Tahrirplein, Caïro, zaterdag 12 februari 2011
Essay, Nieuws, Afrika, Samenleving, Politiek, Politieke partijen, Leger, Egypte, Moebarak, Moslimbroederschap - Marc Vandepitte

Egypte na Moebarak. Hoe moet het verder?

Het is niet niks. Moebarak was een van de meest onwankelbare dictators in de regio. Hij kon rekenen op het sterkste leger en op de grootste politiemacht van Afrika, op de diensten van de CIA en de Mossad, en de volle steun van alle westerse regeringen. Maar het mocht niet baten. In amper achttien dagen tijd werd hij weggejaagd.

maandag 14 februari 2011 15:08

De macht is nu in handen van een militaire junta. Die heeft al gezegd dat ze een snelle overgang naar een burgerbestuur waarborgt. Ze zal het parlement ontbinden, institutionele hervormingen doorvoeren en daarna verkiezingen uitschrijven. Grote vraag is hoe het nu verder zal gaan. Is de tweede fase van de Nijl revolutie nu begonnen of ging het hier slechts om een schijnrevolutie?

Om op die vraag te antwoorden is het nuttig om een reconstructie te maken van de voorbije weken, alsook om de onderliggende sociaaleconomische dynamiek, de politieke en militaire machtsverhoudingen in kaart te brengen.

Reconstructie van de opstand

Op 14 januari ontvlucht de president van Tunesië zijn land na meer dan een week protest. Tien dagen later slaat de vonk over naar Egypte. Via tienduizenden pamfletten, een vurig YouTube filmpje en Facebook wordt opgeroepen om te betogen op het Tahrirplein in Caïro.

De oproep gaat voornamelijk uit van de ‘6 april-beweging’ en van ‘We zijn allemaal Khaled Saeed’.[1] ’s Anderendaags manifesteren duizenden mensen op het Tahrirplein. De politie zet het waterkanon in en gebruikt traangas om de menigte te verjagen. Tevergeefs, de volgende dagen blijven duizenden mensen naar het plein toestromen.

Ook in andere steden zijn er betogingen. De autoriteiten verbieden alle manifestaties en sluiten Twitter en Facebook. De avondklok wordt ingesteld. Maar het protest blijft aanzwellen. De betogers zijn een ruime mix van jongeren en ouderen, arbeiders en hoogopgeleide professionals. Ook opvallend veel vrouwen nemen deel aan de manifestaties.

De eerste dagen wordt er geplunderd. Het gaat meestal om politie in burger die proberen chaos te veroorzaken. De mensen richten overal burgerwachten op om daar een eind aan te maken.

In het begin van de opstand staat Obama nog pal achter Moebarak. Hij omschrijft Egypte en de alliantie met Moebarak als ‘stabiel’. Naarmate het protest zal aanhouden, zal Obama zijn toon wijzigen en verharden.

Op 28 januari gebeurt iets merkwaardig. Het hoofdkwartier van Moebaraks politieke partij wordt in brand gestoken. Het leger heeft dat blijkbaar laten gebeuren. Het leger komt postvatten op het Tahrirplein en maant de politie aan om zich terug te trekken. Het leger komt de facto tussen de manifestanten en de politie te staan. Die houding zal belangrijk zo niet beslissend zijn voor het welslagen van de opstand.

29 januari. De onrust neemt toe. Er vallen doden. Om de gemoederen te sussen stuurt Moebarak zijn regering naar huis. Die zat vol met vertrouwelingen van zijn zoon Gamal, die de gedoodverfde opvolger was voor het presidentsschap.

De volgende dagen blijft het protest aanhouden. Het leger kondigt aan geen geweld te zullen gebruiken en de vrije meningsuiting te zullen garanderen. Er is een groeiende verbroedering tussen de soldaten en de manifestanten.

Op 30 januari bezoekt Hoessein Tantawi, hoofd van het leger, het Tahrirplein. Het is een uiting van steun. Op hetzelfde moment vliegen straaljagers dreigend over het plein. Het zijn op zijn minst zeer tegenstrijdige signalen.

Op 31 januari verschijnt Naguib Sawiris op het Tahrirplein. Hij is één van de rijkste zakenlui van Egypte. Hij zegt zijn steun toe aan de manifestanten en eist het vertrek van Moebarak. Tegen journalisten en buitenlanders is er toenemend geweld vanwege de politie.

Op 1 februari wordt door één miljoen mensen betoogd in de straten. Moebarak slaat terug. Op 2 februari bestormen gewapende pro-Moebarak elementen het plein en proberen ze de menigte te verjagen. Het leger komt niet tussenbeide.

Achteraf blijkt dat de soldaten niet gewapend zijn, een maatregel van Suleiman om te voorkomen dat die soldaten zich wel eens tegen hem zouden kunnen keren. Wellicht ook daarom is het leger niet ingezet om het Tahrirplein manu militari te ontruimen.

Het protest breidt zich geleidelijk uit over de rest van het land. In verschillende steden zijn er manifestaties en confrontaties met de politie. Wegen wordt afgesloten.

Op 5 februari ontslaat Moebarak de leiding van zijn eigen partij, inclusief zijn zoon. Diens rol blijkt dus uitgespeeld te zijn. Moebarak blijft zelf wel aan het hoofd staan van zijn partij.

Op 6 februari wordt Suleiman, hoofd van de geheime politie, aangesteld als vicepresident. Er vinden gesprekken plaats tussen het regime en de Moslimbroeders. Althans met een deel ervan, want ondertussen hebben een deel van de jongeren en de vrouwenafdeling van het Broederschap zich afgescheurd en hebben ze zich aangesloten bij de manifestanten op het plein.

7 februari. Wael Ghonin, de man die via Facebook had opgeroepen tot de eerste betoging, wordt na 12 dagen gevangschap vrijgelaten. Zijn vrijlating is een belangrijke impuls voor de manifestanten, die er ondertussen al twee weken hebben opzitten.

Vanaf 8 februari gaat de opstand in een hogere versnelling. Zesduizend dokwerkers van het Suezkanaal leggen in de avond het werk neer. Het Suezkanaal is van levensbelang voor de economie van het land. De volgende dag zijn er in geheel het land stakingen. De stakende arbeiders eisen hoger loon maar ook het vertrek van de dictator. Buschauffeurs dreigen het openbaar vervoer lam te leggen als Moebarak niet opstapt. De prodemocratie manifestanten zoeken samen te werken met de ontevreden arbeiders. Er worden comités opgericht om stakingen te organiseren en overheidsgebouwen op een vreedzame manier over te nemen.

Het prestige van de president brokkelt langs alle kanten af. De onafhankelijke media worden steeds stoutmoediger. In populaire programma’s wordt de president gehekeld en wordt de vrijlating van de politieke gevangen gevraagd.

In de religieuze gemeenschappen ontstaat verdeeldheid. Moslims beschuldigen vooraanstaande geestelijken ervan dat ze stromannen zijn van de president. Ook koptische christenen verwijten hun pope een te slaafse houding tegenover Moebarak.

10 februari. We naderen stilaan een kookpunt. In Alexandrië trekt een menigte naar een militaire basis. Het gonst van de geruchten dat Moebarak zal aftreden. Hij zal ’s avonds een toespraak houden. Het leger geeft echter vooraf zelf een communiqué uit waarin ze stellen dat ze het land zullen ‘beschermen’ en ze verzekeren dat Moebarak de eisen van de manifestanten zal inwilligen. Het lijkt erop dat Moebaraks rol is uitgespeeld. Zelfs de CIA zegt dat er een grote kans is dat hij opstapt. Moebarak weet echter van geen wijken en kondigt aan dat hij niet aftreedt.

De menigte op het Tahrirplein is woedend en laat zich niet uit het lood slaan. Ze maken zich klaar voor een nieuwe dag van protesten. Een duizendtal manifestanten trekt ’s nachts naar het presidentieel paleis. Ook het parlement en het radio- en TV station worden omsingeld. Het leger laat begaan.

11 februari. Honderdduizenden stromen toe naar het Tahrirplein. Achter de schermen wordt druk onderhandeld. In de vooravond kondigt Moebarak dan toch aan dat hij aftreedt. Hij draagt de macht over aan een militaire junta. Hoessein Tantawi, hoofd van het leger, die ook op het plein al met de manifestanten had gesproken, wordt nu de sterke man.

Ook al wordt er geen schot gelost, het lijkt heel sterk op een militaire coup. Volgens een hooggeplaatste official heeft het leger ingegrepen om te voorkomen dat het protest nog verder zou escaleren en dat gebouwen en instellingen van de overheid zouden worden overgenomen door de manifestanten.[2] Het Witte Huis zal er vermoedelijk ook zo over gedacht hebben.

Sociaaleconomische dynamiek van de afgelopen zestig jaar

Tot het begin van de jaren vijftig is Egypte een protectoraat van de Britten, ook al is het formeel gesproken onafhankelijk. Een staatsgreep maakt daar een eind aan. In 1954 wordt Gamal Nasser president. Hij regeert met harde hand, maar op sociaaleconomisch vlak gaat de bevolking er sterk op vooruit.

Er komt een landhervorming. Gronden worden verdeeld onder de boeren en grootgrondbezit wordt belast. In de steden verdubbelen de lonen tussen 1960 en 1970. Nasser volgt een economische koers die op dat moment in heel wat landen van het Zuiden wordt toegepast: industrialiseren door te steunen op eigen kracht (de zogenaamde importsubstitutie) en met een sterke aansturing vanuit de overheid.

In 1970 wordt Nasser opgevolgd door Anwar Sadat. Hij gooit het roer om. De economie wordt opengegooid. De importsubstitutie wordt vervanging door gerichtheid op de export. Ook maakt hij een begin van wat later zal benoemd worden als neoliberalisme. Dat betekent privatisering, terugschroeven van de overheidsuitgaven, afbouwen van sociale dienstverlening, verminderen van subsidies op basisgoederen. Hij doet dat wel geleidelijk.

Die neoliberale politiek zal pas onder zijn opvolger Moebarak op kruissnelheid komen. In 1991 sluit Moebarak namelijk een overeenkomst met het IMF en de Wereldbank. Op hun aansturen wordt o.a. de landhervorming teruggeschroefd, gaan heel veel overheidsjobs verloren, worden de lonen verlaagd en wordt de publieke gezondheidszorg stevig aangepakt.

De economische elite en buitenlands kapitaal varen er wel bij, maar voor de nationale economie is het een ramp. In de jaren negentig krimpt de economie met vijf procent. Op sociaal vlak is de tol nog veel hoger. Werkloosheid en armoede gaan zowel in de steden als op het platteland met sprongen omhoog. Gaandeweg worden ook de subsidies voor voedsel afgebouwd, waardoor de honger toeneemt.

In 2004 komt er een nieuwe regering – diegene die nu tijdens de opstand de laan is uitgestuurd – die als bijnaam ‘de regering van zakenlui’ krijgt. Ze voeren een beleid op maat van big business.

In het eerste jaar privatiseert ze meer dan in de vorige tien jaar samen. Zo komen belangrijke nationale economische sectoren in handen van buitenlands kapitaal. Gelijktijdig worden buitenlandse investeerders aangetrokken met een regime van lage lonen, lange werktijden en zwakke syndicale bescherming.

Met succes, tussen 2004 en 2009 wordt voor bijna 50 miljard dollar geïnvesteerd door traditionele investeerders uit het Noorden. Doch evenzeer door landen als Rusland, Kazakstan, Azerbeidjaan, Israël, Dubai, China, Turkije en Brazilië. Dat resulteert, samen met een gunstige economische conjunctuur, in een verhoging van de industriële tewerkstelling. Die tewerkstelling is wel gebaseerd op zeer slechte arbeidsvoorwaarden. Dit zal de voedingsbodem zijn voor de vele stakingen vanaf 2006 en voor de ‘6 april-beweging’.

Daarnaast wordt het privéondernemerschap gepromoot en gestimuleerd d.m.v. microkredieten, vaak gericht op jongeren en vrouwen. In de steden ontstaat zo een hele microbusiness economie. We hebben het hier over kleine ateliers, callcenters, internetcafés, kleine busmaatschappijen, wasserijtjes, enz. Het is een keiharde wereld, gekenmerkt door zwendel, afzetterij en regelrechte maffiatoestanden.

De politie, die in deze sector een bron van ‘bijverdienste’ ziet, heeft zich een belangrijke plaats veroverd in dit wereldje en gaat zich vaak te buiten aan brutaliteiten en seksueel geweld. Het is deze lagere middenklasse van kleine ondernemers en schijnzelfstandigen die de massabasis vormt voor de beweging tegen politiegeweld, zoals de beweging ‘We zijn allemaal Khaled Saeed’.

De sociale situatie is catastrofaal. Zo’n 45 procent van de Egyptenaren moet zien rond te komen met minder dan 2 dollar per dag, 20 procent zelfs met minder dan 1 dollar. Bijna 30 procent van de bevolking kampt met ondervoeding. Het onderwijs is een ramp, voor degelijk onderwijs moet er een beroep gedaan worden op privéleerkrachten. De helft van de jongens en 90 procent van de meisjes zit na twee jaar afstuderen nog steeds zonder werk.

Ook tegenover de politiek is er toenemende onvrede. Zo is er heel wat kritiek op de slaafse houding van Egypte tegenover de VS en Israël. Tijdens de Palestijnse opstand van 2000 worden er steuncomités opgericht. De illegale oorlog van de VS tegen Irak in maart 2003 leidt tot de grootste betoging in Egypte sinds 1978. En bij de invasie van Israël in Gaza in 2009 zullen er massale betogingen georganiseerd worden in heel het land.

Ook de binnenlandse politiek beroert de gemoederen. In december 2004 zijn er grote manifestaties. De betogers willen niet dat Moebarak zich opnieuw kandidaat stelt bij de presidentsverkiezingen en pikken het nog minder dat Moebarak zijn zoon aangeduid heeft als toekomstige troonopvolger.

In Egypte geldt de facto een stakingsverbod, maar dit wordt hoe langer hoe meer met de voeten getreden. Tussen 2004 en 2008 zijn bijna twee miljoen arbeiders betrokken in 1900 stakingen of andere vormen van protest. De eisen zijn loonsverhoging, het recht op onafhankelijke vakbonden en het ongedaan maken van de privatiseringen.

Tijdens langlopende stakingen worden comités opgericht, los van de officiële vakbonden. In 2008 organiseert de ‘6 April-beweging’, met een aanhang van 70.000 man, een nationale staking.

De economische crisis van 2008-2009 treft de Egyptische bevolking hard. De koopkracht daalt terwijl de voedselprijzen stijgen. Er is toenemende werkloosheid. Voor honderdduizenden jonge gediplomeerden is er heel weinig perspectief. De frustratie bij grote lagen van de bevolking wordt steeds groter. De steden worden echte broeihaarden van onrust.

De jaren 2009 en 2010 worden gekenmerkt door nationale stakingen, sit-ins en betogingen. Ook op het platteland is er verzet van de kleine landeigenaars tegen de pogingen om hun stukje grond te verpatsen aan grootgrondbezitters.

Het is in die context dat de vonk uit Tunesië voldoende is om heel Egypte in brand te steken. De jarenlange opgekropte onvrede en woede over de sociaaleconomische crisis, de wijdverspreide corruptie, het repressief geweld van de politie en de slaafse houding in de buitenlandse politiek, dat alles is uiteindelijk losgebarsten met de gekende gevolgen.

De krachten achter de opstand

Hierboven zagen we dat de sociaaleconomische dynamiek een groot impact heeft gehad op de Egyptische samenleving. Die dynamiek verklaart ook in grote mate de opstelling van de belangrijkste actoren tijdens de opstand.

1. Het leger

In 1978 sloten Egypte en Israël het Camp David-akkoord. De strijdkrachten, die in de periode daarvoor verschillende oorlogen hadden uitgevochten, werden nu in zekere zin op non actief gezet. Het akkoord was een vernedering voor hen.

Als zoethouder ontving het leger omvangrijke militaire steun uit Washington. De laatste dertig jaar ongeveer 40 miljard dollar. Ook mocht het leger zich toeleggen op allerhande economische activiteiten van de staat. Zo runt het leger – vooral dan de hogere officieren – verschillende grote winkelcentra en is het in heel wat sectoren actief.

Maar die activiteiten zijn lang niet zo winstgevend als in de privésectoren en bovendien zagen die officieren hun belangen in het gedrang komen door de aanhoudende privatiseringsgolf. Dat verklaart waarom er binnen het leger, dat hoofdzakelijk vervlochten is met het nationaal kapitaal, heel wat tegenkanting was tegen de zoon van Moebarak, die vooral de belangen van het internationaal kapitaal vertegenwoordigt.

Ook binnen de groep lagere officieren was er heel wat onvrede. Het salaris was een flink stuk gezakt onder wat in de privésector kon verdiend worden. De gewone soldaten moesten het, zoals het overgrote deel van de werkende bevolking, stellen met een miserabel loon.

Het hoeft dus niet te verbazen dat het leger uiteindelijk geen geweld heeft gebruikt en zich al bij al vrij snel tegen Moebarak heeft gekeerd. Moebarak kon uiteindelijk enkel nog op de steun rekenen van de luchtmacht en de presidentiële garde.

Wat de legertop precies van plan is, is nog niet duidelijk. Wel kan men veronderstellen dat ze hun nationale trots graag zullen herstellen en dat ze afwillen van de slaafse houding tegenover Washington. Dat zou op termijn de kaarten in het Midden-Oosten grondig door elkaar kunnen schudden.[3] De omvangrijke militaire steun van de VS zal daar wellicht niet veel aan veranderen. In landen zoals Pakistan en Irak zie je dat aanzienlijke militaire steun zich niet noodzakelijk vertaalt in loyaliteit, integendeel.

Daarnaast kan verwacht worden dat de militairen zullen opkomen voor hun eigen economische belangen en die zitten vooral in de nationale sectoren. Zij zullen daarom vermoedelijk aansturen op een heroriëntatie van de economie: minder globaliseren plus een versterking van de eigen nationale sectoren.

2. De Moslimbroeders

De Moslimbroeders zijn tot op heden de best georganiseerde politieke kracht van de oppositie. Zij hebben een half miljoen leden. Ze zijn ingeplant in de Egyptische samenleving via talrijke charitatieve organisaties en controleren ook diverse beroepsorganisaties.

De oude garde is actief in de telecommunicatie en immobiliënsector. Een groot deel ervan is geaccapeerd door de NDP, de politieke partij van Moebarak. Het was de businessvleugel van deze garde die tijdens de opstand aan tafel heeft gezeten met het regime.

De oude garde legt vooral de klemtoon op identiteit, cultuur en conservatieve waarden, iets wat hier in Vlaanderen tegenwoordig bekend in de oren klinkt. Hun ultraconservatief discours werd door Moebarak niet alleen overgenomen maar ook in praktijk gebracht: aanvallen tegen alleenstaande vrouwen, homo’s, christelijke en sjiitische minderheden, enz. Dat slaat echter hoe langer hoe minder aan bij jongeren, vrouwen en gediplomeerden.

De Moslimbroeders hebben in het verleden de confrontatie met de overheid vermeden en hebben tijdens de recente protesten pas deelgenomen toen ze niet meer anders konden. Hun gesprek met het oude regime tijdens de opstand kon op weinig sympathie rekenen.

Een deel van hun achterban, vooral jongeren en vrouwen, hebben zich afgekeerd van de leiding en hebben toenadering gezocht tot de ‘6 April-beweging’. Het is in elk geval belangrijk om vast te stellen dat het broederschap slechts een kleine fractie was van de opstandelingen op het Tahrirplein. De verbroedering tussen moslims en christenen op het plein heeft een diepe indruk nagelaten.[4]

De Tahriropstand is ook een beetje een revolutie geweest voor de Moslimbroeders zelf. Als ze hun aanhang en hun invloed op de samenlevingen willen behouden, zullen ze in elk geval hun conservatieve en eng-islamitische opstelling moeten bijsturen.

3. De wereld van de arbeid

In het verleden lagen de vakbonden volledig aan banden. Stakingen waren nauwelijks toegelaten en werden soms bloedig neergeslagen. Dat heeft niet kunnen verhinderen dat de laatste jaren de arbeiders zich militanter zijn gaan opstellen en zich beter zijn gaan organiseren. Er was een toenemend aantal wilde stakingen en er werden meer en meer onafhankelijke arbeiderscomités opgericht.

De oude vakbond heeft niet deelgenomen aan de protesten en is tot op het einde Moebarak blijven steunen. Hij is volledig in diskrediet geraakt. Het is zeer de vraag of de oude vakbond deze opstand zal overleven.

Op het Tahrirplein werd in elk geval al een nieuwe en onafhankelijke vakbond opgericht. Als er voldoende democratische ruimte is – en het ziet er voorlopig naar uit dat dit het geval zal zijn –  dan zal de werkende bevolking in de komende maanden voor het eerst stevige organisaties kunnen uitbouwen die kunnen opkomen voor haar belangen. Als ze daarin slagen zal dit op termijn de Egyptische samenleving ingrijpend veranderen.

4. De politieke linkerzijde

Men kan hier spreken van een oude en een nieuwe lichting. De oude lichting bestaat uit linkse nationalisten en socialisten. Veel van de leiders zijn uitgeweken naar het buitenland. De repressie heeft deze groepen of partijen sterk verzwakt. Ze hebben geen grote aanhang, maar zijn wel goed georganiseerd en hebben sterke contacten zowel in de arbeiderswereld als met andere oppositiebewegingen. Ze hebben ook een belangrijke rol gespeeld in de mobilisatie van de voorbije opstand. Hun rol is dus zeker niet uitgespeeld.

De nieuwe lichting is minder ideologisch geprofileerd en organiseert zich vooral via sociale medianetwerken. De ‘6 april-beweging’, is daar een voorbeeld van. Ze staat dicht bij de arbeiderswereld en kan rekenen op 70.000 aanhangers. Als de oude en de nieuwe lichting elkaar vinden en hun krachten bundelen dan kan de linkerzijde een belangrijke factor van betekenis worden in de toekomst.

5. Andere progressieve krachten

Het gaat over de opgeleide middenklasse en de burgerij die de wijdverbreide corruptie beu zijn. Zij verzetten zich tegen de uitverkoop van de economie aan het buitenlands kapitaal en moeten ook niets weten van de conservatieve versie van de Islam.

Het is uit deze kringen dat de bewegingen ‘Kifaya’ (Genoeg) en de ‘Egyptische Beweging voor Verandering’ afkomstig zijn. Hun boegbeeld op dit moment is ElBaradei. Deze kringen kunnen beschikken over heel wat financiële middelen. Als ze zich goed weten te organiseren, dan zullen ze bij de volgende verkiezingen wellicht een toonaangevende rol spelen.

Enkele voorlopige conclusies

Het was al bij al een merkwaardige opstand. Spontaan, niet voorbereid en zonder duidelijke leiding. Bij de mobilisatie speelden de nieuwe sociale media een zeer belangrijke rol, het was m.a.w. een typische revolutie van de 21ste eeuw.

Het was een massale, vastberaden en volgehouden straatmobilisatie die dreigde over te slaan naar de werkvloer en die kon rekenen op de gedoogsteun van het leger. Uiteindelijk heeft die de macht naar zich toe getrokken.

In zekere zin was dat ook logisch. Er was geen politieke partij of een bekend gezicht die het voortouw nam en die in staat was om de macht over te nemen. Het vertrek van Moebarak moest dan wel een machtsvacuüm achterlaten. Het leger vult dat nu tijdelijk op.

Zijn we dan terug naar af? Het is een feit dat de populariteit van het leger sterk is toegenomen. Zullen de strijdkrachten dan wel bereid zijn om de macht daadwerkelijk over te dragen en een democratische openheid te creëren?

Ik denk dat die kans groot is. Het politiek bewustzijn is de afgelopen weken met sprongen vooruitgegaan en de bevolking heeft haar schrik overwonnen. Ze zal geen machtsmisbruik meer toelaten. Indien nodig zal de kracht van de straat het leger dwingen om (voldoende) democratie te garanderen.

De gecreëerde politieke opening zal een boost geven aan de prille volksorganisaties en er zullen vele nieuwe groeperingen en bewegingen het licht zien. Ook onafhankelijke vakbonden zullen oprijzen. Het zal allemaal zijn tijd vergen en het zal wellicht met vallen en opstaan gebeuren. Maar als de bevolking erin slaagt om zich goed te organiseren, dan zal ze de krachtsverhoudingen in het land ingrijpend en wellicht definitief kunnen wijzigen. Het zal daarbij belangrijk zijn dat de progressieve krachten zoveel mogelijk hun verschilpunten overstijgen en eenheid weten te smeden.

Hoe het op electoraal vlak zal evolueren, valt moeilijker te voorspellen. Individuen zullen daarin ongetwijfeld een sterke rol spelen. Ook hier zal het voor progressieve partijen belangrijk zijn de eenheid na te streven.

De opstand was een bonte mix. Daarbij kan je niet anders dan vaststellen dat jongeren en vrouwen die protesteren tegen politiegeweld, arbeiders en micro-ondernemers die een hoger loon willen, of hoogopgeleide mensen die de corruptie beu zijn, niet noodzakelijk dezelfde belangen hebben als bijvoorbeeld de zakenlui rondom ElBaradei.

Toch zijn er belangrijke overlappingen. Alle krachten van de opstand, het leger incluis, willen dat de geproduceerde rijkdom van het land binnen de grenzen blijft, in elk geval meer dan nu het geval is. Ze willen elk op hun manier dat de economie meer gericht is op de nationale ontwikkeling en meer ten goede komt aan de bevolking.

In die zin betekent deze revolutie ook een breuk met de globalisering op neoliberale leest geschoeid.

Post Scriptum

Over de toekomst schrijven is een heikele zaak. Maar dat geldt in zekere zin ook voor het recente verleden. Het is een gekende wetmatigheid van de geschiedenis dat naarmate de gebeurtenissen ‘verser’ zijn, het ook moeilijker en riskanter is om erover te schrijven.

En dat is des te meer het geval bij revolutionaire processen. Wat vandaag nog waar of belangrijk lijkt te zijn, kan morgen al totaal achterhaald of bijkomstig zijn. Een deel van wat we hierboven schreven zal daarom in de toekomst wellicht moeten aangevuld, verfijnd of zelfs gecorrigeerd worden.

Dit artikel is slechts een eerste, voorzichtige aanzet. We baseerden ons voor onze analyse voor een groot deel op de uitstekende artikels van Paul Amar, professor aan de Santa Barbara Universiteit van California.

Belangrijkste bronnen

Amar P., ‘Why Egypt’s progressives win’, http://www.jadaliyya.com/pages/index/586/why-egypts-progressives-win.

Amar P., ‘Mubarak’s phantom presidency’, http://english.aljazeera.net/indepth/opinion/2011/02/20112310511432916.html.

Beinin J., ‘A Historical Perspective on the Popular Uprising in Egypt’, http://humanexperience.stanford.edu/beininegypt.

Cole J., ‘Egypt’s Class Conflict’, http://www.juancole.com/2011/01/egypts-class-conflict.html.

El Saadawi N. & Moll Y., ‘What the Revolution Means for Women’, http://www.wnyc.org/shows/bl/2011/feb/07/what-revolution-means-women/?utm_source=feedburner&utm_medium=feed&utm_campaign=Feed%3A+wnyc_home+%28WNYC+New+York+Public+Radio%29.

‘Emboldened workers seize the moment’, The Financial Times, 11 februari 2011, p. 4.

‘The long haul’, The Economist, 12 februari 2011.

Noten

[1] Voor meer uitleg over die bewegingen, zie Vandepitte M., ‘De hoofdrolspelers van de Egyptische revolutie’, http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/02/05/de-hoofdrolspelers-van-de-egyptische-revolutie.

[2] Khalaf R., ‘Power behind throne steps forward’, Financial Times, 11/12 februari, 2011.

[3] Zie Vandepitte M., ‘Revolutie in Egypte: mokerslag voor Israël en de VS’, http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/02/01/revolutie-egypte-mokerslag-voor-isra%C3%ABl-en-de-vs.

[4] Morrow A., & Al-Omrani K, ‘Moslims en christenen protesteren samen in Caïro’, http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/02/10/moslims-en-christenen-protesteren-samen-ca%C3%AFro.

take down
the paywall
steun ons nu!