Publicatiedruk, werkdruk ... welke wetenschap en universiteit willen we voor die vermeende kennismaatschappij (foto hansadutta.com)
Opinie, Nieuws, Samenleving, Politiek, België, Universiteit, Publicatiedruk, Academisch onderwijs, Academisch onderzoek - EricCorijn

Voor een grondig debat over de universiteit

Cultuurfilosoof, sociaal wetenschapper Eric Corijn pleit voor een grondig debat over de universiteit, naar aanleiding van de recente discussie over academische publicatiedruk. Het gaat volgens hem over veel meer, over werkdruk, personeel, financiering, structuren en over de vraag welke wetenschap en universiteit we willen.

zaterdag 24 augustus 2013 13:30

Het is opmerkelijk dat het verweer in het debat enerzijds komt van André Oosterlinck, de supermanager die aan de basis ligt van de universitaire bedrijfslogica en anderzijds van enkele natuurwetenschappers op een zeer specifiek onderzoeksterrein.

Ze worden bijgetreden door bepaalde wetenschapsfilosofen Wat opvalt in dat kamp is de ideologie van “wereldtop”, “topprestaties”, “excellentie”, “internationale competitie”…  En het pleidooi voor hard werken, stevige productie en een competitieve instelling. Een visie dus.

Het is al te makkelijk het huidige verzet af te doen als het “luie” kamp, dat nostalgisch zou zijn naar een  ondoorzichtig verleden. Nog een andere manier om het debat te ontwijken is het huidige systeem als de enige vorm van controle en vergelijking voor te stellen. Of nog door het verband tussen publicatiedruk, interne competitie, fraude en financiering gewoon te ontkennen.

Gelukkig lijken dat vandaag achterhoedegevechten en is men over het algemeen gevoelig voor de frustratie en het verzet. Laten we dus nog eens duidelijk aangeven welke agenda hier wordt geopend.

Het gaat over “werkomstandigheden”, dummie …

De petitie herleiden tot een verzet tegen de “publicatiedruk” is een verenging. De oproep stelt:” De werkdruk en concurrentie worden zowel voor professoren als voor jonge onderzoekers stilaan onhoudbaar, en de eenzijdige focus op kwantiteit ten nadele van kwaliteit neemt stilaan absurde proporties aan.” Het gaat dus in de eerste plaats om werkdruk en werkomstandigheden.

Dat verwijst naar het basisprincipe zelf van de financieringswet. Er wordt niet of te weinig voorzien om het werk te doen, er wordt vooral betaald voor output. In feite wordt het uurloon van de fabrieksarbeider vervangen door stukloon.

De universiteiten zijn zelfstandige organisaties die geld krijgen voor hun productie. Dat gebeurt in een competitie tussen instellingen om schaarse middelen die zelf nauwelijks  groeien:  dus meer output betekent niet dat je meer geld krijgt,  wel dat de pot anders wordt verdeeld.

Groei is niet voldoende, je moet meer groeien dan de buur, anders verlies je eraan! Groeicompetitie dus. Wat moet er groeien? Niet zozeer de input, wel de “output”. En dat is ”aantal diploma’s” en “aantal onderzoeksresultaten”. En binnenshuis wordt dat nog eens verrekend in Euro’s.

Het gaat dus om aantallen afgestudeerde studenten, aantallen doctoraten en dat aan de laagste prijs. Dus ook: aantallen op de kortste tijd en ,wat het onderzoek betreft, liefst niet met een loon maar als beursstudent.

De meeste onderzoekers zijn dus onderzoekers in opleiding. Er is (veel te) weinig geld voor ervaren onderzoekers. Dat alles gebeurt onder een grote tijdsdruk. Dat betekent dat men steeds meer gaat voor modulair resultaatsgericht onderwijs, het behalen van “credits” staat voor “opleiding”. En voor het uitvoeren van een deeltje van een lopend onderzoeksprogramma, dan wel voor het creatief uitwerken van een nieuw vraagstuk.

Er is geen tijd meer voor risico’s. Het gaat dus niet alleen om “publiceren” maar om “snel” publiceren. (Al voor het doctoraat wordt verdedigd moeten er internationale publicaties zijn!). Terwijl anderzijds vele onderzoekscontracten wel een (soms geheime) rapportering willen, maar geen tijd voorzien voor artikels.

Paradoxaal genoeg is er dus te weinig geld om de hype over de topcompetitie in stand te houden, tenzij bedrijven of overheid geïnteresseerd en zeer selectief bijspringen in bepaalde domeinen.  Het belangrijke punt is dus de discussie over werklast en over personeelsformatie.

Dat gaat over financiering, over kader en omkadering, over profielen van werknemers (is het wel verantwoord het gros van et onderzoek te laten doen door onderzoekers in opleiding?), over loopbaanperspectieven, enz. Daarover moeten actiecomité en vakbonden nu een zeer concreet eisenbundel opstellen.

… en het gaat over een zeer enge wetenschapsopvatting

Die discussie wordt doorkruist door een debat over wat een goede wetenschapper moet zijn en moet doen en hoe je talent meet. Daar heeft er zich de laatste jaren , parallel aan de outputfinanciering , een bepaalde opvatting, vooral voortkomend uit de positieve en technologische wetenschappen opgedrongen. Dat creëert een zeer eenzijdig beeld van wat goede wetenschap is en hoe die moet worden beoordeeld.

Hier gaat het over “ontdekkingen” gepubliceerd in vakbladen, “toptijdschriften” genoemd, vermeld in een private Amerikaanse website: the web of knowledge. Wie selecteert die publicaties? De wetenschappelijke tijdschriften, die de teksten anoniem laten nalezen door hun reviewers, die dan kritiek geven en veranderingen vragen en na enkele rondes al dan niet een ja-woord geven.

Dat duurt lang en je doet er alles aan om de reviewers ter wille te zijn en toe te geven. En dan kom je in een duur tijdschrift terecht, soms te duur om nog in de universiteitsbibliotheek te staan. Of het kan ook via “open source”, publiek toegankelijke bronnen, maar daar moet je dan zelf enkele duizenden Euro’s voor betalen.

En vermits het beleid er vooral “veel” wil, zorg je ervoor elke vondst apart te publiceren en vooral ook collega’s als “auteur” te vermelden. Die geven je dat dan terug op hun publicaties 

Zo heb je soms teksten van 2 pagina’s met  25 auteurs die dat allemaal op hun CV kunnen zetten. Binnenshuis wordt je eigen werk dan vergeleken met die publicatiefabrieken, de topsporters van Nature en Science of de “vedetten” van het vele geld. Maar “veel” is niet genoeg. Je moet ook veel gelezen worden.

Het aantal keren dat je naam vermeld wordt in andere artikels staat dan in de Science citation index. Aantal keren. Het doet er niet toe of dat goedkeurend of afkeurend is, of dat gaat om een sterk argument of een enkel cijfer, of of dat gewoon in de routine van een groep bekende collega’s zit.

En tenslotte is er de impactfactor, het soort tijdschrift waaruit veel geciteerd wordt, het aantal artikels dat een aantal keren is geciteerd… Binnenshuis, voor bevorderingen of aanwervingen, weet men allang niet meer waarover het precies gaat, maar vergelijkt men h-indexen ! (De Hirsch-index voor “carrière-impact” werd in 2005 uitgewerkt en nu berekend door Thomson-Reuters. De berekeningen van Google Scolar of Elsevier geven dan weer andere resultaten, zodat ook hier alweer een wazige indicator ontstaat.) En men blijft beweren dat dat over kwaliteit gaat.

En vanuit die stelling erkent men wel dat andere activiteiten ook belangrijk zijn en moeten worden geëvalueerd. Onderwijs, vulgarisering, opiniëring zijn wel belangrijke opdrachten, maar worden niet tot de “wetenschap” gerekend, zouden niet behoren tot je opdracht “als wetenschapper”.

Achter dat systeem zitten een aantal (foute) veronderstellingen. Relevante wetenschap wordt herleid tot een citatennetwerk binnen vakgebieden. Het komt er dus op aan door een groep collega’s in bepaalde tijdschriften vermeld te worden.. Zelden is alleen “goed zijn” daarvoor genoeg. Het is ook een zaak van netwerking.

Dan is er de opvatting dat zo’n selectiemechanisme ervoor zorgt dat alleen kwaliteitsvolle kennis wordt gepubliceerd. Niet dus. De recente fraudegevallen werden ontdekt door medewerkers en niet door het reviewsysteem.

De in Tilburg voor fraude afgedankte decaan, sociaal psycholoog, Diederik Stapel , die zijn onderzoeksgegevens gewoon verzon, had 143 wetenschappelijke toppublicaties waarvan er 55 op verzinsels zijn gebaseerd en nog eens 10 op twijfelachtige gegevens.!  Zo stelde de onderzoekscommissie-Levelt vast.

Het systeem leidt dus niet tot verzekerde kwaliteit of een meer betrouwbare kennis. En dus moet wel degelijk de vraag gesteld worden of het klassieke wetenschappelijk artikel wel het enige zaligmakende format is. Ik leg ter discussie: het huidige meetsysteem is niet waterdicht, de indexen geven geen verzekerde indicatie over de kwaliteit van de kennis! 

En meer nog: die kwaliteitsmeting verbeteren vereist net een verbreding van het “reviewsysteem”, vereist een andere vorm van maatschappelijke controle. Daarover dadelijk meer.

Aan de verdedigers van het huidige financieringsmodel en evaluatiesysteem, die het met onze kritiek niet eens zijn, zeg ik alvast: wees dan tenminste consequent met de eigen logica. Als men ja zegt aan de huidige financieringswet, dan moet men de eigen principes ook consequent doortrekken op tenminste drie vlakken:

Ten eerste moet bij een groeiende output ook de totale financiering groeien. Ten tweede moet het selectiesysteem zelf transparant, gecontroleerd en geprofessionaliseerd worden: betaalde reviewers met tijd, logistieke steun bij Engelstalige publicaties, audits en visitaties ook voor tijdschriften, uitgeverijen, indexen en websites, ze uit handen van private belangen houden, eenzijdige Shangai-rankings onvermeld laten, onderzoeksvisitaties organiseren, bij reviews ook databases controleren, enz. 

Ik beweer dat de fouten in het systeem ( gepubliceerde fraude, slodderwetenschap, auteursproliferatie, niet gestandardiseerde review, enz) geen toevallige uitzonderingen zijn, maar fouten in het bouwpakket. Vandaag gebruikt men grote woorden om indexen en rankings te verdedigen, terwijl men werkt met een onderbetaalde amateuristische, geprivatiseerde commerciële logica en met een enveloppefinanciering, die zorgen voor een stevige scheeftrekking. En tenslotte moet men zeer duidelijk zijn over het verband tussen een top-onderzoeker en een academicus.

En nu we toch bezig zijn: laten we het dan ook eens hebben over de achterhaalde organisatie van de universiteit in disciplines en faculteiten, of over het gebrek aan inter- of transdisciplinaire projecten, over de ouderwetse organisatie van de commissies van het FWO (Fonds voor Wetenschappelijk onderzoek) , over de simplistische kennistheoretische aannames of het gebrek aan onderzoeksopzet in vele onderzoekspraktijken …

De arrogantie van sommige “topwetenschap” wijst veelal eerder op een concurrentiëel rookgordijn dan wel een echt kwaliteitsverschil. En af en toe moet men inzien dat er een verschil bestaat tussen het publiceren van een onderzoeksprotocol  en het uitschrijven van een doorwrocht argument.

Gaan voor een brede universiteit

Moeten alle uniefs trouwens zo nodig in alle vakgebieden alleen de bergritten rijden? En zijn die zogenaamde topcoureurs ook de besten om wetenschappelijk –jazeker “wetenschappelijk”- onderwijs te geven ( en dat is wat anders dan handboeken gebruiken) of  vanuit de wetenschap deel te nemen aan het maatschappelijke debat ( en dat is wat anders dan een mening hebben)?

Er wordt vanuit de R&D (Research& Development) dominantie opvallend weinig over onderwijs gezegd. Hoe ziet men het verband tussen onderzoek en onderwijs precies vanuit die topsportvisie op wetenschap? (Meestal als een vervelende bijjob!)

Gaat het echt om afgeleide kwaliteiten, naast de “echte” wetenschap?  Ik denk van niet.

Ik denk dat wetenschap om meer gaat dan om  vondsten en ontdekkingen. Het is er toch om te doen zinvolle en betrouwbare kennis te produceren over relevante vragen. En goede vraagstellingen zijn contextgevoelig. En voor sommige vragen zijn de collega’s niet noodzakelijk de beste context.  En net daarom moeten we terugkeren naar een meer gemengd evaluatiesysteem.

Ik ben voorstander van een publicatiedruk, maar dan wel een communicatie in verschillende en aangepaste media en niet alleen naar de incrowd van de paar experten in het eigen vakgebied. (Trouwens, ik daag mijn collega’s uit te beweren dat ze echt de uit de pan swingende wetenschappelijke literatuur opvolgen. Zijn die duizenden A1 publicaties echt wel allemaal lezenswaardig? En zo ja, wie leest er dan ook de krant? ).

Elk wetenschapper moet m.i. zowel publiceren in tijdschriften als in boeken, rapporten, essays en opiniebijdragen. Want het gaat immers niet alleen om gespecialiseerde feitenkennis, het gaat ook om argumenten en redeneringen, om ontwerpen, plannen en producten.

Het gaat niet alleen over weten, maar over kennis. Over zinvolle kennis moeten niet alleen collega-“vakidioten”  oordelen, maar ook geïnteresseerde betrokkenen. Zo wordt goede wijn niet alleen door de telers bepaald, maar vooral door “wijnkenners”.  En het huidig systeem bevoordeelt niet alleen de snelle succeszoekers, in de harde wetenschappen, maar de vergelijkende “impactfactor” gaat helemaal niet over maatschappelijke relevantie of over contextgevoeligheid.

Laten we daarover eens een debat opzetten. Over de contextgevoeligheid van waardevolle kennis. Over de noodzaak tot kwalitatieve selectieprocessen, gebaseerd ook op particuliere keuzes en argumenten, over de verantwoordelijkheid onderzoek en valorisatie in context en niet alleen in laboratoria te denken, enz.

De universiteit moet er vooral voor zorgen de diversiteit van wetenschapsopvattingen  en –praktijken in stand te houden en niet te doen – wat teveel wetenschappers dagelijks doen! – alsof alleen een laboratoriumproef gepubliceerd in Nature echte wetenschap is en al de rest essayistiek en journalistiek.

En daarvoor is het noodzakelijk de monomaniakale bedrijfslogica, de Oosterlinckideologie,  zelf te herzien. En dan hebben we nood aan een goed maatschappelijk gesprek over de kennismaatschappij, een echte discussie over de natuur van de wetenschap, een overleg over welke kennis er op welke wijze moet worden geproduceerd, over welke beoordelingscriteria gelden, over de beste academische profielen, enz .

Zoals in de wielersport staat nu ook de geloofwaardigheid van het wetenschapsbedrijf zelf op de agenda. En zoals voor de kunst moet vrijheid en onafhankelijkheid  wel een maatschappelijke legitimiteit hebben. Er is zeker productiviteit en kwaliteitscontrole nodig , maar veel minder kwantiteitscompetitie en financiële bedrijfslogica.

En laten we het dan maar eens hebben over wat relevante kennis juist inhoudt. En of de belangrijkste maatschappelijke vragen ook inderdaad op de universitaire onderzoeksagenda’s staan. En dat is niet alleen een vraag voor de onderzoekers zelf, maar ook voor politiek en middenveld.

Voor mij staan er dus drie punten op de agenda:

  1. werkdruk, personeel en financiering: overheid en beleid creëren verwachtingen waarvoor ze niet betalen (Frank Vandenbroecke heeft hier gelijk);
  2. wat zijn de structurele tekortkomingen van het huidige systeem ?( zie de uitgebreide kritische literatuur over de reële werking van het wetenschapsbedrijf);
  3. welke wetenschap en universiteit willen we voor die vermeende kennismaatschappij? 

Om dat debat te voeden hebben we al een jaar geleden het Slow Science Manifesto op de website geplaatst en is er nu gelukkig de Actiegroep Hoger Onderwijs.

Eric Corijn

De auteur was eerst marinebioloog, dan cultuurfilosoof en sociaal wetenschapper, hoogleraar VUB.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!