De dood van rebellenleider Jonas Savimbi op 22 februari 2002 luidde het einde in van de Angolese burgeroorlog (foto: Angolense)
Nieuws, Afrika, Politiek, Geschiedenis, Angola, MPLA, Zuid-Afrika, China, Tmd, Maoïsten, Mobutu, José Eduardo dos Santos, Sonangol, Manuel Vicente, Kolonialisme, Burgeroorlog, Olie-inkomsten, Koude Oorlog, UNITA, Jonas Savimbi, Rebellenbeweging, Ronald Reagan, Guerrillastrijd, Bloeddiamanten, Analyse, Moxico, Portugees kolonialisme, Isaías Samakuva, Alex Vines, Landmijnen, Oliebusiness, Cubaanse militairen - jan.vancriekinge

Tien jaar na de dood van Savimbi: einde van de Angolese burgeroorlog

Tien jaar geleden op 22 februari 2002 werd Jonas Savimbi, de Angolese rebellenleider, gedood in een vuurgevecht met regeringstroepen in de oostelijke provincie Moxico. UNITA was daardoor onthoofd en zes weken later al werd het definitieve vredesakkoord getekend. De brutale ontknoping van een van de langst aanslepende burgeroorlogen in Afrika die meer dan één miljoen mensen het leven kostte.

woensdag 22 februari 2012 21:00

Vandaag is Angola een buitengewoon groeiland dankzij de massale olie-inkomsten. Maar de sporen van de 27-jaar durende burgeroorlog (1975-2002), die volgde op een gewapende bevrijdingsstrijd tegen het Portugese kolonialisme (1961-1975), in volle Koude Oorlog, zijn nog verre van uitgewist. Savimbi blijft ook vandaag nog een uiterst controversiële figuur.

Voor zijn vijanden is hij de brutale rebellenleider die door zijn onverantwoorde houding na de verkiezingen van 1992 – die hij verloren had, maar hij wilde zijn nederlaag niet aanvaarden – de vrede de rug toekeerde en resoluut voor de oorlog koos.

Volgens Savimbi waren de door de VN overhaast en slecht georganiseerde verkiezingen van 1992 een gigantische fraude. Hij staakte de stembusslag met zijn MPLA-rivaal José Eduardo dos Santos, en keerde terug naar de bush om te doen wat hij het beste kende: guerrillaoorlog voeren om het grondstoffenrijke land onbestuurbaar te maken. Hij kon daarbij rekenen op de inkomsten uit de rijke diamantregio’s die hij controleerde. En ondanks VN-embargo’s bleven die diamanten op de wereldmarkt verschijnen en bleven wapenhandelaars wereldwijd gouden zaken doen met beide oorlogvoerende partijen.

Schim uit het verleden, populair als beltoon

De meerderheid van de huidige UNITA-aanhangers beschouwt Savimbi als een schim uit het verleden. Jongeren in Luanda hebben slogans uit zijn beruchte toespraken als beltoon op hun mobiele telefoon, maar weten nauwelijks nog iets over zijn rol in de bloedige recente geschiedenis van hun land.

UNITA (União Nacional para a Independência Total de Angola) heeft zich kort na het vredesakkoord van 2002 al snel omgevormd tot een moderne politieke partij die resoluut heeft gebroken met het gewelddadige en autoritaire guerrillaverleden. Sinds het partijcongres van 2003 is Isaías Samakuva, de vroegere vertegenwoordiger van UNITA in Europa, de democratisch verkozen leider. Na de parlementsverkiezingen van september 2008 heeft UNITA nog nauwelijks 16 zitjes over in het 220 leden tellende parlement in Luanda, een fractie van haar vroegere aanhang. In september 2012 zouden er weer presidentsverkiezingen worden gehouden, de eerste sinds 1992 …

“UNITA kan zich niet helemaal distantiëren van wat Savimbi vertegenwoordigde, hoewel het huidige leiderschap geen moeite heeft om toe te geven dat hij tactisch een aantal zware fouten heeft gemaakt”, zegt Alex Vines, hoofd van het Afrika-programma bij het Chatham House-onderzoeksinstituut in Londen, en auteur van talrijke boeken over de oorlog in Angola. “Zelfs na tien jaar, is het nog steeds pijnlijk. De grootste fout die Savimbi heeft gemaakt, was dat hij de verkiezingsuitslag niet aanvaardde en terugkeerde naar de oorlog”, zegt Vines.

Slachtoffer van eigen overmoed

Justin Pearce, BBC-correspondent in Angola op het moment van Savimbi’s dood, verklaarde onlangs nog dat de guerrillaleider het slachtoffer was geworden van zijn eigen overmoed. “Het was een enorme fout om te denken dat hij militair kon zegevieren na de veranderende wereldsituatie van 1990. Hij geloofde écht dat het zijn lot was om de ware leider van Angola te zijn.”

Savimbi heeft er nooit voor teruggeschrokken om vermoedelijke dissidenten in zijn eigen beweging fysiek uit te schakelen, de burgerbevolking te terroriseren en zijn operaties te financieren met zogenaamde ‘bloeddiamanten’. Maar zelfs tegenstanders herinneren hem als een zeer charismatisch man, een begenadigd spreker en een intellectuele kracht om rekening mee te houden. Hij sprak vloeiend zeven talen en onderhield contacten over heel de wereld.

Paula Roque, een Angola-historica aan de universiteit van Oxford: “We mogen niet vergeten dat voor een groot deel van de Angolese bevolking uit het binnenland UNITA echt iets vertegenwoordigde,” vertelde ze aan AFP. Net als veel andere historici, wees Roque erop dat ook de MPLA-regering meer dan haar aandeel had in de oorlogswreedheden. Onder meer door na de verkiezingen van 1992 duizenden UNITA-supporters af te slachten in en rond Luanda.

Al tien jaar lang, vraagt de familie van Savimbi dat zijn lichaam zou begraven worden in zijn geboortedorp in de provincie Bié. De autoriteiten weigeren, uit angst dat de site een bedevaartsoord zou worden. Savimbi’s geest is er nog steeds.

Product van de geostrategische belangen van de Koude Oorlog

Jonas Malheiro Savimbi (3 augustus 1934 – 22 februari 2002) was een typisch product van de geostrategische belangen die tijdens de Koude Oorlog het Afrikaanse continent in een slagveld veranderden. In maart 1966 richtte hij UNITA op als een ‘authentieke’ bevrijdingsbeweging tegen het Portugese kolonialisme nadat hij gebroken had met de MPLA omdat hij die niet ‘links’ genoeg vond en te veel steunend op een intellectuele stedelijke elite.

Tussen 1964 en 1966 had de jonge Savimbi lange tijd in China verbleven voor een militaire training, waar hij onder de indruk was gekomen van Mao’s boerenrevolutie. Hij wou zijn beweging duidelijk in maoïstische richting stuwen en kon daarbij aanvankelijk op steun vanuit Peking rekenen. Toch bleef hij in de eerste plaats een Afrikaanse nationalist. Pas later zou hij meer en meer in het vaarwater terechtkomen van president Mobutu van Zaïre en vooral van de VS.

Wat op 4 februari 1961 kleinschalig begon als een opstand tegen het repressieve koloniale bewind van dictator Salazar, mondde uit in een regelrechte ‘bevrijdingsoorlog’ die zelfs niet eindigde met de onafhankelijkheid op 11 november 1975. Het land viel immers ten prooi aan de machtsstrijd tussen Oost en West in een van de bloedigste passages van de Koude Oorlog.

Twee totalitair denkende bewegingen, de regerende marxistische MPLA, gesteund door de Sovjet-Unie en haar bondgenoten; en de nationalistische rebellen van UNITA, gesteund door onder meer de VS, Zuid-Afrika (onder het apartheidsregime) en in de beginfase ook China, bestreden elkaar de macht met wisselende successen.

De burgerbevolking zat vaak letterlijk tussen twee vuren. Alleen met de massale militaire hulp van de Cubanen kon het MPLA-regime in de jaren tachtig standhouden tegen de Zuid-Afrikaanse invasie. Maar van enig perspectief op ontwikkeling was geen sprake. Alle beschikbare middelen gingen naar de militairen en de elites die volop profiteerden van de oorlog.

UNITA zou tussen 1986 en 1991 voor ongeveer 250 miljoen dollar geheime hulp ontvangen hebben van de regering-Reagan, de op een na grootste begunstigde na de moedjahedien van Afghanistan. Volgens Ronald Reagan was “Savimbi de meest efficiënte vrijheidsstrijder ter wereld”.

VN-debacle van 1992

Wie dacht dat met het einde van de Koude Oorlog ook een einde zou komen aan de burgeroorlog in Angola, was eraan voor de moeite. In tegenstelling tot ‘zusterland’ Mozambique waar de moegestreden partijen bereid waren een dialoog aan te gaan, bleven de wapens in Angola de agenda bepalen. In 1992 leek er nochtans hoop op vrede te bestaan en werden er in september zelfs verkiezingen georganiseerd onder supervisie van de VN.

Helaas, aan een plan tot ontwapening van de strijders en voor een duurzame vrede hadden de onderhandelaars niet gedacht. Ook de financiële middelen om het proces tot een goed einde te brengen, waren nooit toereikend. Enige betrokkenheid of inspraak van de bevolking was er al evenmin. Zoals kon worden verwacht, accepteerde bovendien de verliezer van de verkiezingen (Savimbi) de uitslag niet.

Niet veel later hervatten beide legers de strijd opnieuw. Dit keer was de oorlogsgruwel nauwelijks te overzien. Voor de VN zat er niets anders op dan na dit zoveelste Afrika-debacle het ontredderde land met stille trom te verlaten. In de beruchte stedenslag van 1993-1994 vielen er gemiddeld duizend doden per dag (ter vergelijking: in dezelfde periode vielen er in de oorlog in ex-Joegoslavië ongeveer duizend doden per maand!). Wat nog restte aan infrastructuur werd vakkundig met de grond gelijk gemaakt.

Oorlog om olie & diamant

Nog voor het einde van de Koude Oorlog had regeringspartij MPLA haar marxistisch jasje overboord gegooid omdat ook de steun van de vroegere bondgenoten hoe langer hoe meer op de helling kwam te staan en er elders (vooral in de VS) meer geld te verdienen viel. Met het wegvallen van de ideologie werd de MPLA nog meer oncontroleerbaar corrupt. Dankzij de ontdekking van zeer rijke olievelden voor de kust kon de regering schaamteloos veel geld verspillen aan modern wapentuig.

UNITA wou onder Savimbi koste wat het kost de rijkste diamantgebieden in het centrum en het oosten van het land onder controle houden. De oorlog in de jaren negentig dreef volledig op bloeddiamant en olie, enige ideologische grondslag was uit het conflict verdwenen. Alles draaide om de controle over de bodemrijkdommen.

Als doekje tegen het bloeden en om de schijn te redden, kondigde de VN internationale sancties af tegen UNITA. Diamanten uit gebieden onder controle van UNITA mochten niet meer worden verhandeld en wapenleveringen aan de rebellenbeweging werden illegaal verklaard. Toch bleef een sluitende controle op de precieze herkomst van diamanten uit.

Ook het regeringskamp kon zich zonder al te veel problemen blijven bevoorraden via allerlei dubieuze transacties en wapenhandelaars. In dit kader past ook de zaak-Falcone en Gaydamak, waaruit ook de medeverantwoordelijkheid van Franse politiek-commerciële belangen (de zogenoemde ‘Angolagate’) blijkt.

Dat de Angolese regering sinds de jaren negentig op zo’n goed blaadje staat in Washington (terwijl vroeger UNITA door dik en dun werd gesteund) heeft dan ook alles met olie te maken. De Angolese olie bood de VS een waardevol alternatief om de afhankelijkheid van de oliebevoorrading uit het Midden-Oosten te verminderen. Tussen de ‘oliepresidenten’ George Bush Sr. en Dos Santos klikte het ook op persoonlijk vlak bijzonder goed. Een relatie die sinds Bush junior zijn intrek nam in het Witte Huis alleen maar hechter werd.

Totale oorlog of dialoog?

Het gedeeltelijke isolement waarin UNITA was terechtgekomen, begon de militaire slagkracht van de rebellenbeweging eind de jaren negentig aan te tasten. Voor de regering-Dos Santos was dat het moment om definitief met de historische tegenstander af te rekenen. Op het vierde MPLA-partijcongres van december 1998 kondigde Dos Santos aan dat “de enige weg naar vrede de totale oorlog” is.

Het nieuwe regeringsoffensief tegen de traditionele UNITA-kerngebieden in de Centrale Hooglanden was in het voorjaar van 1999 bijzonder hevig. Hoe langer hoe meer werd duidelijk dat UNITA terrein moest prijsgeven al konden de rebellen soms ook hard terugslaan tot zelfs in de omgeving van de hoofdstad in de zomer van 2001.

De brutale rekrutering van nieuwe regeringssoldaten (bij razzia’s werden jongeren gewoon van straat geplukt en meteen naar het front gestuurd) zette veel kwaad bloed en vervreemdde het MPLA-regime nog meer van de meerderheid van de bevolking. Een direct gevolg was dat het percentage deserteurs in het regeringsleger fors steeg.

Steeds meer Angolese burgers waren de oorlog beu en probeerden zich zo goed en zo kwaad als het kon te organiseren om iets aan de schijnbaar uitzichtloze situatie te veranderen. Sinds in 1992 de civiele samenleving voorzichtig de kop begon op te steken, ontstond in de loop van 1999 een eerste goed gestructureerde vredesbeweging onder impuls van de kerken met steun vanuit enkele vakbondskoepels.

Het ‘Manifest voor de Vrede’ dat hieruit ontstond, riep beide oorlogspartijen op om via een dialoog tot een oplossing te komen. Op veel steun uit het buitenland moesten ze alvast niet rekenen, want na het VN-debacle van 1992 had de buitenwereld zo goed als alle interesse in dit ‘vergeten conflict’ verloren. Behalve dan de oliemaatschappijen, de diamanthandelaars en de wapenindustrie die gouden zaken bleven doen met het corrupte regime én de rebellen.

22 februari 2002: het einde van een tijdperk

Maar zelfs na het einde van de Koude Oorlog, bleef Savimbi koppig doorvechten. Tot hij op 22 februari 2002 in een hinderlaag viel van het Angolese regeringsleger nadat Amerikaanse satellieten zijn exacte positie in de jungle van de oostelijke provincie Moxico hadden doorgegeven aan zijn aartsrivaal president Dos Santos. Toen de Angolese staatstelevisie de beelden van Savimbi’s met kogels doorzeefde lichaam toonde, was dat voor vele Angolezen het einde van een tijdperk.

Nauwelijks zes weken na het wegvallen van de charismatische rebellenleider werd op 4 april 2002 een staakt-het-vuren getekend. Dat het dit keer menens was, bleek al snel toen tienduizenden uitgehongerde UNITA-strijders zich met hun familieleden aanboden in de demobilisatiecentra. Tien jaar later houdt de vrede nog altijd stand.

Na 40 jaar van oorlog en geweld kent Angola nu al tien jaar vrede, maar de weg naar een enigszins normaal functionerende democratie en een duurzame ontwikkeling voor alle inwoners zal nog heel lang zijn. Vooral de immense corruptie begint steeds meer bewuste burgers te storen: er is een groot gebrek aan toezicht op de staatsfinanciën, waardoor enorme bedragen uit vooral de olie- en diamantindustrie geruisloos kunnen verdwijnen in de zakken van een kleine elite. Voor de heropbouw van het verwoeste land moest Angola zijn toevlucht zoeken tot internationale donoren, NGO’s en massale Chinese en Braziliaanse investeringen.

Sterke groeicijfers, arme mensen

Toch blijft Angola een land met verschillende snelheden waarbij het immense binnenland geenszins profiteert van de inkomsten van de olie-industrie. Miljoenen mensen zijn er aangewezen op humanitaire hulp. Veertig procent van de bevolking leeft nog onder de armoedegrens. Volgens recente cijfers van het Wereldvoedselprogramma (WFP) zijn minstens 1,5 miljoen mensen blootgesteld aan voedselonzekerheid, omdat meer dan de helft van het voedsel moet worden ingevoerd en dus duur is.

Elke dag vallen er nog slachtoffers bij ongevallen met niet ontplofte landmijnen. De meest elementaire basisvoorzieningen betreffende gezondheidszorg, zuiver drinkwater en scholing ontbreken. Zeker in die gebieden waarnaar de meeste vluchtelingen zijn teruggekeerd. Omdat de toestand zo weinig vooruitgang te zien geeft, moeten mensen veel langer in tijdelijke opvangkampen verblijven dan oorspronkelijk gepland. Dat geeft dan weer aanleiding tot andere problemen en conflicten.

Oliebusiness houdt politiek in greep

De bevolking had na het einde van de oorlog nochtans hooggespannen verwachtingen. Voor velen is de ontgoocheling groot en het geloof in de politiek klein. Al denkt niemand aan het spookbeeld dat de oorlog zou kunnen herbeginnen … Vorig jaar kwam het enkele keren tot felle betogingen in de hoofdstad Luanda van jongeren en studenten tegen het regime-Dos Santos. Velen lieten zich inspireren door wat er gebeurde in Noord-Afrika, maar een brede volksbeweging is daar vooralsnog niet uit voortgekomen.

De economie zou tussen 2004 en 2008 jaarlijks met gemiddeld 17 procent groeien, het sterkste groeicijfer van Centraal-Afrika. Vandaag produceert Angola 1,65 miljoen vaten ruwe olie per dag, goed voor 85 procent van de inkomsten. Het land is sinds 2008 Nigeria voorbijgestoken als grootste olieproducent van Afrika. Luanda is al uitgeroepen tot duurste stad van het continent.

Enkele weken geleden maakt president Dos Santos – onafgebroken aan de macht sinds 1979 – bekend dat Manuel Vicente, tot voor kort de CEO van het machtige staatsoliebedrijf Sonangol, hem zal opvolgen na de aangekondigde presidentsverkiezingen van september 2012. Dit geeft aan welke macht de oliebusiness heeft verworven in de Angolese politiek.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!