Anti-regeringsbetoging in Irak (2012)
Nieuws, Wereld, Politiek, Tmd, Analyse - Dirkadriaensens

Na de doelbewuste vernietiging van Irak, een lente?

Het boek 'Het Midden-Oosten. The times they are a-changin' geeft een boeiend overzicht van de Arabische Lente. Ook de Iraakse bevolking houdt voortdurend manifestaties die niet moeten onderdoen voor Tahrir Square. Dirk Adriaensens legt uit waarom de Irakezen de tienjarige oorlog als een bezetting zien. Exclusief voor De WereldMorgen.be biedt uitgeverij EPO dit hoofdstuk uit het boek aan.

woensdag 13 maart 2013 10:00

EPO biedt dit hoofdstuk uit het boek ‘Het Midden-Oosten. The times they are a-changin’ exclsuief aan voor de lezers van DeWeredlMorgen.be. Je kan dit lezenswaardige boek bestellen in de webshop via deze link.

Na de doelbewuste vernietiging van Irak, een lente?

De opstanden in Tunesië en Egypte van december 2010 tot januari 2011 inspireerden ook de Irakezen om massaal op straat te komen. De eerste demonstratie vond plaats op 30 januari met twee marsen in Bagdad. De Irakezen kwamen op straat om hun solidariteit te betuigen aan de demonstranten in Egypte, maar ze formuleerden ook hun eigen eisen. Zij riepen op tot beter bestuur, adequatere dienstverlening en grotere veiligheid. Sinds februari 2011 werden in veel Iraakse steden dagelijks demonstraties en protesten georganiseerd. In de reguliere pers werd er nauwelijks over bericht, maar ook in Irak woedt de Arabische Lente. De ‘Iraakse Lente’ is echter pas ten volle te begrijpen in de context van de vernietigingsoorlog die in 2003 door de VS en Groot-Brittannië werd gelanceerd.

Enkele dagen na de verwoestende aanslagen van 9/11 verklaarde viceminister van Defensie Paul Wolfowitz dat ‘het beëindigen van landen die het terrorisme steunen’[1] een belangrijk aandachtspunt van het Amerikaanse buitenlandse beleid zou worden. Irak werd bestempeld als een ‘terroristische staat’ die rijp was voor ‘beëindiging’, en president Bush duidde Irak aan als de frontlinie van de wereldwijde oorlog tegen terreur. Amerikaanse troepen vielen Irak binnen met de uitdrukkelijke bedoeling om de Iraakse staat te ontmantelen. Sinds de dekolonisatie ging heel veel aandacht uit naar de opbouw van staten en naties en naar het opstellen van ontwikkelingsmodellen. Tot nu toe is daarentegen maar weinig geschreven over staatsvernietiging en de-development. Na negen jaar oorlog en bezetting, en na de zogenaamde ‘terugtrekking’ van de VS-gevechtstroepen uit Irak kunnen we nu met grote zekerheid stellen dat de vernietiging van de Iraakse staat een bewuste doelstelling van het beleid van de VS was.[2]

De werkelijke redenen voor de illegale invasie en bezetting van Irak 

In de aanloop naar de invasie van Irak in 2003 werden verschillende redenen gegeven om de invasie te legitimeren, redenen die achteraf allemaal ongegrond bleken. In tegenstelling tot de verklaringen van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in de VN-Veiligheidsraad in februari 2003,[3] had Irak helemaal geen nucleaire, chemische of biologische massavernietigingswapens: ‘We conclude that the Intelligence Community was dead wrong in almost all of its pre-war judgments about Iraq’s weapons of mass destruction.’[4] Er was evenmin een link met Al Qaida. Een rapport van de Amerikaanse Senaat maakte op 8 september 2006 eindelijk brandhout van de beweringen over banden tussen Saddam Hoessein en dit terroristische netwerk.[5] Ten slotte werd gezegd dat de oorlog democratie in Irak zou brengen, een voorbeeld voor het ganse Midden-Oosten. Zoals Tony Blair aangaf in het Britse Chilcot-onderzoek,[6] was de afzetting van dictator Saddam Hoessein de belangrijkste reden om het land binnen te vallen.[7]

Samengevat ging het om een illegale aanvalsoorlog aangezien de VN-Veiligheidsraad nooit haar goedkeuring had gegeven. De invasie viel evenmin onder de noemer ‘zelfverdediging’ volgens hoofdstuk 7 van het VN-charter: Irak had de VS niet aangevallen en vormde ook geen acuut gevaar. Vooraanstaande internationale persoonlijkheden, gezagsdragers en juristen hebben die visie zeer duidelijk uitgesproken. Voormalig VN-secretaris Kofi Annan[8] en hoofd van de VN-wapeninspectiecommissie Hans Blix[9] verklaarden beiden openlijk dat de Iraakse invasie illegaal was volgens het internationaal recht.

Het is duidelijk dat andere redenen een doorslaggevende rol speelden. Een cruciale reden was het garanderen en bevorderen van de veiligheid en de regionale aspiraties van Israël. De lezing van Avi Dichter, voormalig Israëlisch minister van Veiligheid, in september 2008 in het Onderzoeksinstituut van de Israëlische Nationale Veiligheid over de Israëlische rol in Irak was dan ook veelzeggend:

‘We hebben in Irak meer bereikt dan we verwacht of gepland hadden. (…) Irak neutraliseren was van het grootste strategische belang voor de veiligheid van Israël (…) De militaire macht van Irak werd gebroken, en onze strategische optie is nu om het land verdeeld te houden. (…) Onze strategische doelstelling blijft om te voorkomen dat Irak terug een regionale macht zou worden.’[10]

Ook strategische economische en geopolitieke redenen speelden mee. De bedreiging die Irak na het opheffen van de economische sancties zou vormen voor de Amerikaanse hegemonie, moest worden geëlimineerd. Het VS-imperium, dat geworteld is in de plundering van de derde wereld, heeft miljarden dollars van die derde wereld naar het Westen en zijn bondgenoten doen vloeien via de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldhandelsorganisatie en vrije handelsovereenkomsten. Een onafhankelijk Irak dat vrij zou zijn om zijn eigen olie ongehinderd te verhandelen, had het potentieel om de bijzondere band tussen de VS en Saoedi-Arabië te verstoren. De Saoedische financiering van de Amerikaanse economie via petrodollars is net een van de sleutels voor de Amerikaanse wereldhegemonie. Vanwege van zijn dominante status als olieproducent kan de Saoedische staat in samenwerking met de Amerikanen de olieprijzen bepalen en de landen in de regio onder controle houden.

Het verwerven van de controle over de oliereserves speelde zeker mee als motief voor de oorlog.[11]Aan de vooravond van de invasie werd aangenomen dat – behalve Saoedi-Arabië – Irak ’s werelds grootste oliereserves had: ruim 112 miljard vaten, of 11% van het wereldtotaal. Bovendien schatte het Amerikaanse Department of Energy dat Irak tot 220 miljard vaten in onontdekte reserves zou hebben. Daardoor was het totale Iraakse potentieel voldoende om Amerika gedurende 98 jaar van olie te voorzien. De gecombineerde cijfers zouden de Saoedi-Arabische reserves van 260 miljard vaten overtreffen, en het land dus in een vergelijkbare positie als de Saoedi’s plaatsen: Irak zou de olieprijzen op de wereldmarkt kunnen beïnvloeden.[12]

In de jaren 1990 hadden Frankrijk en Rusland overeenkomsten gesloten met Irak om na het opheffen van de sancties de Iraakse olie te ontginnen. Als die contracten zouden worden uitgevoerd, zouden Total, Fina en Elf de exclusieve rechten verkrijgen om de Majnoon- en Bin Umar-olieregio’s te ontwikkelen, een deal ter waarde van 7 miljard Amerikaanse dollar. Een Russisch consortium onder leiding van Lukoil zou de exclusieve rechten bekomen om de enorme West-Qurna-olievelden in het zuiden van Irak, geraamd op 70 miljard vaten of ongeveer de helft van de Iraakse reserves, te ontwikkelen. Ook het Australische BHP onderhandelde met de regering van Saddam Hoessein om na de sancties het Halfayeh-olieveld te ontwikkelen. De waarde van het totaal van deze contracten werd op lange termijn geraamd op 1,1 biljoen Amerikaanse dollar.

De VS werd dus uitgesloten van de toekomstige lucratieve ontwikkeling van ’s werelds op een na grootste bewezen oliereserves. Dit verklaart waarom de VS de sancties tegen Irak per se wilden in stand houden, ongeacht of Irak de VN-resoluties al dan niet naleefde. De sancties garandeerden immers dat niemand – vooralsnog – toegang tot de Iraakse olie had. Door de afgesloten voorakkoorden zou het beëindigen van het embargo daarentegen betekenen dat de Verenigde Staten de strijd om de Iraakse olie zouden verliezen. Die context vormde precies ook een van de centrale redenen waarom in de aanloop van de invasie Frankrijk en Rusland in 2003 in de VN weigerden om militaire actie tegen Irak te ondersteunen.

Mohammed El Baradei, voormalig directeur van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA), stelt dan ook onomwonden:
‘Zeker, er zijn dictators, maar bent u bereid om een miljoen onschuldige burgers op te offeren telkens u zich van een dictator wil ontdoen? Alle indicaties in het Chilcot-onderzoek wijzen erop dat het in Irak niet echt ging over massavernietigingswapens, maar over de verandering van het regime, en ik blijf dezelfde vraag stellen: waar vind je het concept regime change terug in het internationaal recht? En als de inval van Irak een schending van het internationaal recht is, wie draagt dan de verantwoordelijkheid? (…) De politiek van het Westen ten aanzien van dit deel van de wereld is in mijn ogen een volledige mislukking. Het is niet gebaseerd op dialoog, begrip, ondersteuning van het maatschappelijke middenveld en de empowerment van personen, maar het is gebaseerd op het ondersteunen van autoritaire regimes zolang de olie maar blijft stromen.’[13]

Niet alleen de olie op zich was belangrijk, maar ook de daaraan verbonden bescherming van de dollar als internationaal betaalmiddel. In 2001 had Saddam Hoessein geëist dat de Iraakse olie in het kader van het olie-voor-voedsel-programma in euro zou worden betaald. De koers van de Europese munt steeg daardoor op één dag met maar liefst 3%.[14] Richard Benson, analist van Citibank en Chase Manhattan, verklaart daarover:

‘In de echte wereld … is de enige factor die ten grondslag ligt aan de Amerikaanse welvaart, het behoud van de dollar als wereldreservemunt. Dit kan alleen worden gedaan als de olieproducerende landen de olieprijs in dollars houden, en al hun valutareserves in dollaractiva. De uiteindelijke nagel aan de doodskist van Saddam Hoessein was zijn beslissing om te starten met de verkoop van olie voor euro’s.’.[15]

De dollar als internationale handelsmunt is essentieel voor de VS om hun status van supermacht te behouden. Dit is op zich helemaal niet nieuw. In plaats van te proberen om het olie-embargo in 1973 en de daaropvolgende prijsschokken te voorkomen hebben toenmalig president Richard Nixon en minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger de oliecrisis gemanipuleerd om de Amerikaanse dominantie te consolideren. Kissinger onderhandelde geheime deals zodat de toename van Saoedische olie-inkomsten ten goede zou komen aan Amerikaanse en Britse banken. Daardoor werden alle landen in de wereld verplicht hun muntreserves in dollars te verviervoudigen om olie te kunnen aankopen, wat dan weer een bijzonder gunstige invloed op de waarde van de dollar had. Die dollar was eerder onder zware druk komen te staan door de Vietnamoorlog die onbetaalbaar was geworden. Daarom besliste de VS in 1971 om de goudstandaard te verlaten en de waarde van de dollar te koppelen aan de olieprijzen. Vermits Saoedi-Arabië het enige olieproducerend land is dat de capaciteit heeft om de olieprijzen te beïnvloeden, was het Amerikaans-Saoedische ‘oliebondgenootschap’ van levensbelang voor de VS.[16]

Als groot olieproducerend land had ook Irak geprofiteerd van de Amerikaanse manipulatie van de OPEC-oliecrisis in 1973 en de daaropvolgende verviervoudiging van de olieprijzen. Maar in tegenstelling tot Saoedi-Arabië weigerde Irak steevast om zijn oliewinsten naar de VS door te sluizen in ruil voor Amerikaanse bescherming en een status als vazalstaat. In plaats daarvan werden olie-inkomsten terug geïnvesteerd in de ontwikkeling van het land. Irak trachtte ook andere olieproducerende Arabische landen daarvan te overtuigen. De snelle ontwikkeling van het land en het Arabische nationalisme hadden een grote invloed op de bevolkingen van de Arabische regio.[17] Vanaf de baathistische revolutie en de omverwerping van de door de Britten geïnstalleerde marionettenmonarchie in 1958 had de Iraakse samenleving drastische verbeteringen gekend. Het analfabetisme werd sterk teruggedrongen en voor iedereen was gratis onderwijs voorzien. Een grote landhervorming werd geïntroduceerd om de door de Britten gecreëerde elite van grootgrondbezitters te elimineren. De regering controleerde en verminderde de huur- en voedselprijzen, begon een grootschalig woningbouwprogramma, en erkende formeel vakbonden en boerenorganisaties. Ze zorgde ook voor gratis nationale gezondheidszorg. Einde jaren 1970 was Irak veruit het best opgeleide en ontwikkelde land in de Arabische wereld. Het Baathregime gaf vrouwen het recht om carrière te maken en deel te nemen aan het openbare leven: aan de vooravond van de oorlog tussen Irak en Iran in 1980 vormden vrouwen een groot deel van de arbeidsmarkt.

Zoals gezegd, in de aanloop naar de invasie van Irak was olie opnieuw big business voor de VS. Maar ook interne nationale redenen speelden een rol. Door de massale productie, verkoop en gebruik van wapens en militair materieel poogden de VS – althans tot de financiële crisis van 2008 – een binnenlandse economische crisis te vermijden. Er wordt soms beweerd dat oorlog slecht zou zijn voor de economie. Historicus Jacques Pauwels nuanceert deze stelling:

‘Een dergelijke uitspraak is gedeeltelijk juist, maar ook gedeeltelijk onjuist. Het hangt ervan af over welke economie, over wiens economie men spreekt. Voor de economie van de Amerikaanse gewone man en vrouw is deze oorlog wel degelijk een catastrofe, want zij zullen ervoor betalen. Met hun geld, maar ook met hun bloed. (…)

De zonen en vriendjes van de superrijken zullen wel thuis weten te blijven naar het voorbeeld van Bush jr. ten tijde van de Vietnamoorlog. Voor de economie van de Bushes, Cheney’s, Rices, Rumsfelds, enzovoort, voor de economie van de olietrusts, wapenproducenten en andere ondernemingen waarvan vertegenwoordigers niet alleen het kabinet van Bush, maar ook de hogere rangen van het Pentagon, het hooggerechtshof, de CIA, het FBI en andere sleutelinstellingen van de Amerikaanse staat monopoliseren, voor de economie van Amerika’s superrijken die de aandelen van de olietrusts en de wapenfabrieken bezitten, zijn oorlogen in het algemeen echter een heerlijke zaak.

Zij steken immers de winsten op zak die oorlog(en) al even zeker en overvloedig voortbrengen als de dood en vernieling die anderen te beurt vallen; hun economie profiteert van oorlog, hun economie kan niet meer zonder oorlog. Indien morgen plots de vrede zou uitbreken, zou dat voor hun economie een catastrofe zijn. Daarom moet en zal Amerika nieuwe vijanden blijven vinden, het land en de “vrije wereld” nieuwe oorlogsdreigingen blijven voorspiegelen, en verder oorlog blijven voeren. Tenzij de gewone Amerikanen en de rest van de wereld erin slagen Bush een halt toe te roepen.’[18]

Het hoeft dan ook geen verrassing te zijn dat de invasie van Irak samenging met de ontmanteling van de gedeeltelijk gesocialiseerde economie en de invoering van een zeer neoliberaal, op de vrije markt gebaseerd beleid dat de Amerikaanse bedrijven geen windeieren zou leggen. Thomas Friedman, columnist voor The New York Times en pleitbezorger van de vrije markt en de globalisering, vat het als volgt samen: ‘De verborgen hand van de markt zal nooit werken zonder de verborgen vuist. McDonalds kan niet bloeien zonder McDonnell Douglas (…) En de verborgen vuist die de wereld veilig maakt voor Silicon Valley-technologieën, is het Amerikaanse leger, de luchtmacht, de zeemacht en het marinierskorps.’[19]

De bezetting van Irak

Tijdens de regeerperiodes van Bush senior (1989-1992), Clinton (1993-2000) en Bush junior (2001-2008) waren de Eerste Golfoorlog en de daaropvolgende sancties bedoeld om Saddam Hoessein van de macht te verwijderen. Een sterk Irak en een eventuele wederopleving van het land na de sancties zouden immers de levensvatbaarheid van de Amerikaanse hegemonie en de cruciale relatie met Saoedi-Arabië bedreigen. Irak vormde vooral een bedreiging voor de macht van de VS om invloed uit te oefenen op de olieprijzen en de Arabische staten in de regio te controleren. In 2002 waren de VN-sancties echter uitgehold en bleken ze niet in staat om Saddam Hoessein van de macht te verdrijven. Ze verloren ook hun nut om Irak onder de knoet te houden als gevolg van de toenemende internationale verontwaardiging over de verwoestende uitwerking van het embargo op (de kinderen van) het Iraakse volk,.[20] Deze mislukking dwong de VS om over te gaan tot drastischere maatregelen. Gesteund door de gevolgen van 9/11 konden de neoconservatieven rond Bush een militaire invasie en verandering van het regime opdringen.

De bezettingspolitiek 

De eerste bestuursmacht van de bezetter, de zogenaamde Coalition Provisional Authority (CPA), verspilde geen tijd bij de uitvoering van een marktgerichte, radicaal neoliberale economische hervorming. Privatisering, deregulering en grote bezuinigingen bij de overheid werden de hoekstenen van de nieuwe Iraakse economie. Met uitzondering van de olie-industrie wilde de CPA de gehele Iraakse economie privatiseren en in eigendom en beheer van buitenlands kapitaal brengen. In tegenstrijd met de bepalingen van de VN-resolutie was het de CPA – en niet de Irakezen – die de verkoopprijzen bepaalde, en die bij het opstellen van de begrotingen besliste hoe de opbrengst zou worden besteed. De uitvoerder van die schoktherapie was Paul Bremer III, voormalig managing director van Kissinger and Associates en van mei 2003 tot eind juni 2004 bestuurder van Irak.

Ingevolge VN-resolutie 1483[21] delegeerde de regering-Bush al haar machten rechtstreeks aan Bremer die vrijelijk en zonder enige inmenging wetten kon invoeren. In een mum van tijd vaardigde hij honderd orders uit die Irak veranderden in een gigantisch vrijemarktparadijs. Voor de Irakezen zelf was het echter een nachtmerrie. Nieuwe economische wetten voerden lage belastingen in die de staatsinkomsten decimeerden. Iraakse activa werden voor 100% eigendom van buitenlandse investeerders die bovendien het recht hadden om alle winsten naar het buitenland te versassen. Onbeperkte invoer en langetermijndeals ‘onteigenden’ Irakezen van hun eigen middelen.[22]

Volgens de dictaten van de VS-bezetting zou een ‘vrij’ Irak niet worden gehinderd door overheidsbemoeienissen met de markt: het zou een land zijn waar individuen, mensen en bedrijven niet zouden worden beperkt door een semigesocialiseerde economie. Ironisch genoeg kon dat blijkbaar alleen gebeuren mét massale bemoeienis en overheidsinterventie. Hoe moet je anders een militaire invasie en bezetting omschrijven?

In de meeste gevallen werd de Iraakse bevolking niet betrokken bij de Amerikaanse plannen. Integendeel, het was de Irakezen zelfs ronduit verboden om kennis te nemen van die plannen. Issam al-Khafaji, die tijdens de eerste maanden van de bezetting rechtstreeks samenwerkte met de CPA, bevestigde dat vele wijzigingen van economische wetten werden opgelegd zonder enig overleg met de Irakezen: ‘Veel nieuwe, radicaal ingrijpende veranderingen, zoals de wet op buitenlandse investeringen, mochten de Irakezen zelfs niet inkijken. Zij kregen niet de kans om hun mening te geven over de nieuwe wetten voordat ze waren goedgekeurd.’ Iraakse ondernemingen en aannemers klaagden dat de CPA hen verhinderde om zaken te doen en hen geen enkel contract toewees.[23]

De Amerikanen gedroegen zich op beleidsvlak als olifanten in een porseleinkast. Enkele voorbeelden volstaan om dit te illustreren. Hoewel iedereen wist dat de meerderheid van de leden van de Baathpartij niet zozeer aanhangers van Saddam Hoessein of zijn hardhandig beleid waren, maar een partijkaart hadden om carrière te maken, ontsloeg Bremer meteen 120.000 overheidsambtenaren met inbegrip van 10.000 tot 15.000 leraren. In een land van 28 miljoen inwoners, waar de werkloosheid al 50% bedroeg, ontsloeg Bremer in totaal meer dan een half miljoen mensen. Het Iraakse leger en alle politiediensten werden onmiddellijk ontbonden. De CPA legde een loonwet op die de salarissen van werknemers in de openbare sector en in Iraakse staatsbedrijven vastlegde op 35 US dollar per maand, terwijl buitenlandse werknemers tot 1.000 US dollar per dag verdienden.[24]

Peter McPherson, hoofd van CPA’s Bureau voor de Ontwikkeling van de Private Sector, maakte snel een analyse van de 150 fabrieken en 48 bedrijven van het ministerie van Industrie om na te gaan of het de moeite waard was om ze te privatiseren. Daarvoor had hij drie mensen ter beschikking. Ter vergelijking: in Duitsland werkten 8000 mensen aan de privatisering van de voormalige Oost-Duitse fabrieken! McPherson erkende vrij snel dat het niet mogelijk zou zijn om het privatiseringsprogramma te starten voordat Irak was gestabiliseerd. Dus hield hij zich maar bezig met het elimineren van de overheidssubsidies voor gratis elektriciteit en gratis benzine of diesel, een ‘besparing’ van enkele miljoenen dollars per jaar, maar een ramp voor de Iraakse bevolking. McPhersons opvolger, Thomas Foley, bankmanager en voormalig klasgenoot van Bush, verkondigde een week na zijn aankomst in Bagdad dat hij van plan was om alle Iraakse staatsbedrijven binnen de dertig dagen te privatiseren. Aan critici die dit te verregaand vonden, antwoordde hij laconiek: ‘Die dingen kunnen mij niks schelen… I don’t give a shit about international law. Ik maakte een verbintenis tegenover de president dat ik de Iraakse bedrijven zou privatiseren.’[25]

John Agresto, die in 2003 en 2004 belast was met de leiding van het Iraakse ministerie van Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, stak niet onder stoelen of banken dat hij amper iets afwist van het onderwijssysteem van Irak: ‘Ik wilde naar hier komen met een open geest. Ik wilde de situatie veel liever uit de eerste hand leren kennen dan gefilterd door een auteur.’[26] Hij deed opzoekingen op Google!

Het resultaat? ‘Niet veel’, zei hij aan The Washington Post.[27] Verder was Agresto ervan overtuigd dat de plundering van de Iraakse universiteiten een positieve daad was: het zou de onderwijsinstellingen in staat stellen om te beginnen met een schone lei, met de nieuwste apparatuur en een nieuw curriculum.[28] De vele aanvallen op wetenschappelijk personeel, de benoeming van onbekwame mensen, en de vernietiging van de academische infrastructuur zijn allemaal misdaden die plaatsvonden onder het toeziend oog van de door de VS geleide Multi-National Force. Die troepenmacht kent geen precedent in de recente geschiedenis en doet ernstige vragen rijzen over de intenties van de Amerikaanse bezetter. In ieder geval is de Amerikaanse bezetter verantwoordelijk voor de totale ineenstorting van het Iraakse onderwijs.

In de landbouwsector, een cruciale sector voor vele Irakezen, had de bezetting nog meer nefaste gevolgen. Zo besloten de VS om de nationale zadenbank, een van de belangrijkste publieke instellingen in Irak, niet te beschermen tegen de plunderingen in 2003. Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN ‘had Irak een relatief stabiele, goed functionere

take down
the paywall
steun ons nu!