJJ op donderdag 21 november 2013

    Flamingantisme kan niet links zijn, dat hebben ze bewezen door de collaboratie tijdens twee wereldoorlogen.

    Je kan misschien ook even Sartre er op na lezen wat hij over nationalisme dacht.

    Nationalisme is verwerpelijk, leidt altijd tot totalitaire en xenofobe regimes en is in sé een anachronisme.

    Linksen en progressieven kunnen niet anders dan zich tegen nationalisme verzetten.

    • door Jamaar op maandag 25 november 2013

      Als ik Sartre erop nalees kom ik tot een heel andere conclusie. In zijn boek "Politique et autobiographie - Situations, X" (NRF, Gallimard, Parijs, 1976, p. 11-37: Préface au Procès de Burgos) verklaart hij zich totaal solidair met de strijd van de Catalanen, de Bretoenen, de Galiciërs en de Occitanen.

    • door Jasper Desmedt op woensdag 11 december 2013

      Links moet zich, in mijn ogen, in de eerste plaats bezighouden met de klassenstrijd. Ze moet erop uit zijn de 'proletariërs aller landen' te verenigen tegen het (neo-)liberale establishment en de dominantie van het VS-imperialisme. Nationalisme zaait verdeeldheid tussen naties en volken. De divide-et-imperastrategie die de rechtse krachten in ons land maar al te graag hanteren bemoeilijkt het vormen van een Belgisch sociaal front. Het grootkapitaal is er bij gebaat dat er geen eenheid heerst. De Vlaams-Waalse tegenstelling die NV-A zo graag naar voren brengt in onze media houdt de burger weg van de sociaal-economische tegenstellingen in onze maatschappij. Nationalisme en socialisme zijn in mijn optiek onverenigbaar omdat het uitgangspunt van het socialisme een andere 'wij' naar voren brengt dan het uitgangspunt van het nationalisme.

      El pueblo unido, jamás será vencido!

    • door jaak Peeters op zaterdag 28 december 2013

      Ik ben een Vlaamse nationalist en heel-nederlander. Ik kom uit een verzetsfamilie, want mijn oom was lid van het gewapend verzet. Niettemin had hij een houten maquette van de IJzertoren op zijn schouw staan. Alweer dus één van die door zichzelf links noemende personen verspreide etiketteringen ontmaskerd als totaal onwaar. Nationalisme is een politieke beweging, gericht op de politieke, sociale, economische en culturele ontvoogding van een gemeenschap die zichzelf, in de zuiverste democratische zin, een "volk" noemt. Deze definitie komt van Miroslaw Hroch, die zowel de nazi- dictatuur als de communistische dictatuur heeft moeten verdragen en wiens moeder een Tsjechische nationalist was. De Engelse sociaal-democraat David Miller pleit voor een republikeins nationalisme. Links en progressief kunnen dus wél samengaan met nationalisme, maar niet met imperialisme.

  • door Rudi Dierick op vrijdag 22 november 2013

    Is dit nu de kolderbrigade, Een kritiek willen schrijven op 'links en Vlaams', door uitgebreid een partij te beschrijven die niet links is?

    gaan we dan seffens ook van Portugese voetballers gaan zeggen dat het geen goede voetballers kunnen zijn als ze geen Zweeds spreken? Als de auteur het wil hebben over wat 'links en Vlaams' is, waarom zich dan niet enkel daarmee bezig houden, en kijken naar die personen en groepen die links en Vlaams zijn?

    Wat hier gebeurt is een mix van vooroordelen spuien, guilt by association en dergelijke meer. De wel relevante elementen - en daarvan zijn er ook best wat in dit artikel - verdrinken daardoor in dee twijfel over de geldigheid van het hele artikel.

  • door leovets@skynet.be op zaterdag 23 november 2013

    En wat dan te denken van de zogenaamde linksen die zowel in de nationale als in de nationalistische regeringen zetelen, zowel in Belgïe als in Vlaanderen. Die lopen eveneens het neo-liberale gedachtegoed achterna met hier en daar een correctie om het volk te sussen. Wordt het geen tijd dat we ons gaan verzamelen rond wat staat tegenover het neoliberalisme, namelijk de overschakeling van het private naar het gemeenschappelijk beheer van de economie. Dat zou pas onafhankelijkheid beteken voor welk volk ter wereld dan ook.

  • door Terzijde op zondag 24 november 2013

    Interessant artikel, vind ik. De link tussen nationalisme en conservatisme enerzijds en (neo)liberalisme anderzijds is niet zo natuurlijk als hij lijkt, maar wordt hier afdoende verklaard.

    Wat in dit artikel echter niet zo uitgebreid geargumenteerd wordt, is het idee dat het nationalisme bij N-VA zou primeren op het neoliberalisme in plaats van omgekeerd. Hiervoor formuleert Dave Sinardet wel nog een aantal goede argumenten in deze column: http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1520595/2012/10/20/Een-rechts-Belgie-de-angstdroom-van-Bart-De-Wever.dhtml

    Dat de afbraak van sociale stelsels volgens Thomas Decreus op federaal niveau nu het middel zou worden van N-VA tot de afbraak van België, zou eveneens bijkomende argumentatie kunnen gebruiken. Het klinkt zeker aannemelijk, maar waarom koos N-VA dan niet al in 2007 voor een centrum-rechtse regering zonder staatshervorming? En waarom stelde de latere nota-De Wever dan voor om bevoegdheden te splitsen die niet veel te maken hadden met het voeren van een sociaal-economisch beleid? Dit zijn beide argumenten die Sinardet in dezelfde column aanhaalt.

    In het verleden moest N-VA federaal gezien steeds kiezen tussen ofwel mee regeren, ofwel trouw blijven aan de separatistische agenda (en koos het voor dat laatste). Waarom zouden beide keuzes nu plots perfect kunnen samenvallen in een sociaal-economische herstelregering?

  • door RH op zondag 24 november 2013

    Schitterend artikel. Zoals TD zegt, links en flamingant bevordert voor het ogenblik rechts. Niet te vergelijken met bv de tijd van Dolf Daens, toen was er reden tot klagen en het nationalisme ging uit van een minderheid, het was defensief en inclusief. Nu is er geen reden tot klagen en tot flamingantisme, het nationalisme gaat uit van een meerderheid, het is offensief, imperialistisch en exclusief. De 3 nationalistische, reactionaire en neoliberale zusters VB/LDD/N-VA hebben geen programma alleen verzinsels en ze bestaan uitsluitend uit fantasten bv discriminatie van VL door een Franstalige minderheid, het kunstmatige onderscheid tussen WA en VL, de onafhankelijkheid van VL die alle problemen zal oplossen, het democratisch karakter van hun nationalisme.

    Volgens de Leider van N-VA Nieuw Vlaamse Afbraak van Lonen en Sociale Zekerheid: ziekte- pensioen- werkloosheid- ea is er democratie in VL als N-VA de absolute meerderheid haalt want dan regeert het VL volk. Dit is tegengesteld aan democratie als 'Het georganiseerde meningsverschil'. Dan heeft alleen het volk =De Leider recht van spreken niet de burger. Die is ondergeschikt aan het volk. Het volk niet het individu/ de burger is de basis voor de samenleving en voor de staat. Daarom is het nationalisme ook tegen de rechten vd burger vd de verlichting/ 1789 FR revolutie, - vd democratie en vh socialisme. De 3 zusters zijn antiliberaal, antidemocratisch, antisociaal, voor de neoliberale corporatistische antisociale EU politiek en voor een onafhankelijk -soms valselijk confederaal genoemd- VL omdat ze gesteund worden door het Duitse grootkapitaal. Vandaar sedert jaren de slogan: De Duitse Weg. Het grootkapitaal verkiest een verdeeld Europa, Joegoslavië, België dus zwak tov de Grote Multinationale Ondernemingen GMO. De 3 zusters zijn niet conservatief =respect voor het bestaande bij noodzakelijke veranderingen. Ze zijn reactionair, ze willen terug naar het paternalisme van vroeger, naar de sociaal economische verhoudingen vd 19e eeuw, naar het absolutisme vd 18e en naar de eeuwen daarvoor. Als ze iets sociaals voorstellen is dat compensatie zoals het geval was bij dergelijke partijen in het verleden bv in DE. Nationalisme en neoliberalisme hebben veel gemeen en ze werken veelal samen in een corporatistisch verband zoals in Italië, Duitsland DE, Spanje en Portugal in de vorige eeuw en nu voor een groot gedeelte in de VS en de EU. Er is ook een tegenstelling tussen beide zoals TD zegt. DE sloot zich tijdens WO II te veel af vh grootkapitaal en dat is 1 vd redenen en dat de VS zijn gaan deelnemen aan de oorlog tegen DE. Die tegenstelling verklaart ook de haat vh VS grootkapitaal tegen de Sovjet Unie. Nationalisme en neoliberalisme, wat is MIDDEL en wat is DOEL voor de 3 zusters? Beide mogelijkheden zijn juist, ze zijn ook maar elkaars omgekeerde. Volgens een 1e opinie kan de onafhankelijkheid van VL niet zonder de sociale zekerheid ongedaan te maken, dat is 1 vd zaken die WA en VL bindt. Nog sterker, dan ligt de Linkse Waalse PS dwars zodat er vanzelf een scheiding komt in BE. 2e opinie, het neoliberale neemt de overhand bij N-VA, het is van een extreme soort veel erger dan het neoliberalisme van OVLD of de rechtervleugel van CD&V: Wat N-VA propageert is de sociale verhoudingen van de 19e eeuw laisser faire, laisser passer en de staatsstructuren vd 18e van het ancien régime. Maar het neoliberale kan niet ten volle gerealiseerd worden in BE door tegenwerking vd PS dus moet VL eerst onafhankelijk worden. In beide gevallen volgt noodzakelijkerwijs het andere uit het 1e: Uit het nationalisme/ de onafhankelijkheid van VL volgt beslist een neoliberale orde. En het neoliberale is een voorafgaande voorwaarde voor het nationalisme/ de onafhankelijkheid van VL.

  • door Le grand guignol op zondag 24 november 2013

    Het neoliberale, conservatie én nationalistische gedachtegoed vinden elkaar in wat men noemt het "neoliberaal paternalisme". Het neoliberaal paternalisme komt vooral tot uiting bij het beleid ten aanzien van mensen in armoede en werklozen - kortom: uitkeringsgerechtigden - en speelt daarbij gretig in op een racistische, in bepaalde situaties zelfs een nationalistische, onderstroom (Scham, Fording & Soss, 2008; 2009; 2011).

    Mensen in armoede en werklozen hebben hun abominabele sociale situatie en positie in de eerste plaats aan zichzelf te danken. Armoede en werkloosheid worden niet zozeer bekeken als het resultaat van structureel-maatschappelijke knelpunten, dan wel als het gevolg van individuele tekortkomingen: het gebrek aan individuele verantwoordelijkheid, het gebrek aan vaardigheden en het gebrek aan een correcte attitude (bv. arbeidsethos). Het opnemen van een individuele verantwoordelijkheid wordt vertaald naar een moraliserende individualisering van die verantwoordelijkheid (Hache, 2007).

    Binnen een dergelijk referentiekader, dat heden verworden is tot een beleidskader, dienen uitkeringsgerechtigden, al dan niet onder dwang, heropgevoed en gedisciplineerd te worden. Uitkeringstrekkers zijn immers profiteurs die bewust kiezen voor een leven in armoede en werkloosheid. Vandaar dat ze o.a. verplicht moeten worden om voor hun uitkering te werken. Dat iedereen die werkt daarvoor een loon moet krijgen in plaats van een uitkering doet niet ter zake. want uitkeringsgerechtigden die werken in ruil voor een uitkering doen dat in het kader van een heropvoedings- en disciplineringstraject dat beleidsmakers met een eufemisme begeleidingstraject noemen.

    Wanneer we de geschiedenis induiken kunnen we vaststellen dat eenzelfde visie aan de basis lag van de oprichting van de werkhuizen in de achttiende eeuw. Ik zal dit zo kort mogelijk trachten te schetsen aan de hand van de maatschappelijke situatie na de financiële crisis van 1720 in de Nederlanden en bij uitbreiding in Europa.

    In 1720 werd Europa getroffen door een financiële crisis die het gevolg was van een uit de hand gelopen handel in aandelen. De aandelenhandel was ontspoord in ‘windhandel’ omdat er geen sprake meer was van concrete waardepapieren, maar uitsluitend nog van papieren winstverwachtingen waarvoor geen enkele grond was. De instorting van het financiële systeem vertoonde veel gelijkenissen met de crisis van de tulpenhandel – ‘tulpenmanie’ – omstreeks 1630; ook daarbij was er sprake van een zeer omvangrijke ‘windhandel’. Beide speculatiecrises gingen ook toentertijd gepaard met een grote hoeveelheid internationale geschriften en prenten die ageerden tegen de hebzucht, goklust en dwaasheid van de speculanten en aandeelhouders (zie bv.: “Het groote tafereel der dwaasheid”: o.a. “De windhandel of Bubbels compagnien” en “De bedriegelyke Actionist, of De naghthandelaars”). Niettegenstaande de pamfletliteratuur, o.a. met behulp van een kaartspel, alle lagen van de bevolking wist te bereiken, gaf deze slechts aanleiding tot algemene verontwaardiging in plaats van een algemeen verzet. Resultaat: een verpauperde bevolking.

    Omdat de toenmalige stadsbesturen te kampen kregen met een toenemende verpaupering onder hun inwoners waarbij de armenzorg een groot beslag legde op de stedelijke financiën, kwam de toegang tot sociale voorzieningen onder druk te staan. Stadsbesturen besloten om hun publieke voorzieningen te reorganiseren door de bestrijding van armoede te koppelen aan werkverschaffing en tewerkstelling. Hierbij is het discours dat de elite hanteerde opmerkelijk. Ondanks het feit dat de gewone man op geen enkele wijze de oorzaak was van het ontsporen van het financiële systeem, werd hij door de elite wel persoonlijke aansprakelijk gesteld voor de deplorabele toestand waarin hij verkeerde. Maatschappelijke en structurele problemen werden geïndividualiseerd door de oorzaken voor het financieel-economisch falen te verengen tot een gebrek aan individuele verantwoordelijkheid van armen en verpauperde arbeiders. Zij werden omschreven als lui en ongehoorzaam. Sommigen stelden openlijk dat verpauperde arbeiders hun situatie doelbewust in stand hielden om te kunnen blijven teren op de openbare voorzieningen, die overigens in grote mate uit liefdadigheid bestonden. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk aan de hand van een citaat uit een memorie aan het Leidse stadsbestuur ten behoeve van de oprichting van een werkhuis:

    “Als men eens reflectie neemt op het uijtterlijk weesen en lighaam vermoogens van haar lighaamen, die toonen een luijen aard, want met sulke geringe speijze voeden als zij maar leedig cunne gaan, want kennen geene ten minste verpligting wie moeten gehoorsaamen” (Leiden, 1763).

    [Vertaling: “Als we eens kijken naar het uiterlijk voorkomen en de lichamelijk vermogens van ‘haar lighaamen’ (i.e., werklozen, armen en bedelaars), dan tonen die een luie aard, omdat ze zich met zulke geringe spijzen voeden opdat ze ledig kunnen gaan, want ze kennen niet de minste verplichting om te gehoorzamen”]

    Volgens de auteur kiezen armen en werklozen welbewust voor ondervoeding om zich in hun bestaan van ledigheid te kunnen nestelen en zich op die manier te kunnen onttrekken aan hun morele plicht te gehoorzamen. Het beeld van de luie, profiterende arme en werkloze, dat op zeer korte tijd ingang vond bij alle lagen van de bevolking, lag aan de basis van de oprichting van de werkhuizen in de 18e eeuw – toentertijd bestonden er blijkbaar ook al hangmatten van waaruit armen en werklozen met volle teugen konden genieten van de hoorn des overvloeds: een aalmoes.

    In werkhuizen werd het arbeidsethos van armen en werklozen bijgespijkerd, want de gemankeerde arbeidsmoraal was immers dé oorzaak van de armoedeproblematiek alsook van de erbarmelijke financiële en economische toestand waarin de steden zich bevonden. Armoede en werkloosheid werden niet gezien als het resultaat van een falend financieel-economisch systeem, maar wel als een gevolg van het verval van morele waarden bij het meest achtergestelde deel van de bevolking. [Terzijde: vergelijk De Wevers “Werkbare waarden”]

    Enkel personen die niet konden werken als een gevolg van jeugd, ouderdom of lichamelijk gebrek, mochten zonder meer een beroep doen op bijstand. Hierdoor ontstond er een tweedeling tussen de ‘verdienende’ en ‘onverdienende’ armen; of nog: tussen diegenen die niet-productief konden zijn en diegenen die er doelbewust voor kozen onproductief te zijn, de werkweigeraars of leeggangers. Deze laatste categorie moest, al dan niet via internering, verplicht worden om arbeid te verrichten, doorgaans onder erbarmelijke omstandigheden. Zie bijvoorbeeld het ontstaan van pomphuizen waar zogenaamde werkweigeraars letterlijk verplicht werden om te kiezen tussen pompen of verzuipen. De werkhuizen hadden een penitentiair karakter aangezien de armen permanent gecontroleerd werden en onder dwang verplicht werden om arbeid te verrichten.

    Het reële inkomen van de werkende bevolking daalde gedurende de tweede helft van de 18e eeuw. De levensstandaard van de werkende bevolking werd bovendien nog meer aangetast vanwege sterke prijsstijgingen. De verslechterende economische situatie in de tweede helft van de 18e eeuw en de daarmee groeiende verpaupering leidde in veel steden tot een vernieuwing of verscherping van de bestaande wetgeving. Dergelijke wetgeving voorzag in uitwijzing of verbanning van vreemdelingen en in een alsmaar toenemende opsluiting van ingezetenen. In de werkhuizen kon werkweigering leiden tot kastijding, want niemand werd toegestaan “zijn tijd in luyheid door te brengen”.

    De vooropgestelde doelstelling, re-integratie van ‘werkonwilligen’ in de maatschappij, werd echter niet bereikt. Het tegendeel was waar: in werkhuizen werden ‘werkonwilligen’ gedisciplineerd en onder de knoet gehouden en tegelijkertijd zorgden werkhuizen ervoor dat de ongewenste en bedreigende excessen van armoede uit het straatbeeld verdwenen. In plaats van armoede en werkloosheid werden de armen en werklozen aangepakt, wat uiteraard niet kon verhinderen dat beide maatschappelijke problemen bleven voortbestaan. Zelfs integendeel.

    Op pagina 27 van haar congrestekst pleit N-VA voor de oprichting van - hou u vast - Het Werkhuis, een instantie die instaat “voor zowel de uitkeringen en de controle als het activeren en re-integreren op de arbeidsmarkt van werklozen en arbeidsongeschikten”. [Terzijde: sinds de oprichting van onze Sociale Zekerheid zullen zowel vakbonden als mutualiteiten geweerd worden uit de beheersorganen van die Sociale Zekerheid.] De N-VA maakt ‘promotie’ voor Het Werkhuis onder de slogan “Verantwoordelijkheid belonen”.

    Ja, mijnheer Decreus: de geschiedenis herhaalt zich, maar nooit op krek dezelfde manier.

    * Hache, E. (2007). La responsabilité, une technique de gouvernementalité néolibérale? Raisons politiques, (28), 49-65. doi: 10.3917/rai.028.0049 * Schram, S. F., Fording, R. C., & Soss, J. (2008). Neo-liberal poverty governance: Race, place and the punitive turn in US welfare policy. Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 1(1), 17-36. doi: 10.1093/cjres/rsm001 * Schram, S. F., Fording, R. C., & Soss, J. (2009). Governing the poor: The rise of the neoliberal paternalist state. Paper prepared for presentation at the 2009 Annual Meeting of the American Political Science Association, Toronto, Canada. Retrieved from http://ssrn.com/abstract=1449997 * Soss, J., Fording, R. C., & Schram, S. F. (2011). Disciplining the poor: Neoliberal paternalism and the persistent power of race. Chicago, US: The University of Chicago Press. [ http://press.uchicago.edu/ucp/books/book/chicago/D/bo12120768.html ]

  • door RH op maandag 25 november 2013

    A/ Zoals door TD en GG gezegd: De geschiedenis herhaalt zich maar nooit op dezelfde manier. Dat geldt voor armoede en werkloosheid maar ook voor de reactie vd samenleving daarop en voor hun discours.

    B/ Uitbreiding. De houding vd bestuurders nl valse beschuldigingen, vernedering, uitsluiting en dwang tov armen en werklozen tast de hele maatschappij aan. Gaande weg wordt zoiets bon ton en toegepast op andere groepen. Het gevaar vh doorsijpelen in de maatschappij van een negatieve houding tov armen en werklozen geldt ook voor een gelijkaardige houding tov immigranten, vreemdelingen, gevangenen, verdachten, gecolloqueerden, anderszijnden te meer omdat de meeste mensen zich niet echt met die groepen verbonden voelen en van mening zijn dat wat die personen treft, hen nooit zal gebeuren.

    C/ Over 100 jaar. In een periode van minder dan 100 jaar zullen wereldwijd de meeste goederen geproduceerd worden door automatisering en zullen de meesten werkloos zijn als het werk niet verdeeld wordt. Zal dan iedereen door de bestuurders behandeld worden als een leegganger? Vrije tijd is dan geen zegen.

    D/ Basisinkomen. Er wordt her en der bv in Zwitserland gesproken van een Onvoorwaardelijk BasisInkomen OBI. Belangrijk want daardoor is een gedeelte vh inkomen van werknemers vast en worden ze mobieler in de economie. Cfr VS, GB, Zweden, in de genoemde richting mobieler en - meer job zekerheid. Als dat OBI leefbaar is zal het gebeuren dat mensen bv jongere niet werken. Moeten die dan ook dwangarbeid verrichten, alhoewel het OBI onvoorwaardelijk is? Het OBI lijkt het absolute tegengestelde te zijn van wat de neoliberale elite wil.

  • door jaak Peeters op zondag 8 december 2013

    Ik wil op deze bijdrage twee elementen aanbrengen als reactie: a) over de verhouding links - Vlaams nationalisme heb ik pas in mijn eigen weblogreeks een stuk geschreven: "Op zoek naar zichzelf", in www.doorstroming.net. Wie dat leest zal wellicht tot een genuanceerder antwoord komen dan wat hier gesteld wordt. Terloops: ik ben nationaal medestichter van N-VA. b) hebt U Van Overtvelt al eens persoonlijk horen spreken? Ik dus wel! Hij is niet te spreken over de liberaal-kapitalistische EU, die volgens hem miljoenen Grieken in de armoede duwt. Dat zijn geen woorden van een rechtse hardliner, maar van iemand die best wel sociaal besef heeft. Van Overtvelt is een econoom, voor wie de wiskunde beslissende antwoorden geeft. Hij wil dat logische en doeltreffende maatregelen worden genomen en dat vereist volgens hem het toepassen van de wiskundige wetmatigheden. Op de langere termijn is dat ook voor gewone mensen de beste aanpak. Ik denk dat hij daar voluit gelijk in heeft. Wat is daar mis mee? Ik zou graag zien dat critici zich eerst informeren en pas dan iemand de mantel uitvegen omdat hij of zij standpunten zou innemen waarmee men het niet eens is.

  • door Oscar2 op zondag 15 december 2013

    Bar De Wever, Homans, Van Overveldt, ... en zovelen van NVA waren slechts hardwerkende kinderen uit alle behalve weelderige gezinnen, dit in tegenstelling tot Tobback, Vandenbossche, ... en zovele rijkeluiskinderen van zogenaamde linksen. Werken en inzet tegenover profitariaat noemen sommigen neo-liberaal. En ja de extreem rijke Verhofstadt, waarvan niemand weet waar hij zijn gigantische rijkdom vandaan haalde wordt door Tobback als een socialist bestempeld. Wie is nu eigenlijk echt links?

  • door Abrimont op zondag 22 december 2013

    een bijzonder goed stuk ! Thomas Decreus bewijst hier nogmaals zijn voortreffelijk diepgaand inzicht. Hij is overduidelijk een tegenstander van het neo-liberalisme, maar in tegenstelling tot velen anderen die dit ook zijn, vervalt hij niet in sloganesk simplisme. Zijn analyses, zoals wederom ook deze, blijven zeer alert, sterk opgebouwd en intellectueel eerlijk. Onder meer zijn opsplitsing van conservatisme, nationalisme en neoliberalisme is zeer gevat, alsook de wisselwerking ertussen. Te velen doen de moeite niet om dit te doen en begaan daarmee op analytisch vlak grote fouten door alles gemakkelijkheidshalve onder één enkele noemer te plaatsen. Thomas niet, daarom beschouw ik hem als één van de voornaamste belgische intellectuelen van het moment, hij overklast heel wat zogehete links-prominetere figuren met ruime mate.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties